Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Een Stille Treinreis door de Duinen

Het is al laat in de middag en de regen tikt zacht tegen het raam.

Je zit in je favoriete stoel, dicht bij de verwarming.

De kamer is warm en het licht is laag, alleen een kleine lamp naast je brandt.

Buiten zie je de druppels langs het glas glijden.

Ze maken geen haast.

Ze volgen hun eigen weg, langzaam naar beneden.

Je volgt er een met je ogen, van boven tot onder, en dan begint het weer opnieuw.

Je adem is rustig.

Je hoeft niets te doen.

De dag is voorbij en de avond ligt voor je, zacht en open.

Je handen rusten op je schoot en je voelt de stof van je broek onder je vingers.

Het is een bekend gevoel, veilig en stil.

Binnen is het droog.

De regen blijft buiten, het geluid is als een verre vriend die zachtjes praat.

Je luistert ernaar zonder echt te luisteren.

Het vult de kamer met een ritme dat je kent, diep van binnen.

Je kijkt naar de kamer om je heen.

De boekenkast staat stil tegen de muur.

De plant op de vensterbank buigt een beetje naar het licht.

Alles staat op zijn plek.

Er is geen haast hier.

Er is alleen dit moment, waarin je zit en ademt.

Je voelt je schouders zakken, een klein beetje maar.

Je nek wordt vrijer.

Je hoeft niets vast te houden.

De gedachten van de dag glijden langzaam weg, als druppels op het glas.

Ze komen, ze gaan, en jij blijft zitten.

De kamer ruikt naar droog hout en een vleugje koffie van vanochtend.

Het is een geur die thuis betekent.

Je haalt eens diep adem en laat de lucht weer gaan.

Je mond is ontspannen, je kaken zijn los.

Buiten wordt het donkerder.

De lantaarn aan de straat begint te gloeien, zacht oranje door de regen heen.

Je ziet het licht op het natte pad vallen.

Het weerkaatst een beetje, als een stille spiegel op de grond.

Je blijft zitten.

Je hoeft niet op te staan.

De avond vraagt niets van je.

Je mag hier zijn, precies zoals je bent, in deze warme kamer met de regen buiten.

Je hand gaat langzaam naar de leuning van je stoel.

Je vingers voelen het hout, glad en koel.

Je laat je hand daar liggen.

Het is genoeg.

Dit is genoeg.

Je ogen worden zwaarder, maar je hoeft ze niet open te houden.

Je mag ze sluiten.

Je hoort de regen nog steeds, dichterbij nu, alsof het dak het zachtjes opvangt.

De druppels vinden hun weg over de pannen, naar de goot, naar de grond.

Je adem wordt dieper, vanzelf.

Je borst gaat omhoog en weer omlaag, langzaam.

Je voelt je hart kloppen, rustig en gelijkmatig.

Het is er, het hoort bij je, en het heeft geen haast.

De lamp naast je zoemt heel zacht, een laag geluid dat je bijna niet hoort.

Het is er wel, als een vaste ondergrond.

Je laat jezelf zakken in dat geluid, in het tikken van de regen, in de warmte van de kamer.

Buiten rijdt ergens een auto door de natte straat.

Het geluid komt en gaat, als een golf die zich terugtrekt.

Je hoeft er niets mee te doen.

Het is alleen geluid, en jij bent hier binnen.

Je opent je ogen weer een klein stukje.

Het licht van de lamp maakt lange schaduwen op de muur.

De plant werpt een zacht silhouet.

Je kijkt ernaar zonder te denken.

Je laat je blik rusten, zomaar, op de vormen om je heen.

De regen wordt minder.

De druppels tikken nu losser, alsof ze bijna klaar zijn.

Je hoort het ritme veranderen, maar het blijft zacht.

Het blijft veilig.

Je zit nog steeds in je stoel.

Je voeten staan plat op de grond.

Je handen liggen weer in je schoot.

Je bent klaar voor de avond.

Je bent klaar om hier te blijven, in deze stilte, met de regen die langzaam wegglijdt en het licht dat je omhult.

Je adem wordt nog rustiger.

Je laat je hoofd een beetje zakken.

Je nek is vrij, je schouders zijn laag.

Dit is een goed moment.

Dit is een rustig moment.

Je mag het hebben.

Je hoofd blijft een beetje naar voren hangen.

Het is geen moeheid.

Het is meer een vorm van loslaten.

Je laat je kin rusten op de ruimte boven je borst.

Je ogen zijn half gesloten.

Je ziet de vloer van de trein, het grijs van het tapijt, de lijn van de stoel voor je.

Alles is dichtbij.

Alles is klein en overzichtelijk.

Buiten is de wereld nog steeds aanwezig.

Je hoort het niet meer als geluid.

Je voelt het meer als een beweging.

De trein glijdt door de duinen, maar de duinen zijn niet scherp.

Ze zijn rond en zacht, als dekens die over de aarde liggen.

Het gras buigt mee met de wind.

Je ziet het niet, maar je weet het.

Je hoeft het niet te zien.

Je hoeft alleen maar te weten dat het er is, dat het beweegt, dat het leeft op zijn eigen rustige manier.

De lamp boven je maakt een heel zacht zoemen.

Het is geen storend geluid.

Het is meer een herinnering aan stilte.

Je luistert ernaar en het wordt een deel van de kamer.

Het wordt een deel van jouw adem.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Het zoemen blijft hetzelfde.

Het is een vaste plek in de tijd.

Je handen liggen nog steeds in je schoot.

Je vingers zijn ontspannen.

Ze krullen niet.

Ze liggen gewoon open, als bladeren die rusten op het water.

Je kijkt ernaar zonder echt te kijken.

Je ziet de lijnen op je handpalmen.

Je ziet de zachte kleur van je huid.

Het is allemaal gewoon.

Het is allemaal goed.

De regen is nu bijna weg.

Je hoort nog een enkele druppel tegen het raam.

Het klinkt als een vraag die geen antwoord nodig heeft.

De druppel loopt langzaam naar beneden.

Je volgt hem niet met je ogen.

Je laat hem gaan.

Je laat hem zijn eigen weg vinden.

De trein maakt een bocht.

Het is een heel lichte beweging.

Je lichaam gaat mee, maar je spant niets aan.

Je schouders blijven laag.

Je heupen blijven zacht.

De bocht is als een hand die je even vasthoudt en weer loslaat.

Je bent weer recht.

Je bent weer stil.

Je denkt aan de duinen.

Je ziet ze voor je, hoewel je ze niet hoeft te zien.

Ze zijn hoog en dan weer laag.

Ze zijn bedekt met helmgras dat beweegt in de wind.

Er is geen haast.

Er is geen doel.

De duinen zijn er gewoon, al duizenden jaren, en ze wachten op niets.

Ze zijn een goed voorbeeld.

Ze zijn een goede plek om te zijn.

Je adem wordt nog langzamer.

Je borst gaat omhoog en weer omlaag.

Het is een klein ritme.

Het is jouw ritme.

Je hoeft er niets aan te doen.

Het gebeurt vanzelf.

Het is als het licht dat door het raam valt, zacht en gelijkmatig.

Het is als de warmte van de stoel onder je, die je vasthoudt zonder te knellen.

Je bent hier.

Je bent in deze trein.

Je bent in deze stoel.

Je bent in deze stilte die langzaam groter wordt.

De wereld buiten wordt vager.

De lijnen worden zachter.

De kleuren worden minder.

Je hoeft niets te onthouden.

Je hoeft niets vast te houden.

Je laat je ogen helemaal dichtvallen.

Het is donker, maar het is een warm donker.

Het is een donker dat je kent.

Het is een donker dat je omarmt.

Je hoort het zoemen van de lamp.

Je hoort het tikken van de laatste druppels.

Je hoort de trein die verder glijdt, maar het is allemaal ver weg.

Het is allemaal achter glas.

Je bent klaar voor dit moment.

Je bent klaar voor de stilte die nu helemaal binnen is.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Je bent hier.

Je blijft hier.

En dat is genoeg.

En dat is genoeg.

De trein glijdt verder door het zachte licht van de middag.

Buiten zijn de duinen nu dichterbij gekomen, hun randen rond en stil als slapende dieren.

Je voelt de beweging niet echt meer.

Het is meer een wiegen, een langzaam heen en weer dat je lichaam kent.

Het is een ritme dat geen begin heeft en geen einde.

Het is er gewoon.

Je handen liggen los op je schoot.

Je vingers zijn ontspannen, licht gebogen alsof ze een heel zacht geheim vasthouden.

Maar er is geen geheim.

Er is alleen dit moment.

Er is alleen de stof van je broek onder je vingertoppen, warm en gewoon.

Je ademt langzaam in door je neus.

Je ademt langzaam uit door je mond.

De lucht is koel en stil.

Buiten glijdt een stukje gras voorbij, dan een stukje zand, dan een paar lage struiken die buigen in de wind.

Je ziet het niet echt.

Je voelt het meer, alsof de beelden door je heen gaan zonder te blijven.

De wereld wordt steeds vager, steeds zachter, steeds verder weg.

En dat is goed.

Dat is precies goed.

Je hoofd rust tegen het raam.

Het glas is koel, maar het wordt snel warm van jouw huid.

Je voelt de kleine trilling van de trein door je wang gaan, maar het is geen trilling die stoort.

Het is een zoem, een laag geluid dat je wiegt.

Het is als het geluid van een verre bij in een zomer die je niet meer hoeft te kennen.

De lamp boven je maakt een heel zacht geluid.

Je hoort het nu duidelijker, maar het is geen geluid dat vraagt om aandacht.

Het is een geluid dat er gewoon is, als een oude vriend die naast je zit zonder te praten.

Je hoort ook je eigen ademhaling.

Het is een rustig geluid, gelijkmatig, als het tikken van een klok die geen haast heeft.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De stilte wordt dikker, maar het is geen dikte die drukt.

Het is een dikte die draagt.

Je benen zijn zwaar.

Je armen zijn zwaar.

Je schouders zakken langzaam naar beneden, alsof ze eindelijk mogen rusten.

Je voelt de stoel onder je, stevig en warm.

De stoel houdt je vast zonder te knellen.

Het is een omhelzing die je niet hoeft te beantwoorden.

Je hoeft alleen maar te zitten.

Je hoeft alleen maar te zijn.

De duinen blijven komen en gaan.

Soms is er een stukje zee tussen de heuvels, een glinstering die even oplicht en weer verdwijnt.

Het is als een herinnering die je niet hoeft vast te houden.

Het is er, en dan is het weg.

En dat is genoeg.

Je ogen zijn dicht.

Je ogen zijn heel zwaar, maar het is een prettige zwaarte.

Het is een zwaarte die je laat zakken, dieper en dieper, als een blad dat langzaam naar de grond drijft.

Je hoort iemand hoesten, heel ver weg, misschien twee wagons verder.

Het geluid komt je niet bereiken.

Het blijft hangen in de ruimte tussen jou en de rest.

Je hoeft er niets mee te doen.

Je hoeft alleen maar te blijven zitten in deze warmte, in dit donker, in deze stilte die nu helemaal van jou is.

De trein vertraagt een klein beetje.

Je voelt het in je buik, een zachte verschuiving.

Maar het is geen stoppen.

Het is alleen een moment van rust, een inademing van de reis zelf.

Dan glijdt de trein weer verder, langzaam en gelijkmatig.

Je ademt mee met de beweging.

Je ademt in als de trein vooruitgaat.

Je ademt uit als de trein rustig blijft.

En zo blijf je, minuut na minuut, zonder te tellen.

Je bent hier.

Je bent in deze stoel.

Je bent in deze trein die door de duinen glijdt.

De wereld buiten is er nog, maar hij is niet belangrijk meer.

Hij is als een schilderij dat je ooit hebt gezien en nu vaag wordt.

Je hoeft het niet te begrijpen.

Je hoeft het niet te onthouden.

Je hoeft alleen maar te rusten in dit zachte, warme donker dat je omarmt.

Je ademt in.

Je ademt uit.

En dat is genoeg.

En dat is genoeg.

De trein zoeft verder door de duinen, maar je voelt het niet meer als beweging.

Het voelt meer als een zachte wieging, zoals een boot die rustig op het water ligt.

Buiten is het donker geworden.

Niet het donker van de nacht, maar een zacht, diep donker dat alles bedekt met een warme deken.

De lichten in de trein zijn gedimd.

Ze geven een gouden gloed die op je handen valt, op je schoot, op de lege stoel naast je.

Je kijkt naar je handen.

Ze liggen stil op je benen.

Je ziet de lijnen in je huid, zacht en vertrouwd.

Je handen hebben vandaag al veel gedaan, maar nu hoeven ze niets meer te doen.

Ze mogen rusten.

Je laat je schouders een beetje zakken.

Je voelt hoe de spanning uit je nek wegvloeit, langzaam, als water dat wegzakt in de grond.

Je hoofd is licht.

Je gedachten worden minder en minder.

Ze worden kleiner, zachter, als stippen aan de rand van een groot rustig veld.

De trein maakt een geluid.

Het is niet luid.

Het is een zacht, ritmisch geluid, als een hartslag van iets groots en goeds.

Het herhaalt zich steeds opnieuw.

Het is er altijd, maar je hoort het pas nu.

Het is een geluid dat je geruststelt.

Het zegt niets.

Het vraagt niets.

Het is er gewoon, en dat is meer dan genoeg.

Buiten zie je een heel klein lichtje.

Het is ver weg, misschien een huisje tussen de duinen.

Het lichtje is klein en geel en het blijft even hangen in je blik.

Dan is het weg, voorbij, opgelost in het donker.

Je hoeft er niet naar te zoeken.

Je hoeft niets te volgen.

Alles mag komen en gaan.

Jij blijft hier, in je stoel, in je warmte, in je rust.

Je ademt in en je voelt de lucht door je neus naar binnen stromen.

Het is koel en schoon.

Je ademt uit en je voelt hoe je lichaam nog een beetje dieper in de stoel zakt.

De stof van de stoel is zacht tegen je wang.

Je hebt je hoofd een beetje schuin gelegd, zonder dat je het merkte.

Het ligt nu tegen de rugleuning.

Het is een goede plek.

Het is een plek die voor jou gemaakt lijkt.

De trein glijdt door een kleine bocht.

Je voelt het in je zij, een heel lichte druk.

Dan is de trein weer recht en glad.

De beweging is als een ademhaling van de aarde zelf.

Je mag meebewegen.

Je mag stil zijn.

Je mag alles loslaten wat je vandaag hebt vastgehouden.

Je hoeft het niet weg te gooien.

Je hoeft het alleen maar neer te zetten, naast je, op de grond.

Het kan daar blijven.

Het kan wachten.

Jij hoeft nu niet te dragen.

Je ogen zijn half gesloten.

Je ziet de wereld door een zachte waas.

De stoelen voor je zijn leeg.

Het gangpad is stil.

Er is niemand die iets nodig heeft.

Er is niemand die iets vraagt.

Je bent alleen met het geluid van de trein en het ritme van je eigen adem.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De trein glijdt.

De duinen zijn er nog, maar je ziet ze niet meer.

Je voelt ze alleen, als een groot, zacht landschap dat je beschermt.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je bent hier.

En dat is alles wat je nu hoeft te zijn.

En dat is genoeg.

Het is genoeg om hier te zijn, in deze trein, tussen de duinen.

De wereld buiten is grijs en zacht.

De lucht hangt laag boven de heuvels, als een deken die langzaam naar beneden komt.

Het licht is niet fel.

Het is een licht dat je ogen niet stoort.

Het is een licht dat je toestaat om te kijken of juist om weg te kijken.

Beide is goed.

Voor het raam zie je een klein pad.

Het loopt tussen twee duinen door.

Er loopt niemand op het pad.

Het pad is er gewoon.

Het hoeft niets te doen.

Het ligt daar, stil, onder de lucht.

Je ogen volgen het pad een stukje en dan laat je het los.

Je kijkt weer naar binnen, naar je eigen handen op je schoot.

Je handen zijn ontspannen.

Je vingers zijn licht gebogen.

Je hoeft ze niet te bewegen.

Ze mogen rusten.

De trein maakt een klein geluid, een zacht klikken, alsof de wielen iets tegen elkaar zeggen.

Het is geen haastig geluid.

Het is een geluid dat je kent.

Het komt en het gaat.

Het komt weer terug.

Je hoeft er niet naar te luisteren, maar je mag het wel horen.

Het is een geluid dat bij je blijft, als een oude vriend die naast je loopt zonder te praten.

Je voelt de warmte van de verwarming onder de bank.

Het is een droge, lage warmte.

Het komt omhoog langs je benen.

Het maakt je zwaarder.

Niet op een vervelende manier.

Het maakt je zwaarder zoals een boom zwaar is, stevig en rustig.

Je mag wegzakken in die warmte.

Je mag je schouders laten zakken.

Je kaken zijn los.

Je tong ligt stil in je mond.

Je ademt door je neus, langzaam, zonder dat je het hoeft te sturen.

Buiten zie je een stukje duin met helmgras.

Het gras beweegt heel licht, alsof de wind er zachtjes doorheen aait.

Het gras is niet haastig.

Het buigt en het komt weer overeind.

Het doet dat al heel lang.

Het zal dat nog heel lang doen.

Jij hoeft dat niet te doen.

Jij hoeft alleen maar te zitten.

De trein draagt je.

Het gras staat stil.

Het gras beweegt.

Alles mag er zijn.

Je ogen worden zwaarder.

Je laat ze half dichtvallen.

Het beeld van buiten wordt een vlek, een grote zachte vlek van zand en lucht.

Het is mooi om zo te kijken.

Het is alsof je kijkt door een raam van dromen.

Je hoeft niets scherp te zien.

Je hoeft niets te begrijpen.

Je hoeft alleen maar te laten komen wat er komt.

En wat er komt is rust.

Het komt van de duinen.

Het komt van de wielen.

Het komt van je eigen adem die langzaam in en uit gaat.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De trein glijdt verder.

De duinen zijn er nog, groot en stil.

Ze houden je vast zonder je aan te raken.

Ze laten je gaan zonder je los te laten.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je bent hier.

En dat is alles wat je nu hoeft te zijn.

En dat is genoeg.

De trein zingt zijn eigen lied, een laag geluid dat onder je huid kruipt.

Het is geen muziek.

Het is meer het geluid van de wereld die even stopt met praten.

Je hoort het metaal over de rails glijden, een lang, zacht sissen.

Het klinkt als regen die op een raam valt, maar dan dieper.

Je laat je hoofd een klein beetje naar de zijkant leunen.

Het raam is koel tegen je slaap.

Het is een prettige koelte, niet koud, gewoon een rustige aanwezigheid.

Buiten wordt het licht zachter.

De zon staat lager, of misschien is er een wolk voor geschoven.

Je weet het niet precies.

Het maakt ook niet uit.

Het licht wordt gewoon minder fel, en dat voelt goed.

De duinen worden langzaam donkerder, van zandgeel naar een warm grijs.

De helmgrassen buigen mee met een wind die je niet voelt.

Ze doen het al zo lang.

Ze weten hoe het moet.

Ze buigen, ze komen weer omhoog, en ze buigen opnieuw.

Het is een ritme zonder haast.

Je kijkt ernaar en je eigen schouders zakken nog een stukje lager.

Je handen liggen los op je schoot.

Je vingers zijn ontspannen, een beetje gebogen.

Je merkt dat je duim zachtjes over de stof van je broek beweegt.

Het is een kleine beweging, bijna vanzelf.

Het is alsof je lichaam ook mee wiegt met de trein.

De trein wiegt, de duinen wiegen, en jij wiegt mee.

Alles beweegt op dezelfde trage maat.

Er is geen haast in deze wereld.

Er is geen plek waar je moet zijn.

De trein weet de weg.

Jij hoeft alleen maar te zitten en te kijken naar het voorbijtrekken van de dag.

Een meeuw zweeft langs het raam.

Hij beweegt zijn vleugels bijna niet.

Hij laat zich dragen door de lucht, net zoals jij gedragen wordt door de trein.

De meeuw is wit en grijs, een vlek die even verschijnt en dan weer weg is.

Je volgt hem met je ogen tot hij klein wordt.

Dan is hij weg.

Maar het beeld blijft even hangen, als een zachte herinnering.

Je ademt in en je merkt dat de lucht in de trein een beetje naar zout smaakt.

Of misschien is het de herinnering aan de zee die dichtbij is.

De duinen ruiken naar zout, naar droog gras, naar ruimte.

Je sluit je ogen een moment en je ruikt het gewoon.

De trein vertraagt een heel klein beetje.

Niet veel, gewoon een zachte verandering in het geluid.

Het sissen wordt iets lager.

De wielen klinken anders, alsof ze over een bruggetje rijden.

Je opent je ogen weer en je ziet een klein stukje water naast de rails.

Het is een plas, of misschien een sloot.

Het water is stil en grijs.

Er ligt een tak in, heel dun, bijna als een lijn.

Je kijkt ernaar en je voelt je ogen weer zwaar worden.

Het is geen moeheid die je tegenhoudt.

Het is een moeheid die je toestaat om te rusten.

Het is een uitnodiging om even niets te doen.

Je laat je ogen half dichtvallen.

Het beeld van buiten wordt weer een vlek, maar nu is de vlek dieper van kleur.

Het zand is donker, de lucht is lichter, en alles loopt in elkaar over.

Het is als een deken die over de wereld ligt.

De duinen zijn er nog, groot en stil.

Ze houden je vast zonder je aan te raken.

Ze laten je gaan zonder je los te laten.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je bent hier.

De trein draagt je verder, de duinen blijven naast je.

En jij zit er rustig tussenin, ademend, kijkend, rustend.

Het is genoeg.

Het is precies genoeg.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De wielen zingen hun lage lied.

En jij laat het allemaal gebeuren.

De wielen zingen hun lage lied, en jij laat het allemaal gebeuren.

Het geluid is er altijd, maar het vraagt niets van je.

Het is er gewoon, als een zachte adem die onder de trein doorloopt.

Je hoort het niet meer echt.

Je voelt het meer.

Een trilling die door de bank gaat, door je benen, door je handen die los op je schoot liggen.

Buiten wordt het licht nog wat zachter.

De lucht is niet grijs meer, maar heel licht blauw, alsof de dag langzaam wegglijdt in de avond.

De duinen zijn nu dichter bij de trein.

Je ziet het gras bewegen, heel langzaam, heen en weer.

Het is alsof de wind door de halmen loopt en ze even aanraakt.

Je kijkt ernaar en je merkt dat je ademhaling nog langzamer wordt.

In.

En uit.

Het is geen moeite.

Het is gewoon wat je lichaam doet terwijl jij kijkt.

Er staat een klein huisje tussen de duinen, ver weg.

Het is wit, met een donker dak.

Er komt geen rook uit de schoorsteen.

Er is niemand te zien.

Het huisje staat er gewoon, stil en alleen.

Het hoeft niets te doen.

Het mag er zijn.

En jij mag er ook zijn, hier in de trein, kijkend naar dat kleine huisje dat steeds kleiner wordt.

Het verdwijnt niet echt.

Het wordt alleen kleiner, tot het een stip is, en dan is het weg.

Maar je weet dat het er nog is, achter de duinen.

Het is er nog, net als jij.

Je handen liggen nog steeds op je schoot.

Je voelt de stof van je broek onder je vingers.

Het is een zachte stof, een beetje geribbeld.

Je strijkt er langzaam overheen, zonder doel.

Het is een beweging die niets hoeft te betekenen.

Het is alleen een beweging om te voelen.

Je voelt de warmte van je eigen hand, de stof eronder, de stilte eromheen.

Het is allemaal dichtbij.

Het is allemaal zacht.

De trein gaat door een kleine bocht.

Je lichaam leunt heel even mee, en dan zit je weer recht.

De beweging is vloeiend, bijna alsof de trein je wiegt.

Je ogen zijn nog half open.

Je ziet de duinen weer, maar nu zijn ze wat lager.

Ze lijken te slapen.

De kleuren zijn dieper geworden.

Het zand is bijna bruin, het gras is donkergroen, en de lucht heeft een kleur die je niet goed kunt noemen.

Het is niet blauw en niet grijs.

Het is gewoon een kleur die rustig is.

Een kleur die bij de avond hoort.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De duinen blijven naast je, groot en stil.

Ze houden je vast zonder je aan te raken.

Ze laten je gaan zonder je los te laten.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je bent hier.

De trein draagt je verder, en jij laat je dragen.

Het is genoeg.

Het is precies genoeg.

Je laat je ogen nog wat meer zakken.

Het beeld van buiten wordt weer een vlek, maar nu is de vlek warm van kleur.

Alles loopt in elkaar over.

Het is als een deken die over de wereld ligt.

En jij zit eronder, zacht en stil, terwijl de wielen hun lage lied blijven zingen.

Je laat het allemaal gebeuren.

Je laat het allemaal zijn.

Het lied van de wielen is er nog.

Het is er altijd geweest, al die tijd.

Het is een laag geluid, diep onder je, als een hart dat heel langzaam klopt.

Je voelt het niet meer met je oren, maar met je hele lichaam.

Het wiegt je zachtjes heen en weer, heen en weer.

Zoals de zee dat doet, ver weg, aan de andere kant van de duinen.

De warme vlek buiten is nu echt een vlek geworden.

Je ziet geen vormen meer.

Geen duinen, geen gras, geen lucht.

Alleen nog kleuren die in elkaar overvloeien.

Een groot, zacht geheel.

Het lijkt wel of de wereld buiten langzaam oplost in de avond.

En jij lost een beetje mee op, in je stoel, onder je jas.

Je schouders zijn los.

Je handen liggen stil op je schoot.

Je benen zijn zwaar en warm.

Alles aan jou wordt rustiger.

Je adem wordt langzamer.

Je hoeft er niets voor te doen.

Het gebeurt vanzelf.

Boven je hoofd zoemt de lamp zachtjes.

Een heel klein geluid, bijna niet te horen.

Het is er wel, als een vriend die fluistert dat alles goed is.

Je voelt de stof van de stoel onder je vingers.

Een beetje ruw, een beetje warm.

Het is een bekend gevoel.

Het gevoel van zitten, van reizen, van onderweg zijn zonder haast.

De trein remt een heel klein beetje.

Je voelt het aan je lichaam, een lichte kanteling naar voren.

Dan gaat hij weer verder, rustig en gelijkmatig.

De beweging is als een lange ademhaling.

In, uit.

In, uit.

De trein ademt voor jou.

Je denkt aan de duinen die nu buiten liggen.

Ze zijn er nog, ook al zie je ze niet meer.

Ze liggen daar, groot en stil, in het donker.

Het zand is koel geworden.

Het gras beweegt niet.

Alles wacht.

De duinen wachten op de nacht, en jij wacht op niets.

Je hoeft nergens op te wachten.

Je hoeft alleen maar hier te zijn, in deze warme trein, met dit zachte geluid om je heen.

De wielen zingen hun lied.

Het is een lied zonder woorden.

Het gaat over verder gaan en toch stil blijven.

Het gaat over dragen en gedragen worden.

Het gaat over jou, maar ook niet over jou.

Het gaat gewoon.

Je ogen zijn bijna dicht.

Je ziet nog een klein beetje licht, een gloed van de lamp boven je.

Het is zacht en geel.

Het valt op je handen.

Je handen zien er warm uit in dat licht.

Je laat je hoofd iets naar voren zakken.

Je kin rust bijna op je borst.

Je nek is vrij, je schouders zijn vrij.

Alles mag hangen.

Alles mag los.

Je hoort iemand in de verte hoesten, heel zacht, en dan is het weer stil.

De stilte is dik en veilig.

Je zit er middenin.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De duinen zijn er nog, maar ze zijn ver weg.

De wereld is er nog, maar ze is zacht geworden.

Jij bent er ook nog.

Je bent er, in deze trein, op deze reis.

Je bent er, en dat is genoeg.

Het is precies genoeg.

Je laat je hoofd nog een stukje zakken.

De warmte van de deken over de wereld ligt ook over jou.

Je laat het allemaal gebeuren.

Je laat het allemaal zijn.

Het is goed zo.

Het is heel goed zo.

Het is heel goed zo.

De trein wiegt een klein beetje, heen en weer, heel langzaam.

Het is geen schudden, het is meer een zacht ademen van de wielen onder je.

Je voelt het in je voeten, heel ver weg.

Het is een ritme dat je niet hoeft te volgen.

Het mag gewoon gebeuren.

Je handen liggen stil op je schoot.

De gele gloed van de lamp valt er nog steeds op.

Je ziet de lijnen in je handpalmen, zacht en dun.

Je vingers zijn ontspannen, een beetje gebogen.

Je duimen liggen rustig naast je handen.

Ze hoeven niets vast te houden.

Ze hoeven niets te doen.

Je laat ze daar liggen, warm en stil.

Buiten is het donker geworden.

Het is geen hard donker, het is een zacht donker, vol met de kleuren van de schemering.

De duinen zijn er nog, maar je ziet ze niet meer.

Je voelt ze alleen nog, als een grote, stille aanwezigheid.

Ze liggen daar, heuvel na heuvel, bedekt met gras dat beweegt in de wind.

Maar de wind is ver weg.

Hier, in de trein, is het stil.

Je hoort het zachte zoemen van de trein.

Het is een lage toon, heel gelijkmatig.

Het klinkt als een verre stem die iets geruststellends zegt, maar je hoeft de woorden niet te verstaan.

Je laat de toon door je heen gaan.

Het zoemt door je benen, door je buik, door je borst.

Het maakt alles een beetje losser.

Je schouders zakken nog een stukje.

Je armen worden zwaar, maar op een fijne manier.

Ze liggen op de leuning, op je schoot, en ze mogen daar blijven.

Je ademt in.

De lucht is koel en rustig.

Je ademt uit.

Je mond is een beetje open, je kaken zijn los.

Je tong ligt stil tegen je gehemelte.

Je voelt je hart kloppen, maar het klopt langzaam.

Het klopt mee met de trein, of de trein klopt mee met jou.

Het maakt niet uit.

Het is één ritme nu.

Het is jouw ritme.

Iemand verderop in de trein draait een bladzijde om van een boek.

Het geluid is droog en zacht, als bladeren die bewegen.

Het is geen storend geluid.

Het hoort bij de stilte.

Het maakt de stilte alleen maar voller.

Je hoort ook het tikken van een deur die ergens los zit, heel klein, heel ver weg.

Het tikt niet vaak.

Het tikt af en toe, alsof het ook bijna slaapt.

De lamp boven je geeft nog steeds dat warme, gele licht.

Je ogen zijn bijna dicht.

Je ziet alleen nog een vlek van licht, een gloed op je handen.

Je handen zien er vredig uit.

Ze doen niets.

Ze zijn gewoon daar.

Je laat je hoofd nog een stukje zakken.

Je kin rust nu echt op je borst.

Je nek is vrij, je hals is warm onder de deken die over je schouders ligt.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De duinen zijn er nog, maar ze zijn heel ver weg.

De wereld is er nog, maar ze is zacht en klein geworden.

Jij bent er ook nog.

Je bent er, in deze trein, in het gele licht.

Je bent er, en dat is genoeg.

Het is precies genoeg.

De deken ligt over je heen, en de warmte ligt over de wereld.

Je laat het allemaal gebeuren.

Je laat het allemaal zijn.

De trein rijdt verder, de stilte blijft bij je.

Het is goed zo.

Het is heel goed zo.

Je ogen zijn bijna dicht.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Alles mag hangen.

Alles mag los.

Je ogen zijn bijna dicht.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De trein wiegt zacht, heel zacht, alsof hij je niet wil storen.

Boven je hoofd blijft het licht hangen, warm en geel, als een kleine zon die geen haast heeft.

Je handen liggen nog steeds op je schoot.

Ze zijn rustig.

Ze zijn warm onder de deken.

Je voelt je vingers niet meer zo duidelijk, alleen een zachte gloed van warmte.

Buiten is er nog steeds de wereld, maar die is vaag geworden.

Je hoort een heel zacht geluid, misschien de wielen op de rails, misschien de wind tegen het raam.

Het is geen geluid dat iets vraagt.

Het is gewoon er, als een zachte adem die meegaat met de trein.

De duinen zijn er nog, maar ze zijn nu alleen nog vormen, donkere en lichte vlekken die voorbijglijden.

Je hoeft ze niet te zien.

Je hoeft niets te zien.

Je hoofd ligt zwaar en licht tegelijk op je borst.

Zwaar omdat het mag rusten.

Licht omdat er geen denken meer is.

Je schouders zijn laag.

Je rug is lang en ontspannen onder de deken.

Je voelt je benen zwaar op de stoel, prettig zwaar, alsof ze in de warmte zijn weggezakt.

De deken ligt over je heen als een zachte hand die niets vasthoudt, alleen maar beschermt.

Je ademt in.

De lucht is koel en stil.

Je ademt uit.

De lucht wordt warm en zacht.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Het ritme is er nog, maar het is niet belangrijk meer.

Het is gewoon een golf die komt en gaat, komt en gaat.

Je hoeft er niets mee te doen.

Je hoeft alleen maar te liggen, te zitten, te zijn in deze stoel.

Het licht boven je geeft nog steeds die warme gloed.

Je ziet het niet meer met je ogen, maar je voelt het op je huid, op je wangen, op je handen.

Het is alsof het licht je vasthoudt, heel voorzichtig, zonder iets te vragen.

Je ogen zijn dicht.

Je ogen zijn heel zacht dicht.

Je oogleden zijn zwaar en licht tegelijk, als bladeren die op het water drijven.

De trein rijdt verder.

Je hoort het niet meer als een geluid.

Je voelt het alleen nog als een beweging, heel diep onder je, als een hartslag die langzaam wordt.

De wereld buiten is er nog, maar ze is heel klein geworden.

De duinen zijn er nog, maar ze zijn als herinneringen aan iets dat niet belangrijk is.

Er is alleen dit moment.

Er is alleen deze warmte.

Er is alleen dit zachte licht.

Je handen liggen op je schoot.

Je voelt ze niet meer als handen.

Ze zijn gewoon deel van de warmte.

Je voeten zijn zwaar op de vloer, maar ook zij zijn rustig.

Alles in je lichaam wordt rustig.

Alles mag zwaar worden.

Alles mag loslaten.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De deken ligt over je heen, en de warmte ligt over de wereld.

Je laat je hoofd nog een klein stukje zakken.

Het is al bijna op je borst, maar het mag nog een beetje lager.

Je nek is vrij.

Je hals is warm.

Je voelt je kin tegen de stof van je kleding, zacht en veilig.

Er is niets dat je moet doen.

Er is niets dat je moet denken.

De trein rijdt, het licht schijnt, de deken is warm, en jij bent er.

Je bent er, in deze trein, in dit gele licht.

Je bent er, en dat is genoeg.

Het is precies genoeg.

De stilte is bij je.

De stilte is in je.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Alles mag hangen.

Alles mag los.

De duinen zijn er nog, maar ze zijn heel ver weg.

De wereld is er nog, maar ze is zacht en klein geworden.

Jij bent er ook nog.

Je bent er, en dat is alles.

Het is alles wat nodig is.

Het is goed zo.

Het is heel goed zo.

Je ogen zijn dicht.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De trein wiegt verder, en jij blijft hier, in de warmte, in het licht, in de rust.

Je blijft hier, in de warmte, in het licht, in de rust.

De trein zingt zijn zachte lied, hetzelfde lied als altijd.

Het is een lied zonder woorden, een lied van wielen op rails, van glas dat lichtjes trilt.

Je hoort het niet meer echt, maar je voelt het.

Het zit in je borst, in je buik, heel laag.

Het wiegt met je mee, heen en weer, heen en weer.

Je adem gaat mee met de beweging.

In, als de trein iets omhoog komt.

Uit, als hij weer zakt.

Het is een lange, trage golf.

Je ligt erop, je drijft erop.

Je bent licht, heel licht.

Buiten is er nog steeds de wereld, maar die is ver weg.

Soms zie je door je half gesloten ogen een vlek van groen, een vlek van zand.

De duinen zijn er nog, maar ze zijn niet belangrijk meer.

Ze zijn net als de lucht, net als de wolken.

Ze zijn er, en dat is genoeg.

Ze vragen niets van je.

Ze wachten niet op je.

Ze zijn gewoon stil, zoals jij stil bent.

De trein rijdt verder, en de duinen schuiven voorbij.

Ze schuiven rustig, zonder haast.

Alles heeft zijn tijd.

Alles heeft zijn eigen tempo.

Jij hebt nu het tempo van de trein.

Het is een goed tempo.

Het is een tempo dat past bij jouw adem.

Je hand ligt nog steeds op de deken.

Je voelt de zachte stof onder je vingers.

Het is een warme stof, een bekende stof.

Je vingers bewegen een klein beetje, heel traag.

Ze strijken over de plooi, over een draad die iets dikker is.

Het is een klein gevoel, maar het is er.

Het is een gevoel van hier zijn, van aanwezig zijn.

Je hoeft er niets mee te doen.

Je laat het gewoon gebeuren.

Je laat je hand rusten.

Je laat je vingers rusten.

Ze zijn moe, maar op een goede manier.

Ze zijn moe van het vasthouden, maar nu mogen ze los.

Alles mag los.

Je hoofd is nog een stukje lager gezakt.

Je kin rust nu tegen je borst.

Het is een natuurlijke houding, een houding van overgave.

Je nek is vrij, je schouders zijn vrij.

Je voelt de warmte van je eigen huid tegen de stof van je kleding.

Het is een zachte warmte, een warmte die van binnenuit komt.

Het is het licht van de lamp op je gezicht, maar het is ook iets anders.

Het is een gevoel van veiligheid.

Er is niets dat je hoeft te beschermen.

Er is niets dat je hoeft te bewaken.

De deken doet dat voor je.

De trein doet dat voor je.

De stilte doet dat voor je.

Je ademt in, en je hoort het geluid van je eigen adem.

Het is zacht, bijna niet te horen.

Het is het geluid van lucht die komt en gaat.

Het is het geluid van leven, maar heel rustig leven.

Je ademt uit, en je voelt hoe je buik weer zachter wordt.

Het is een ritme dat je niet hoeft te sturen.

Het gaat vanzelf.

Het gaat zoals de trein gaat, zoals het licht gaat, zoals de duinen gaan.

Alles gaat op zijn eigen manier.

Jij gaat ook op jouw manier.

Je manier is nu heel langzaam.

Je manier is nu heel stil.

De wereld is er nog, maar ze is zacht en klein geworden.

Ze past nu in de ruimte van deze trein.

Ze past in het gele licht van de lamp.

Ze past in de warmte van de deken.

Buiten is er nog steeds het landschap, maar het is een decor geworden.

Het is een plaatje dat voorbij schuift, zonder geluid, zonder betekenis.

De huizen, de bomen, de duinen, ze zijn allemaal even ver weg.

Ze zijn allemaal even onbelangrijk.

Wat belangrijk is, is dit moment.

Dit ene moment waarin je zit, waarin je ademt, waarin je bent.

Je ogen zijn dicht.

Je voelt je oogleden zwaar, maar niet onaangenaam.

Ze zijn gewoon gesloten, als deuren die dicht zijn.

Achter die deuren is er rust.

Achter die deuren is er niets dat je hoeft te zien.

Je hoeft alleen maar te voelen.

Je voelt de bank onder je, de deken over je, de lamp op je.

Je voelt de beweging van de trein, heel diep in je lijf.

Het is een beweging die je draagt, die je vasthoudt.

Je hoeft zelf niets te doen.

De trein doet het voor je.

De trein neemt je mee, naar een plek waar je al bent.

Een plek van rust, een plek van stilte.

Je bent er al.

Je bent er al heel lang.

Je bent er nu.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De trein wiegt verder, en jij blijft hier, in de warmte, in het licht, in de rust.

Het is goed zo.

Het is heel goed zo.

Het is heel goed zo.

De trein glijdt verder door de duinen, maar je hoeft het niet te zien.

Je weet dat ze er zijn, de duinen.

Je weet dat ze zacht en rond zijn, bedekt met helmgras dat beweegt in de wind.

Maar je hoeft er niet naar te kijken.

Je hoeft alleen maar te weten dat ze er zijn, net zoals je weet dat de hemel boven je licht is of dat de zee ergens dichtbij ademt.

Het is genoeg om te weten dat alles er is, zonder dat je het hoeft te zien.

Je handen liggen op je schoot, onder de deken.

Je vingers zijn ontspannen.

Ze bewegen niet.

Ze hoeven niets vast te houden.

Soms voel je de warmte van je eigen handen door de stof van de deken heen.

Het is een zachte warmte, een warmte die van jezelf komt.

Je hoeft er niets voor te doen.

Je hoeft alleen maar te zitten en te voelen hoe die warmte er is, rustig en gelijkmatig.

Buiten is er een zacht geluid.

Het is misschien de wind die langs het raam strijkt.

Het is misschien het geluid van de trein die door een kleine bocht gaat.

Het maakt niet uit wat het is.

Het is een geluid dat komt en gaat, als een ademhaling die je niet hoeft te volgen.

Het geluid is er even, en dan is het weer weg.

En in de stilte die erna komt, voel je je nog rustiger dan daarvoor.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De lucht komt je lichaam binnen en verlaat je lichaam weer.

Het is een ritme dat je niet hoeft te sturen.

Het gebeurt vanzelf, zoals de trein vanzelf rijdt.

Je hoeft alleen maar mee te gaan met dat ritme, heel langzaam, heel zacht.

Je borst gaat omhoog en weer omlaag.

Het is een beweging die je draagt, een beweging die je wiegt.

De lamp boven je geeft een warm licht.

Je voelt het op je gezicht, heel licht, als een zachte hand die je wang aanraakt.

Het licht is er altijd, maar je merkt het nu pas.

Het is een licht dat niets vraagt.

Het schijnt gewoon, zonder oordeel, zonder haast.

Het licht blijft bij je, zo lang als je wilt.

En je wilt dat het blijft.

Je wilt dat alles blijft zoals het nu is.

De trein, de deken, het licht, de stilte.

Het is allemaal precies goed.

Je benen zijn zwaar.

Je armen zijn zwaar.

Je hele lichaam voelt alsof het langzaam in de bank zakt, dieper en dieper.

De bank vangt je op.

De bank houdt je vast, zoals de trein je vasthoudt.

Je hoeft nergens naartoe.

Je hoeft niets te beslissen.

De weg buiten is er, maar die is niet voor jou.

Jouw weg is hier, in deze trein, in dit moment.

Je hoort het zachte zoemen van de wielen op de rails.

Het is een geluid dat altijd hetzelfde is, een geluid dat je kent.

Het is als een woord dat je steeds opnieuw fluistert, maar je hoeft het niet te begrijpen.

Je hoeft alleen maar te luisteren naar de toon, naar de regelmaat.

Het zoemen gaat door, en jij gaat mee.

Het zoemen wordt langzaam zachter, of misschien wordt het niet zachter, misschien luister je gewoon anders.

Het maakt niet uit.

Het is er, en jij bent er.

Je ogen zijn nog steeds dicht.

Je voelt je oogleden zwaar, maar niet onaangenaam.

Ze zijn gewoon gesloten, als deuren die dicht zijn.

Achter die deuren is er rust.

Achter die deuren is er niets dat je hoeft te zien.

Je hoeft alleen maar te voelen.

Je voelt de bank onder je, de deken over je, de lamp op je.

Je voelt de beweging van de trein, heel diep in je lijf.

Het is een beweging die je draagt, die je vasthoudt.

Je hoeft zelf niets te doen.

De trein doet het voor je.

De trein neemt je mee, naar een plek waar je al bent.

Een plek van rust, een plek van stilte.

Je bent er al.

Je bent er al heel lang.

Je bent er nu.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De trein wiegt verder, en jij blijft hier, in de warmte, in het licht, in de rust.

Het is goed zo.

Het is heel goed zo.

Het is heel goed zo.

Buiten de ramen glijdt de wereld voorbij, maar jij hoeft die wereld niet te zien.

Je weet dat de duinen daar zijn.

Je kent hun vorm, hun kleur, hun stilte.

De duinen zijn er altijd geweest, en ze zullen er altijd zijn.

Ze wachten niet op jou, maar ze zijn er wel.

Ze zijn er voor jou, op een stille manier.

De trein volgt de lijn tussen de duinen en de zee.

Soms is de zee er, soms is die er niet.

Het maakt niet uit.

Het water komt en gaat, zoals de adem komt en gaat.

Je hoort het geluid van de wielen op de rails.

Het is een geluid dat je kent.

Het is een geluid dat bij je hoort, nu, in dit moment.

Het is geen hard geluid.

Het is zacht en ver weg, alsof het onder de trein ligt, diep onder de vloer.

Het wiegt je, het draagt je, het zegt niets.

Het zegt alleen maar: je bent hier, je bent hier, je bent hier.

Je handen liggen op je schoot.

Je voelt de warmte van je eigen handen door de stof van je broek.

Je vingers zijn ontspannen.

Ze hoeven niets vast te houden.

Ze hoeven niets te doen.

Ze liggen gewoon, als bladeren die op het water drijven.

Je duimen rusten tegen elkaar.

Je voelt de zachte druk, heel licht, heel veilig.

De deken ligt nog steeds over je heen.

Hij is niet zwaar, maar hij is er wel.

Hij houdt de warmte vast, dicht bij je huid.

Je voelt de rand van de deken tegen je kin.

Die rand is zacht, zoals alles zacht is in deze trein.

De lamp boven je geeft een warm licht.

Je voelt het op je oogleden, zelfs al zijn ze gesloten.

Het is geen fel licht.

Het is een licht dat je toestaat om te rusten.

Het is een licht dat zegt: blijf maar even, er is geen haast.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De adem gaat vanzelf.

Je hoeft er niets voor te doen.

Je hoeft alleen maar te merken dat het gebeurt.

De lucht komt binnen, zacht en koel.

De lucht gaat weer weg, warm en rustig.

Het is een ritme dat ouder is dan jij.

Het is een ritme dat altijd bij je is geweest.

Je volgt het niet.

Je laat het gebeuren.

De trein maakt een bocht.

Je voelt de beweging in je lijf, heel subtiel.

Je lichaam helt een klein beetje mee, en dan weer terug.

Het is alsof de trein je wiegt, alsof de trein je zegt: ik heb je, ik heb je, ik heb je.

Je leunt achterover in de bank.

Je hoofd rust tegen de zachte bekleding.

Je nek is vrij, je schouders zijn laag.

Er is geen spanning in je lichaam.

Er is alleen maar rust.

Je denkt aan de duinen.

Je ziet ze voor je, zonder dat je je ogen opent.

Je ziet het zand, licht en droog.

Je ziet de grassen die bewegen in de wind.

De wind is er ook, maar hij stoort niet.

Hij fluistert alleen maar tussen de halmen.

Het is een geluid dat je kent, een geluid dat je geruststelt.

De duinen zijn stil, maar niet leeg.

Ze zijn gevuld met lucht, met licht, met ruimte.

Die ruimte is ook in jou.

Je hoort het zachte zoemen van de trein.

Het is een toon die altijd hetzelfde blijft.

Het is een toon die je vasthoudt, die je omringt.

Je hoeft er niet naar te luisteren.

Je hoeft het alleen maar te laten zijn.

Het is er, en jij bent er.

Jullie zijn er samen, in dit moment.

Je voelt je ogen weer zwaar worden.

Ze zijn al gesloten, maar ze worden nog zwaarder.

Het is een aangename zwaarte, een zwaarte die je dieper laat rusten.

Je oogleden zijn als zachte dekens, die je beschermen tegen alles wat je niet hoeft te zien.

Je hoeft niets te zien.

Je hoeft alleen maar te zijn.

De trein rijdt verder.

De duinen blijven naast je glijden.

Je blijft zitten, warm en stil.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Het licht blijft zacht.

De deken blijft warm.

De beweging blijft je dragen.

Je bent hier.

Je bent hier nu.

En dat is genoeg.

Dat is altijd genoeg.

De trein zoeft verder door het landschap.

De duinen zijn nu wat lager, maar ze zijn er nog steeds.

Ze lijken te slapen onder het zachte licht van de middag.

Je ademt rustig in en uit.

Je handen liggen ontspannen op je schoot.

Ze hoeven niets vast te houden.

Ze mogen gewoon rusten, zoals alles nu rust.

Buiten zie je een paar struiken met kleine gele bloemen.

Ze bewegen zachtjes in de wind.

De wind is er, maar je voelt hem niet.

Je zit binnen, veilig en warm.

Het glas van het raam is koel, maar jij bent warm.

De warmte van de deken blijft om je heen.

Het is een warmte die je kent.

Het is een warmte die je draagt.

Je hoort het zachte ritme van de wielen op de rails.

Het klinkt als een verre, vriendelijke hartslag.

Het is een geluid dat je niet stoort.

Het is een geluid dat je juist helpt om stil te worden.

Je hoeft er niets mee te doen.

Je laat het komen en gaan.

Het komt en het gaat, en jij blijft zitten.

Ergens achterin de wagon valt een boek dicht.

Het is een zacht geluid, bijna als een fluistering.

Niemand praat.

Niemand hoeft te praten.

De stilte is groot en vriendelijk.

Je maakt er deel van uit.

Je bent niet alleen in de stilte.

Je bent de stilte, op een zachte manier.

Je voelt je schouders nog iets meer ontspannen.

Het is alsof ze eindelijk mogen rusten.

Ze hebben lang genoeg gewerkt vandaag.

Nu mogen ze loslaten.

Je kaken zijn ook zacht.

Je tong ligt stil tegen je gehemelte.

Je lippen zijn licht gesloten.

Alles aan jou mag zacht zijn.

De duinen glijden weer voorbij.

Ze zijn zand, licht en lucht.

Je kijkt ernaar zonder echt te kijken.

Je ogen zijn dicht, maar je voelt de beweging.

Je voelt de ruimte buiten.

Die ruimte is groot en leeg.

Die ruimte is ook in jou.

Je ademt die ruimte in.

Je ademt hem weer uit.

De trein maakt een kleine bocht.

Je lichaam beweegt heel licht mee.

Het is geen schok.

Het is een vriendelijke wieging.

Het is alsof de trein je wiegt, zoals een deken je wiegt.

Je bent veilig in deze beweging.

Je bent veilig in dit moment.

Je hoort het zoemen weer.

Het is er altijd geweest, al die tijd.

Het is een constante vriend.

Het vraagt niets van je.

Het geeft alleen maar rust.

Je laat het zoemen door je heen gaan.

Het vult de ruimte in je hoofd.

Het maakt die ruimte leeg en stil.

Je denkt aan niets.

Je hoeft aan niets te denken.

Er zijn geen woorden nodig.

Er zijn geen beelden nodig.

Er is alleen dit zachte zijn.

Je bent hier.

De trein is hier.

De duinen zijn hier.

Alles is er samen, zonder moeite.

Je voelt je adem weer.

Hij is langzaam en gelijkmatig.

In.

En uit.

In.

En uit.

Het is een ritme dat je niet hoeft te sturen.

Het gebeurt vanzelf.

Het is goed zo.

Alles is goed zo.

De deken ligt nog steeds over je heen.

Je voelt de rand bij je kin.

Het is een zachte aanraking.

Het herinnert je eraan dat je beschermd bent.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft alleen maar te blijven zitten.

De trein brengt je verder.

Maar je hoeft nergens aan te komen.

Je bent al aangekomen.

Je bent hier, in dit rustige moment.

En dat is genoeg.

Dat is altijd genoeg.

Dat is altijd genoeg.

En dat blijft zo, terwijl de trein zachtjes verder glijdt.

Je voelt de beweging onder je, een wiegen dat je niet hoeft te volgen.

Het is er gewoon.

Het is er altijd geweest, denk je, al weet je niet precies wanneer het begon.

Het maakt niet uit.

Het begin is niet belangrijk.

Alleen dit moment telt.

En dit moment is zacht.

Buiten glijden de duinen voorbij.

Ze zijn grijs en groen in het late licht.

Soms zie je een stukje zand tussen de helmen door.

Soms zie je alleen maar de vormen, rond en kalm, als heuvels die slapen.

Je kijkt ernaar zonder echt te kijken.

Je ogen rusten op het glas.

Het glas is koel.

Je zou je hand ertegen kunnen leggen, maar je laat je handen liggen waar ze zijn.

Ze liggen op je schoot, onder de deken.

Ze zijn warm.

Ze hoeven niets vast te houden.

Er is een geluid in de trein.

Het is niet luid.

Het is een laag gezoem, heel gelijkmatig.

Het komt van de wielen, of van de wind, of van de stilte zelf.

Je weet het niet.

Je hoeft het niet te weten.

Het geluid is er, en het is vriendelijk.

Het is als een lange toon die alles bij elkaar houdt.

Je laat je adem mee bewegen met die toon.

In.

En uit.

De toon gaat door.

Jij gaat mee.

Je denkt aan de duinen die je eerder zag.

Je zag ze al een tijdje geleden, of misschien was het net.

De tijd voelt anders hier.

Hij loopt niet.

Hij drijft.

Hij drijft als licht dat door een raam komt en langzaam over de vloer trekt.

Je zit in dat licht.

Het licht is zacht.

Het maakt geen schaduwen die je storen.

Het maakt alleen warmte op je wang.

Je voelt het.

Het is er.

De deken ligt nog over je heen.

Je voelt de rand bij je kin, nog steeds.

Je hebt hem niet verplaatst.

Hij is blijven liggen, zoals jij blijft zitten.

Soms beweeg je een heel klein beetje, alleen om te voelen dat je er nog bent.

Je schouder verschuift een centimeter.

Je voet drukt even op de vloer.

Dan laat je weer los.

Alles keert terug naar rust.

Alles mag terugkeren naar rust.

Er is geen haast.

Er is geen doel dat dichterbij komt.

De trein rijdt, maar dat is niet jouw werk.

Het is het werk van de trein.

Jij hoeft alleen maar te zitten.

Je hoeft alleen maar te zijn.

En dat doe je goed.

Je doet niets verkeerd.

Er is geen goede of foute manier om hier te zitten.

Je zit.

Dat is genoeg.

Buiten wordt het licht langzaam minder.

Het is geen donker worden.

Het is een dimmen, als een lamp die iemand zachtjes lager draait.

De kleuren worden dieper.

Het groen wordt donkerder.

Het zand wordt bijna wit in de schemering.

Je kijkt ernaar.

Je kijkt ernaar zonder iets te verwachten.

De duinen vragen niets van je.

Ze laten zich zien, en dan glijden ze weer voorbij.

Er is altijd weer een nieuwe vorm.

Maar je hoeft ze niet te tellen.

Je hoeft ze niet te onthouden.

Je hoort een heel zacht geluid.

Het is misschien iemand die verderop in de trein iets verschuift.

Een tas.

Een jas.

Het geluid is klein en ver weg.

Het stoort niet.

Het hoort bij de wereld van de trein.

Het is een geluid dat komt en gaat, zoals alles komt en gaat.

Jij blijft.

Jij blijft zitten in je rust.

Je voelt je adem weer.

Hij is er altijd geweest, in dit segment, in dit moment.

In.

En uit.

Je telt niet.

Je stuurt niet.

Je voelt alleen hoe je borst lichtjes rijst en daalt.

Het is een beweging die je niet hoeft te begrijpen.

Het is een beweging die er gewoon is.

Je bent er ook.

Samen met de adem.

Samen met de deken.

Samen met de trein.

De trein maakt een bocht.

Je voelt het aan je lichaam.

Het is een heel lichte kanteling.

Je leunt mee, zonder na te denken.

Je lichaam weet wat het moet doen.

Het is een oud weten.

Het zit in je spieren, in je botten.

Je hoeft er niets voor te doen.

De bocht wordt recht.

De trein rijdt weer rechtuit.

Alles is weer zoals het was.

Maar het is niet hetzelfde.

Het is een nieuw moment, net zo rustig als het vorige.

Je kijkt naar je handen.

Ze liggen stil.

Je vingers zijn ontspannen.

Je duimen liggen naast elkaar.

Je ziet de lijnen in je handpalmen.

Je hoeft ze niet te lezen.

Ze zijn er gewoon.

Ze horen bij jou.

Je laat je blik rusten op je handen.

Het is een eenvoudig beeld.

Het is een beeld dat niets vraagt.

Je mag ernaar kijken zo lang je wilt.

Of je mag wegdrijven.

Beide is goed.

De duinen zijn nog steeds buiten.

Je weet het zonder te kijken.

Je voelt hun aanwezigheid, hun rustige massa.

Ze liggen daar al heel lang.

Ze zullen er nog lang liggen.

Jij zit hier maar even.

Maar dat even is groot.

Het is een even dat alles bevat.

Je hoeft niets te doen met dat besef.

Je laat het rusten.

Je laat het zachtjes in je zakken, als een warme steen in je handpalm.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De trein zoemt verder.

De deken ligt over je heen.

Je bent hier.

Je bent hier helemaal.

En dat is meer dan genoeg.

Dat is alles wat er is.

En het is goed.

Het is heel goed.

Je laat je ogen half sluiten.

Je laat de wereld zacht worden.

Je blijft zitten.

Je blijft.

Je blijft in de zachtheid van dat half gesloten licht.

Het raam wordt een groot, stil vlak.

De wereld erachter is er nog, maar hij is ver weg.

Hij hoeft niet dichterbij te komen.

Jij hoeft er niet naartoe.

Je voelt de bank onder je.

Hij is stevig en toch zacht.

De stof is een beetje ruw onder je vingers, maar het is een goede ruwheid.

Het is een gevoel dat er gewoon is.

Het vraagt niets van je.

Je laat je hand daar liggen.

Je laat hem rusten op de stof.

Je laat hem daar zijn.

Buiten glijden de duinen voorbij.

Soms zie je een stukje gras.

Soms een lage struik.

Soms alleen maar zand, stil en lichtgrijs in het vroege avondlicht.

Het licht wordt langzaam minder.

Het wordt niet donker.

Het wordt gewoon zachter.

Het wordt meer als een fluistering.

De lucht boven de duinen heeft een kleur die je niet hoeft te benoemen.

Hij is er.

Hij vult de ruimte.

Hij vult ook een klein stukje van jou, zonder dat je het merkt.

De trein maakt een geluid dat je bijna niet meer hoort.

Het is een geluid dat in je lichaam zit, in je borst, in je buik.

Het wiegt je mee.

Het zegt niets.

Het herhaalt alleen zichzelf, heel zacht, heel gelijkmatig.

Je ademt mee met dat ritme.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Je ademt weer in.

Het is eenvoudig.

Het is altijd eenvoudig geweest.

Er is een lampje in het plafond van de coupé.

Het geeft een warm, geel licht.

Het licht valt op de lege stoel tegenover je.

De stoel is leeg.

Dat is goed.

Het is rustig.

Je kijkt naar het licht op de stof.

Het maakt een patroon dat je niet hoeft te begrijpen.

Je laat je blik erop rusten.

Je laat het patroon daar zijn.

Het hoeft niets te betekenen.

Je denkt aan je handen.

Je hebt ze eerder gezien.

Je kunt ze weer zien als je wilt.

Je laat je blik langzaam naar beneden gaan.

Daar zijn ze.

Ze liggen in je schoot.

Ze zijn stil.

Ze zijn warm onder de deken.

Je kijkt naar de lijnen in je handpalmen.

Je hoeft ze niet te lezen.

Ze zijn er gewoon.

Ze horen bij jou.

Je laat je blik rusten op je handen.

Het is een eenvoudig beeld.

Het is een beeld dat niets vraagt.

Je mag ernaar kijken zo lang je wilt.

Of je mag wegdrijven.

Beide is goed.

De duinen zijn nog steeds buiten.

Je weet het zonder te kijken.

Je voelt hun aanwezigheid, hun rustige massa.

Ze liggen daar al heel lang.

Ze zullen er nog lang liggen.

Jij zit hier maar even.

Maar dat even is groot.

Het is een even dat alles bevat.

Je hoeft niets te doen met dat besef.

Je laat het rusten.

Je laat het zachtjes in je zakken, als een warme steen in je handpalm.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De trein zoemt verder.

De deken ligt over je heen.

Je bent hier.

Je bent hier helemaal.

En dat is meer dan genoeg.

Dat is alles wat er is.

En het is goed.

Het is heel goed.

Je laat je ogen half sluiten.

Je laat de wereld zacht worden.

Je blijft zitten.

Je blijft.

Er is een geluid van een deur ergens ver in de trein.

Het is zacht.

Het is niet voor jou.

Het komt niet dichterbij.

Het gaat weer weg.

Je laat het gaan.

Je laat alle geluiden gaan.

Ze mogen komen.

Ze mogen gaan.

Jij blijft hier, in deze stilte die beweegt.

Je voelt je schouders.

Ze zijn laag.

Ze zijn ontspannen.

Je hebt ze niet hoeven laten zakken.

Ze zijn vanzelf gaan rusten.

Je voelt je nek.

Hij is lang en stil.

Je hoofd ligt er lichtjes op.

Je hoeft het niet vast te houden.

Het mag rusten.

Alles mag rusten.

Buiten wordt het licht nog een beetje grijzer.

De duinen worden vager.

Ze worden meer een herinnering dan een beeld.

Maar ze zijn er nog.

Ze zijn altijd nog.

Je hoeft ze niet te zien om ze te voelen.

Je hoeft niets te zien.

Je hoeft alleen maar hier te zitten, met je adem, met je handen, met de deken.

Je hoeft alleen maar te zijn.

En dat ben je.

Je bent er.

Je bent er helemaal.

De trein draagt je.

De duinen wachten.

En jij laat je dragen.

Jij laat je wachten.

Jij laat alles zijn zoals het is.

En het is goed.

Het is heel goed.

En het is goed.

Het is heel goed.

De trein gaat verder door het zachte licht.

Je voelt de beweging onder je, heel zacht.

Het is geen haast.

Het is geen haast.

Het is alleen maar beweging.

De wielen maken een geluid dat je kent.

Het is een geluid dat bij je hoort.

Het is een geluid dat je niet hoeft te volgen.

Je laat het voorbijgaan.

Het komt.

Het gaat.

En jij blijft zitten.

Je kijkt naar je handen.

Ze liggen op de deken.

De deken is warm.

Je handen zijn stil.

Je hoeft ze niet te gebruiken.

Je hoeft niets vast te pakken.

Je hoeft niets los te laten.

Ze mogen gewoon liggen.

Je ziet de lijnen in je handen.

Ze zijn er.

Ze zijn altijd geweest.

Je hoeft er niets mee te doen.

Ze zijn gewoon een deel van jou.

Een deel van deze rust.

Buiten zie je een paar bomen.

Ze staan ver van elkaar.

Ze zijn donker en stil.

Ze bewegen niet.

De wind is er niet.

De wind is er niet meer.

Alles is stil.

De bomen worden kleiner.

Ze gaan langzaam voorbij.

Je hoeft ze niet vast te houden.

Je hoeft niets vast te houden.

Je laat ze gaan.

Je laat ze achter.

De trein neemt je mee.

De trein neemt je mee naar een volgende plek.

Maar je hoeft niet te weten waar dat is.

Je hoeft alleen maar hier te zijn.

En dat ben je.

Je voelt je voeten.

Ze zijn warm.

Ze rusten op de vloer.

De vloer is kalm.

Je voeten hoeven niets te doen.

Ze staan gewoon.

Ze staan er gewoon.

Je voelt je benen.

Ze zijn zwaar.

Ze zijn prettig zwaar.

Ze liggen onder de deken.

De deken is er.

De deken is overal.

Je voelt de stof tegen je huid.

Het is een zacht gevoel.

Het is een bekend gevoel.

Je hoeft er niet over na te denken.

Je hoeft er alleen maar te zijn.

Het licht buiten wordt nog zachter.

Het wordt bijna melkachtig.

De duinen zijn nu heel ver weg.

Je kunt ze niet meer zien.

Maar je voelt ze nog.

Je voelt ze in je borst.

Ze zijn er.

Ze zijn er altijd.

Je hoeft ze niet te zien.

Je hoeft alleen maar te weten dat ze er zijn.

En dat weet je.

Je weet het zonder woorden.

Je weet het zonder denken.

Het is gewoon zo.

Je adem gaat langzaam.

Je adem gaat vanzelf.

Hij komt binnen.

Hij gaat naar buiten.

Hij komt binnen.

Hij gaat naar buiten.

Je hoeft hem niet te sturen.

Je hoeft hem niet te volgen.

Hij is er.

Hij is er altijd.

Je adem is als de duinen.

Hij is er altijd.

Hij is er altijd geweest.

Hij zal er altijd zijn.

En jij mag rusten in die adem.

Jij mag rusten in dat ritme.

Het ritme van de trein.

Het ritme van jezelf.

Je ogen zijn half gesloten.

Je hoeft ze niet open te houden.

Je hoeft ze niet dicht te doen.

Ze mogen gewoon zijn.

Ze mogen rusten.

Je ziet nog een beetje licht.

Je ziet nog een beetje vorm.

Het is genoeg.

Het is meer dan genoeg.

Je hoeft niets meer te zien.

Je hoeft alleen maar te voelen.

Je voelt de deken.

Je voelt de bank.

Je voelt de warmte.

Je voelt de stilte.

De stilte is overal.

De stilte is in jou.

De stilte is jou.

En jij bent de stilte.

Je bent er.

Je bent er helemaal.

De trein draagt je.

De duinen wachten.

En jij laat je dragen.

Jij laat je wachten.

Jij laat alles zijn zoals het is.

En het is goed.

Het is heel goed.

Het is heel goed.

En het mag zo blijven.

Het mag zo blijven zolang je wilt.

De trein glijdt verder door het zachte licht van de middag.

Buiten bewegen de duinen langzaam voorbij, alsof ze zelf ook ademen.

Je ziet ze niet echt meer.

Je voelt ze alleen nog, als een herinnering aan iets warms en zachts.

De duinen zijn er.

De duinen zijn altijd al geweest.

En jij zit hier, in je eigen kleine ruimte, en je laat het allemaal gebeuren.

Er is een geluid.

Heel klein.

Het is het geluid van de wielen op de rails.

Het is een ritme dat je kent.

Het is een ritme dat je niet hoeft te volgen.

Het is er gewoon.

Het is als de regen die ooit op het raam viel, of de wind die door het gras ging.

Het is een geluid dat geen vragen stelt.

Het is een geluid dat alleen maar zegt: je bent hier.

Je bent hier en dat is genoeg.

Je hand ligt op je schoot.

Je vingers zijn ontspannen.

Je voelt de stof van je broek, zacht en gewoon.

Je hoeft niets vast te houden.

Je hoeft niets te doen.

Je hand mag rusten.

Je arm mag rusten.

Je schouders zijn laag.

Je nek is vrij.

Er is geen spanning.

Er is alleen maar ruimte.

Ruimte in je schouders.

Ruimte in je borst.

Ruimte in je buik.

Alles mag zacht zijn.

Alles mag los zijn.

Buiten wordt het licht iets grijzer.

Misschien is er een wolk.

Misschien is het de schaduw van een vogel.

Je weet het niet.

Je hoeft het niet te weten.

Het licht mag veranderen.

Het licht mag komen en gaan.

Jij blijft hier, in deze warme stilte.

De deken ligt nog steeds over je heen.

Je voelt het gewicht ervan, precies goed.

Het is niet te zwaar.

Het is niet te licht.

Het is precies zoals het moet zijn.

De deken houdt je vast.

De deken fluistert niets.

De deken is er alleen maar.

Je adem gaat langzaam.

In.

En uit.

In.

En uit.

Je hoeft er niets aan te doen.

Je adem doet het zelf.

Het is altijd zo geweest.

Het zal altijd zo zijn.

Je adem is als de duinen, zei je eerder.

En dat is waar.

Hij is er.

Hij is er altijd.

Hij is er nu ook.

Je voelt het in je buik.

Een zachte beweging.

Een zacht ritme.

Het is het ritme van de trein.

Het is het ritme van jezelf.

Ze zijn hetzelfde.

Ze zijn altijd hetzelfde geweest.

Er is een klein geluid verderop in de trein.

Iemand beweegt.

Iemand verschuift iets.

Het is niet belangrijk.

Het is geen storing.

Het is gewoon leven.

Het is gewoon het zachte geluid van mensen die ook reizen.

Mensen die ook rusten.

Mensen die ook hun ogen half gesloten hebben.

Je hoeft niet naar hen te kijken.

Je hoeft niet aan hen te denken.

Ze zijn er.

Jij bent er.

Iedereen is er.

En dat is goed.

Je voelt de bank onder je.

Stevig en zacht tegelijk.

De bank draagt je.

De trein draagt je.

De duinen dragen je, ook al zijn ze buiten.

Alles draagt je.

Alles is er voor jou, zonder iets te vragen.

Je hoeft alleen maar te zitten.

Je hoeft alleen maar te zijn.

En dat doe je.

Je bent er.

Je bent er helemaal.

Je bent er met je handen.

Je bent er met je voeten.

Je bent er met je adem.

Alles is op zijn plek.

Je ogen zijn nog steeds half gesloten.

Je ziet een beetje licht door je wimpers.

Het is zacht.

Het is warm.

Het is als het licht van een late namiddag die geen haast heeft.

Je laat het licht binnen.

Je laat het licht rusten op je gezicht.

Je gezicht is ontspannen.

Je mond is zacht.

Je kaken zijn los.

Er is geen reden om te spannen.

Er is geen reden om iets vast te houden.

Alles mag vloeien.

Alles mag stromen.

Je bent als het water dat langs de duinen gaat, langzaam en zonder doel.

Het water is er.

Het water stroomt.

Jij bent er.

Jij rust.

De trein vertraagt een beetje.

Heel even.

Het is geen stop.

Het is alleen een zachte vertraging, alsof de trein zelf even ademhaalt.

Je voelt het in je lichaam.

Een kleine beweging.

Een kleine verschuiving.

En dan gaat de trein weer verder.

Het ritme komt terug.

Het ritme is er altijd.

Het ritme wacht op je.

Het ritme neemt je mee.

En jij laat je meenemen.

Je laat je dragen door de wielen, door de rails, door de duinen, door de stilte.

De stilte is overal.

De stilte is in jou.

En jij bent de stilte.

Je bent er.

Je bent er helemaal.

De trein draagt je.

De duinen wachten.

En jij laat je dragen.

Jij laat je wachten.

Jij laat alles zijn zoals het is.

En het is goed.

Het is heel goed.

En het is goed dat de trein verder gaat.

Het is goed dat het ritme terugkomt.

Je voelt de beweging weer onder je, zacht en gelijkmatig.

Het is een bekend gevoel nu.

Het is een gevoel dat je kent.

Het is een gevoel dat je mag vertrouwen.

Buiten worden de duinen lager.

Ze worden ronder.

Ze lijken te ademen met de dag.

Het licht is nog steeds zacht.

Het is geen fel licht.

Het is een licht dat door de wolken komt, alsof het door een dunne doek valt.

Het maakt alles wat je ziet een beetje wazig.

Een beetje zacht.

Een beetje veilig.

Je kijkt naar de lucht.

De lucht is grijs en wit.

Er is geen blauw te zien.

Maar dat is niet erg.

De lucht hoeft niet blauw te zijn.

De lucht mag zijn zoals hij is.

En jij mag zijn zoals jij bent.

Er is niets dat je moet zijn.

Er is niets dat je moet doen.

Je zit hier.

Je kijkt naar buiten.

En dat is genoeg.

Een klein dorpje komt voorbij.

Je ziet een paar huizen.

Je ziet een kerktoren.

Je ziet een klein stationnetje.

Het stationnetje is leeg.

Er staat niemand op het perron.

Er is alleen een bankje.

En een klein bord met de naam van het dorp.

Je leest de naam niet.

Je hoeft de naam niet te weten.

Het dorp is er.

Het dorp is rustig.

En jij bent rustig.

Alles is rustig samen.

De trein maakt een zachte bocht.

Je lichaam beweegt een klein beetje mee.

Het is geen schok.

Het is geen beweging die je stoort.

Het is een beweging die je mag voelen.

Je voelt je schouders.

Je voelt je handen.

Je voelt je benen.

Alles is ontspannen.

Alles mag los zijn.

Je adem gaat langzaam.

In.

En uit.

In.

En uit.

Je adem is als de trein.

Het gaat vanzelf.

Het hoeft niet geholpen te worden.

Het is er gewoon.

De duinen komen weer dichterbij.

Ze zijn hoger nu.

Ze zijn bedekt met helmgras.

Het gras beweegt een beetje in de wind.

Je ziet het bewegen.

Je ziet het buigen.

Het gras buigt mee met de wind.

Het gras verzet zich niet.

Het gras weet dat de wind komt en gaat.

Het gras staat weer recht als de wind stopt.

En jij mag ook buigen.

Jij mag meegeven met wat er komt.

Jij mag weer rechtstaan als het voorbij is.

Je bent sterk genoeg om zacht te zijn.

Het licht wordt nog een beetje zachter.

De middag wordt langzaam namiddag.

De uren gaan voorbij zonder haast.

De trein gaat verder.

De wielen maken hun geluid.

Het is een geluid dat je kent.

Het is een geluid dat je mag vergeten.

Je hoeft er niet naar te luisteren.

Je hoeft alleen maar te zitten.

Je hoeft alleen maar te zijn.

Je hand ligt op je been.

Je voelt de stof van je broek.

Het is een zacht gevoel.

Het is een gewoon gevoel.

Het is een gevoel dat er altijd is.

Je vingers bewegen een klein beetje.

Niet omdat het moet.

Gewoon omdat ze mogen.

Alles mag bewegen zoals het wil.

Alles mag stil zijn zoals het wil.

Er is geen plan.

Er is geen doel.

Er is alleen dit moment.

En dit moment is zacht.

De duinen zijn nu heel dichtbij.

Je zou ze kunnen aanraken als het raam open was.

Maar het raam is dicht.

En dat is goed.

Je hoeft niets aan te raken.

Je hoeft niets te doen.

Je kijkt alleen.

Je ziet het zand.

Je ziet de lijnen in het zand.

Kleine lijnen gemaakt door de wind.

De wind maakt zijn eigen tekeningen.

De wind heeft geen haast.

De wind doet wat hij doet.

En jij doet wat jij doet.

Jij zit.

Jij rust.

Jij laat de wereld voorbijgaan.

De trein wordt weer een beetje langzamer.

Het is geen stop.

Het is weer een zachte vertraging.

Je voelt het in je buik.

Een klein gevoel van zweven.

En dan gaat de trein weer verder.

Het ritme komt terug.

Het ritme is er altijd.

Het ritme neemt je mee.

En jij laat je meenemen.

Je laat je dragen door de wielen.

Door de rails.

Door de duinen.

Door de stilte.

De stilte is overal.

De stilte is in jou.

En jij bent de stilte.

Je bent er.

Je bent er helemaal.

De trein draagt je.

De duinen wachten.

En jij laat je dragen.

Jij laat je wachten.

Jij laat alles zijn zoals het is.

En het is goed.

Het is heel goed.

Het is heel goed.

En het wordt stiller.

De trein wordt langzamer.

Niet omdat er iets is.

Gewoon omdat het tijd is.

Tijd om zachter te worden.

Tijd om dichter bij de rust te komen.

Je kijkt door het raam.

De duinen worden breder.

De lucht wordt lichter.

De kleuren worden zachter.

Het blauw wordt bleker.

Het groen wordt grijzer.

Alles wordt een beetje vager.

Alsof de wereld langzaam in een droom glijdt.

En jij glijdt mee.

Je voelt je ogen zwaarder worden.

Niet op een vervelende manier.

Gewoon zwaar op een warme manier.

Alsof je ogen willen rusten.

Alsof ze genoeg hebben gezien.

En dat is oké.

Je hebt genoeg gezien vandaag.

De duinen.

De lucht.

Het licht.

De lijnen in het zand.

Het is genoeg.

Het is meer dan genoeg.

Je adem wordt langzamer.

Je merkt het niet eens.

Het gebeurt vanzelf.

Je adem wordt dieper.

Je schouders worden lager.

Je handen worden warmer.

Je vingers liggen stil op je schoot.

Ze hoeven niets vast te houden.

Ze hoeven niets te doen.

Ze mogen gewoon rusten.

De trein maakt een zacht geluid.

Het klinkt als ver weg.

Het klinkt als een wiegelied.

De wielen draaien.

De wielen draaien.

En jij draait mee.

Heel langzaam.

Heel zacht.

Je bent niet meer op weg naar iets.

Je bent gewoon onderweg.

En dat is genoeg.

Het licht buiten wordt nog zachter.

De zon staat laag.

Je ziet de schaduwen van de duinen.

Lange schaduwen.

Stille schaduwen.

Ze liggen op het zand alsof ze slapen.

En jij slaapt bijna ook.

Niet helemaal.

Je bent er nog.

Maar je bent er minder.

Je bent er op een andere manier.

Een zachtere manier.

Een stillere manier.

Je hoofd voelt licht.

Je gedachten worden dunner.

Ze worden minder.

Ze worden als kleine wolken die langzaam oplossen.

Er is geen haast.

Er is geen haast om te denken.

Er is geen haast om te voelen.

Alles mag er zijn.

En alles mag ook weggaan.

De trein rijdt door een bocht.

Een hele zachte bocht.

Je lichaam beweegt een klein beetje mee.

Eerst naar links.

Dan naar rechts.

Alsof de trein je wiegt.

Alsof de trein voor je zorgt.

En dat doet hij.

De trein zorgt voor jou.

De rails zorgen voor jou.

De duinen zorgen voor jou.

De stilte zorgt voor jou.

Je hoort een zacht geluid.

Het is de wind.

Of is het de trein?

Je weet het niet.

Het maakt niet uit.

Het is een zacht geluid.

Het is een geruststellend geluid.

Het klinkt als een lange adem.

Het klinkt als een zucht.

Een tevreden zucht.

Een zucht die zegt: alles is goed.

Je ogen zijn bijna dicht.

Je ziet nog een beetje licht.

Een beetje grijs.

Een beetje zacht.

Je ziet de vormen van de duinen.

Ze worden wazig.

Ze worden als golven.

Zachte golven van zand.

Ze komen dichterbij.

Ze gaan weer weg.

Ze komen dichterbij.

Ze gaan weer weg.

Je adem is heel rustig nu.

Je voelt je buik op en neer gaan.

Langzaam.

Heel langzaam.

Je voelt je hart kloppen.

Niet hard.

Niet snel.

Gewoon zacht.

Gewoon rustig.

Het klopt als een klein ritme.

Een ritme dat bij jou hoort.

Een ritme dat altijd bij jou is.

De trein wordt nog langzamer.

Je voelt het bijna niet meer.

Je voelt alleen nog het wiegen.

Het zachte wiegen.

Het is alsof je in een grote hand ligt.

Een warme hand.

Een veilige hand.

De hand van de trein.

De hand van de duinen.

De hand van de stilte.

Je laat alles los.

Je laat de dag los.

Je laat de duinen los.

Je laat het licht los.

Je laat het geluid los.

Je laat het denken los.

Je laat het weten los.

Je hoeft niets meer te weten.

Je hoeft niets meer te zien.

Je hoeft niets meer te doen.

Je bent er nog.

Maar je bent er heel zacht.

Je bent er heel klein.

Je bent er heel dicht bij jezelf.

En dat is precies goed.

Dat is precies waar je moet zijn.

Hier in deze trein.

Tussen de duinen.

In dit zachte licht.

In deze stille ruimte.

De trein rijdt verder.

Of stopt hij?

Je weet het niet.

Het maakt niet uit.

De beweging is er nog.

De zachte beweging.

De beweging van het leven.

De beweging van de rust.

Je laat je meenemen.

Je laat je dragen.

Je laat je wiegen.

En je wordt stiller.

En stiller.

En stiller.

De duinen worden donkerder.

De lucht wordt zachter.

De wereld wordt kleiner.

En jij wordt kleiner ook.

Niet op een verdrietige manier.

Op een warme manier.

Je wordt klein en licht.

Je wordt als een veertje.

Een veertje dat op de wind ligt.

Een veertje dat rust.

Je hoort nog één geluid.

Het is het geluid van de stilte.

Het is het geluid van de ruimte.

Het is het geluid van de duinen die ademen.

En jij ademt mee.

Je ademt met de duinen.

Je ademt met de trein.

Je ademt met de avond.

Je ademt.

En dan wordt alles heel zacht.

Je ogen zijn dicht.

Je handen zijn stil.

Je benen zijn zwaar.

Je hoofd is licht.

Je bent hier.

En je bent ook niet hier.

Je bent in een zachte plek.

Een plek zonder woorden.

Een plek zonder tijd.

Een plek waar alleen rust is.

De trein wiegt je verder.

De duinen wachten.

De nacht komt dichterbij.

En jij laat de nacht komen.

Jij laat alles komen.

Jij laat alles zijn.

En je slaapt bijna.

Je slaapt bijna helemaal.

En dat is goed.

Dat is heel goed.

0:00
Aanpassen

Tekst

Modus

Audio

Pauze