Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Een huisje aan de rand van de Veluwe in de regen

Het is al laat geworden.

Je bent thuis.

De deur valt zacht achter je dicht.

Buiten ruist de regen.

Binnen is het stil.

Je blijft even staan.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De kamer is warm.

Er hangt een zachte geur van hout en linnen.

Je jas druipt een beetje.

Je hangt hem aan de haak.

Het water valt in kleine druppels op de mat.

Tik.

Tik.

Tik.

Je loopt langzaam naar binnen.

Je voeten zijn moe.

Dat mag.

Je mag nu langzaam zijn.

De vloer kraakt zacht onder je stappen.

Niet hard.

Alleen een klein geluid.

Alsof het huis je zachtjes groet.

De regen blijft vallen.

Tegen het raam.

Tegen het dak.

Een rustig geluid.

Steeds hetzelfde.

Steeds weer anders.

Je luistert even.

Je hoeft niets te doen.

In de kamer brandt een klein licht.

Een schemerlamp bij de bank.

Het licht is warm.

Geel en zacht.

Het raakt de muur.

Het raakt de tafel.

Het raakt jouw handen.

Je gaat zitten.

De bank is zacht.

Je laat je schouders zakken.

Je ademt nog een keer.

Diep en rustig.

De lucht komt vanzelf.

Je hoeft hem niet te sturen.

Buiten is het donker.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan stil in de regen.

Je ziet ze bijna niet.

Alleen hun vorm.

Zwart en rustig.

Ze bewegen een beetje in de wind.

Heel langzaam.

De regen tikt op het glas.

Soms zacht.

Soms iets harder.

Dan weer zacht.

Het klinkt als een liedje zonder woorden.

Je hoeft het niet te kennen.

Je hoeft alleen te luisteren.

Je kijkt naar het raam.

Kleine druppels lopen naar beneden.

Ze glinsteren in het licht.

Ze gaan langzaam.

Ze hebben geen haast.

Jij ook niet.

Je ademt in.

De kamer is stil.

Je ademt uit.

De regen blijft.

Misschien trek je je schoenen uit.

Dat is fijn.

Je voeten komen vrij.

De vloer is koel.

Maar niet koud.

Gewoon koel.

Je wiebelt even met je tenen.

Dan laat je ze stil.

Je handen liggen op je benen.

Ze zijn rustig.

Je voelt de stof van je broek.

Zacht.

Je voelt de warmte van je eigen huid.

Je bent hier.

Je bent thuis.

Het licht van de lamp is klein.

Maar het is genoeg.

Het hoeft niet meer te zijn.

Het raakt de rand van de tafel.

Het raakt de leuning van de stoel.

Het raakt een boek dat daar ligt.

Je hoeft niet te lezen.

Je mag gewoon kijken.

Buiten ruist de regen door.

Tegen het dak.

Tegen de bladeren.

Tegen de grond.

De aarde drinkt het water.

De bomen staan stil.

De lucht is vol.

En toch is het rustig.

Je ademt weer.

In.

En uit.

Je voelt je adem in je buik.

Je voelt je adem in je borst.

Het gaat vanzelf.

Het gaat altijd vanzelf.

De kamer is warm.

De deken ligt naast je.

Hij is zacht.

Grijs of blauw.

Dat maakt niet uit.

Je pakt hem misschien.

Je legt hem over je benen.

De warmte komt langzaam.

Ze kruipt omhoog.

Naar je knieën.

Naar je heupen.

Naar je buik.

Je hoofd wordt zwaar.

Op een fijne manier.

Alsof het even mag rusten.

Je laat het zakken.

Tegen de leuning.

Tegen een kussen.

Het maakt niet uit.

Het is goed.

De regen blijft.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de wereld daarbuiten.

En jij bent hier.

Binnen.

Veilig.

Warm.

Je ogen zijn misschien moe.

Dat mag.

Je mag ze sluiten.

Even maar.

Of langer.

De kamer blijft.

De regen blijft.

Het licht blijft zacht.

Je ademt in.

De lucht is rustig.

Je ademt uit.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent thuis.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de stilte.

De tijd gaat langzaam.

Dat is goed.

De klok tikt niet hard.

De wereld wacht.

De bomen wachten.

De regen valt.

En jij mag gewoon zijn.

Hier.

Nu.

Zacht en warm.

Je voelt je voeten.

Je voelt je benen.

Je voelt de deken.

Je voelt de bank.

Je voelt de kamer om je heen.

Alles is dichtbij.

Alles is rustig.

Nog een keer adem je in.

Nog een keer adem je uit.

De regen tikt.

Het licht gloeit.

De kamer is warm.

En jij bent thuis.

De bank is zacht onder je.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is licht.

Hij beweegt niet.

Jij hoeft ook niet te bewegen.

Buiten valt de regen nog steeds.

Zacht.

Regelmatig.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de bladeren van de bomen.

De bomen staan stil.

Ze laten de regen gewoon komen.

Ze laten de regen gewoon gaan.

Het licht in de kamer is zacht.

Het komt van een lamp.

Een kleine lamp.

Hij brandt rustig.

Hij knippert niet.

Hij vraagt niets.

Hij is er gewoon.

Net als jij.

Misschien hoor je de regen op het glas.

Misschien hoor je de regen op het dak.

Misschien hoor je allebei.

Dat is goed.

Je hoeft niets te kiezen.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Of niet.

Ook dat mag.

De kamer is stil.

De kamer is warm.

De kamer blijft.

Jij blijft ook.

Even.

Of langer.

De tijd gaat langzaam.

Dat is goed.

De tijd mag langzaam gaan.

Je ademt in.

De lucht is koel.

Je ademt uit.

De lucht is warm.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Rustig.

Zacht.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent hier.

Dat is genoeg.

Buiten is het bos.

De bomen zijn hoog.

De dennen ruiken naar regen.

De grond is zacht.

De bladeren zijn nat.

Er loopt misschien een dier.

Een hert.

Een konijn.

Het loopt langzaam.

Het kijkt niet naar jou.

Het is gewoon daar.

Net als jij.

De regen valt op de heide.

De heide is paars in de zomer.

Nu is het stil.

Nu is het nat.

De regen maakt alles zacht.

De regen maakt alles stil.

In de kamer is het licht.

De lamp gloeit.

De deken ligt.

De bank is zacht.

Jij bent hier.

Binnen.

Veilig.

Warm.

Je ogen zijn misschien moe.

Dat mag.

Je mag ze sluiten.

Even maar.

Of langer.

De kamer blijft.

De regen blijft.

Het licht blijft zacht.

Je voelt je voeten.

Ze zijn warm.

Je voelt je benen.

Ze zijn zwaar.

Op een fijne manier.

Je voelt de deken.

Hij ligt over je heen.

Je voelt de bank.

Hij draagt je.

Je voelt de kamer om je heen.

Alles is dichtbij.

Alles is rustig.

Nog een keer adem je in.

Nog een keer adem je uit.

De regen tikt.

Het licht gloeit.

De kamer is warm.

En jij bent thuis.

De regen blijft vallen.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de wereld daarbuiten.

En jij bent hier.

Binnen.

Veilig.

Warm.

De klok tikt niet hard.

De wereld wacht.

De bomen wachten.

De regen valt.

En jij mag gewoon zijn.

Hier.

Nu.

Zacht en warm.

Misschien denk je aan niets.

Dat is goed.

Misschien denk je aan iets kleins.

Een beeld.

Een geur.

Een geluid.

Dat is ook goed.

Je hoeft het niet vast te houden.

Het mag komen.

Het mag gaan.

Net als de regen.

De lamp blijft branden.

De deken blijft liggen.

De bank blijft zacht.

Jij blijft hier.

Even.

Of langer.

De tijd gaat langzaam.

Dat is goed.

Je ademt in.

De lucht is rustig.

Je ademt uit.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent thuis.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de stilte.

De regen tikt.

Het licht gloeit.

De kamer is warm.

En jij bent thuis.

De regen tikt nog steeds.

Zacht en gelijkmatig.

Als een liedje dat je niet hoeft te kennen.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Buiten is het grijs.

Zacht grijs.

Het licht komt door de ramen zonder haast.

Het valt op de vloer.

Op de tafel.

Op je handen.

Alles is zacht.

Alles is rustig.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij ruikt een beetje naar thuis.

Naar wasmiddel.

Naar rust.

Je kijkt naar buiten.

De bomen staan stil.

De takken bewegen een beetje.

Heel langzaam.

De bladeren zijn nat.

Ze glinsteren in het licht.

Het is mooi.

Gewoon mooi.

Je hoeft er niets van te vinden.

Ergens in de verte klinkt een vogel.

Een klein geluid.

Dan weer stilte.

De regen neemt het over.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de bladeren.

Je ademt in.

De lucht is koel en schoon.

Je ademt uit.

Je schouders zakken een beetje.

Dat is goed.

Je hoeft niets vast te houden.

De bank is zacht onder je.

De kussens zijn zacht.

Je zit hier.

Je ligt hier.

Het maakt niet uit.

Je bent hier.

Dat is genoeg.

Misschien denk je aan de ochtend.

Aan een kopje thee.

Aan de stoom die langzaam omhoog gaat.

Aan de warmte in je handen.

Dat beeld mag er zijn.

Even.

Dan mag het weer gaan.

Misschien denk je aan niets.

Aan de regen.

Aan het licht.

Aan de stilte.

Dat is ook goed.

Niets doen is ook iets.

De lamp brandt nog.

Hij geeft een zacht geel licht.

Het licht raakt de muur.

De muur is warm van kleur.

De kamer is klein.

De kamer is veilig.

De kamer is van jou.

Buiten waait de wind een beetje.

De regen valt schuin.

Het tikken verandert.

Even sneller.

Dan weer rustig.

Net als je adem.

Net als je gedachten.

Je hoeft niet op te staan.

Je hoeft niets te pakken.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag hier blijven.

Op de bank.

Onder de deken.

In het licht.

De tijd gaat langzaam.

De klok tikt niet hard.

De wereld daarbuiten wacht.

De bomen wachten.

De regen valt.

En jij bent hier.

Binnen.

Veilig.

Warm.

Je handen liggen stil.

Je voeten zijn warm.

Je adem gaat zacht.

In.

En uit.

In.

En uit.

De regen tikt op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een ritme.

Een zacht ritme.

Je hoeft het niet te tellen.

Je hoeft het alleen maar te horen.

Misschien komt er een geur voorbij.

Natte aarde.

Natte bladeren.

Een beetje hout.

Van de open haard die niet brandt.

Maar die geur is er toch.

In je hoofd.

In de kamer.

Het is een rustige geur.

Je hoeft niet te weten waarom.

Je hoeft niet te vragen wat het is.

Het is er.

Dat is genoeg.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij blijft liggen.

Jij blijft hier.

Even.

Of langer.

De lamp blijft branden.

Het licht blijft zacht.

De kamer blijft warm.

De regen blijft vallen.

Tik.

Tik.

Tik.

Je bent thuis.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de stilte.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

Je ademt in.

De lucht is rustig.

Je ademt uit.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent hier.

En dat is goed.

Je bent hier.

En dat is goed.

De regen blijft tikken.

Zacht.

Regelmatig.

Soms iets zachter.

Dan weer iets duidelijker.

Alsof de regen even ademt.

Alsof de regen ook rust.

Je hoeft niet te luisteren.

Je mag gewoon horen.

Het geluid is er.

Het blijft.

Het gaat niet weg.

Het is een vriendelijk geluid.

Buiten is het donker.

Niet heel donker.

Een zachte schemer.

De bomen staan stil.

De bladeren hangen vol water.

Af en toe valt er een druppel.

Traag.

Naar beneden.

Op de grond.

Op een blad.

Op het dak.

Je hoort het niet altijd.

Maar je weet dat het gebeurt.

De druppel valt.

De druppel landt.

Alles gaat langzaam.

Alles gaat zacht.

De deken ligt nog over je benen.

Hij is niet zwaar.

Hij is niet licht.

Hij is precies goed.

Je voelt de warmte.

Langzaam.

Van je voeten.

Naar je knieën.

Naar je buik.

De warmte blijft.

De warmte groeit niet.

De warmte gaat niet weg.

De lamp brandt nog.

Het licht is geel.

Zacht geel.

Het licht raakt de muur.

Het licht raakt de tafel.

Het licht raakt jou.

Niet fel.

Niet scherp.

Gewoon zacht.

Misschien staat er een kopje op tafel.

Met thee.

Lauw geworden.

Je hoeft het niet te drinken.

Je hoeft het niet weg te zetten.

Het staat er.

Dat is genoeg.

Misschien ligt er een boek.

Open.

Of dicht.

Je hoeft niet te lezen.

Je hoeft niet te weten waar je gebleven was.

Het boek blijft liggen.

De bladzijden blijven stil.

De kamer is stil.

De regen is er.

De lamp is er.

De deken is er.

Jij bent er.

Je ademt in.

De lucht is koel.

Niet koud.

Koel.

Je ademt uit.

De lucht is warm.

Niet heet.

Warm.

Je ademt weer in.

Je ademt weer uit.

Het gaat vanzelf.

Het hoeft niet anders.

Soms knippert het licht.

Heel even.

Dan is het weer rustig.

Je hoeft niet te kijken.

Je hoeft niet te controleren.

Het licht blijft.

Het licht is betrouwbaar.

Buiten beweegt er iets.

Een tak.

Een blad.

De wind is zacht.

De wind duwt niet.

De wind streelt.

De wind gaat door de bomen.

Langzaam.

Voorzichtig.

Je hoort de regen op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms een tik iets harder.

Soms een tik iets zachter.

Het ritme blijft.

Het ritme gaat nooit weg.

Je hoeft het niet te tellen.

Je hoeft het niet te volgen.

Het is er gewoon.

De geur van natte aarde komt weer terug.

Of misschien was hij er altijd al.

Natte bladeren.

Een beetje hout.

De open haard brandt niet.

Maar de geur is er.

In je hoofd.

In de kamer.

Het is een rustige geur.

Een veilige geur.

Je hoeft niet te weten waarom.

Je hoeft niet te vragen wat het is.

Het is er.

Dat is genoeg.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij blijft liggen.

Jij blijft hier.

Even.

Of langer.

De lamp blijft branden.

Het licht blijft zacht.

De kamer blijft warm.

De regen blijft vallen.

Tik.

Tik.

Tik.

Je bent thuis.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de stilte.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

Je ademt in.

De lucht is rustig.

Je ademt uit.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent hier.

En dat is goed.

De tijd gaat langzaam.

Dat is fijn.

De tijd hoeft niet snel.

De tijd mag langzaam.

De klok tikt niet.

Of je hoort hem niet.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

Misschien valt je hoofd een beetje naar voren.

Misschien zak je iets onderuit.

Dat is goed.

Je hoeft niet rechtop te blijven.

Je hoeft niet wakker te blijven.

Je mag zakken.

Je mag rusten.

Je mag blijven.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een liedje zonder woorden.

Een liedje dat je kent.

Een liedje dat blijft.

Je bent hier.

Aan de rand van de Veluwe.

In een huisje.

In de regen.

In het licht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

De regen blijft tikken op het dak.

Tik.

Tik.

Tik.

Zacht en gelijkmatig.

Je hoort het zonder te luisteren.

Het is er gewoon.

Zoals je adem.

Zoals het licht.

Buiten is het groen.

Diep groen van de bomen.

Zacht groen van het mos.

De regen maakt alles stiller.

De kleuren worden dieper.

De wereld wordt kleiner.

Alleen dit huisje.

Alleen deze kamer.

Alleen jij.

Je ligt onder de deken.

De deken is warm.

De deken is zacht.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Precies goed.

Je voelt de stof tegen je huid.

Je voelt de warmte om je heen.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

Misschien beweegt je hand een beetje.

Misschien niet.

Dat maakt niet uit.

Je hand mag rusten.

Je arm mag rusten.

Je hele lichaam mag rusten.

Alles mag zwaar worden.

Alles mag zacht worden.

Alles mag zakken in de deken.

De regen tikt door.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms waait er een zuchtje wind langs het raam.

Dan hoor je de regen even anders.

Dan hoor je de bladeren ruisen.

Dan is het weer stil.

En dan tikt de regen weer verder.

Tik.

Tik.

Tik.

Je ademt in.

De lucht is koel en rustig.

Je ademt uit.

De lucht is warm en zacht.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Er is geen haast.

Er is geen tijd.

Alleen je adem.

Alleen de regen.

Alleen het licht dat langzaam verschuift.

Het licht is nu iets zachter.

Iets grijzer.

De middag wordt avond.

Maar heel langzaam.

Zo langzaam dat je het bijna niet merkt.

De kamer wordt een beetje donkerder.

De hoeken worden zachter.

De schaduwen worden dieper.

Alles wordt stiller.

Misschien denk je aan niets.

Dat is goed.

Misschien denk je aan iets kleins.

Aan de geur van natte bladeren.

Aan de warmte van de deken.

Aan het geluid van de regen.

Dat is ook goed.

Je gedachten mogen komen en gaan.

Ze mogen langskomen.

Ze mogen weer weggaan.

Je hoeft ze niet vast te houden.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een liedje zonder woorden.

Een liedje dat je kent.

Een liedje dat blijft.

Het zingt over rust.

Het zingt over stilte.

Het zingt over niets hoeven.

Je bent hier.

Aan de rand van de Veluwe.

In een huisje.

In de regen.

In het licht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

Je voelt je voeten.

Ze zijn warm onder de deken.

Je voelt je benen.

Ze zijn zwaar en ontspannen.

Je voelt je rug.

Hij rust op het bed.

Je voelt je schouders.

Ze zakken een beetje naar beneden.

Je voelt je gezicht.

Het is zacht.

Je kaken zijn los.

Je voorhoofd is glad.

Alles is rustig.

De regen tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms hoor je een druppel vallen van het dak.

Dan hoor je een klein geluid.

Dan is het weer stil.

En dan tikt de regen weer verder.

Tik.

Tik.

Tik.

Je hoeft niet te weten hoe laat het is.

Je hoeft niet te weten wat er komt.

Je hoeft alleen maar hier te zijn.

In deze kamer.

In deze deken.

In deze stilte.

Dat is genoeg.

Dat is alles.

Misschien sluit je je ogen.

Misschien niet.

Dat maakt niet uit.

Je ogen mogen rusten.

Je ogen mogen zacht zijn.

Je mag kijken naar het licht op de muur.

Je mag kijken naar de regen op het raam.

Je mag ook gewoon niets kijken.

Alles mag.

De tijd gaat langzaam.

Dat is fijn.

De tijd hoeft niet snel.

De tijd mag langzaam.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

De tijd tikt niet.

Of je hoort hem niet.

Dat maakt niet uit.

Je bent hier.

Aan de rand van de Veluwe.

In een huisje.

In de regen.

In het licht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

En jij blijft liggen.

Warm.

Veilig.

Rustig.

Alles mag zo blijven.

Alles mag zo blijven.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

En jij blijft liggen.

Warm.

Veilig.

Rustig.

Buiten is het grijs.

Zacht grijs.

Het licht komt door het raam.

Het is geen fel licht.

Het is een zacht licht.

Het raakt de muur.

Het raakt de deken.

Het raakt jou.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

In deze kamer.

In deze deken.

In deze stilte.

De regen tikt op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms zacht.

Soms iets zachter.

Maar altijd rustig.

Altijd hetzelfde.

Het is een geluid dat je kent.

Het is een geluid dat blijft.

Misschien denk je aan het huisje.

Aan de rand van de Veluwe.

Aan de bomen.

Aan de heide.

Aan de lucht.

Alles is daar.

Alles is rustig.

Alles mag daar zijn.

De bomen staan stil.

De heide ligt stil.

De lucht hangt stil.

En jij bent hier.

In het huisje.

In de kamer.

In de deken.

Je ademt.

Rustig.

Zacht.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Dat is genoeg.

Dat is alles.

De regen blijft vallen.

Tik.

Tik.

Tik.

Het water loopt langs het glas.

Langzaam.

Zacht.

Het maakt kleine lijnen.

Kleine wegen.

Kleine sporen.

En dan verdwijnen ze weer.

Je kijkt ernaar.

Of je kijkt niet.

Dat maakt niet uit.

Je ogen mogen rusten.

Je ogen mogen zacht zijn.

Je mag kijken naar het licht op de muur.

Je mag kijken naar de regen op het raam.

Je mag ook gewoon niets kijken.

Alles mag.

De kamer is warm.

De deken is zacht.

De stoel staat stil.

De tafel staat stil.

De lamp brandt zacht.

Alles is hier.

Alles blijft hier.

Je hoeft niet te weten hoe laat het is.

Je hoeft niet te weten wat er komt.

Je hoeft alleen maar hier te zijn.

In deze kamer.

In deze deken.

In deze stilte.

Dat is genoeg.

Dat is alles.

Misschien sluit je je ogen.

Misschien niet.

Dat maakt niet uit.

Je mag liggen.

Je mag rusten.

Je mag dromen.

Je mag ook gewoon niets doen.

Alles mag.

De tijd gaat langzaam.

Dat is fijn.

De tijd hoeft niet snel.

De tijd mag langzaam.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

De tijd tikt niet.

Of je hoort hem niet.

Dat maakt niet uit.

Je bent hier.

Aan de rand van de Veluwe.

In een huisje.

In de regen.

In het licht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

En jij blijft liggen.

Warm.

Veilig.

Rustig.

Alles mag zo blijven.

Alles mag zo blijven.

Soms hoor je een vogel.

Ver weg.

Heel ver weg.

Een klein geluid.

Dan is het weer stil.

Alleen de regen.

Alleen het tikken.

Alleen jij.

De deken ligt over je heen.

Zacht.

Warm.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Niet te los.

Precies goed.

Je voelt de warmte.

Je voelt de rust.

Je voelt dat het goed is.

Buiten beweegt er iets.

Een tak.

Een blad.

De wind is zacht.

De wind is stil.

De wind doet geen kwaad.

Hij raakt alleen de bladeren.

Hij raakt alleen het gras.

Hij raakt alleen de lucht.

En jij ligt hier.

In het huisje.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de deken.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

De regen tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Het ritme is hetzelfde.

Het ritme blijft.

Het ritme is als een hartslag.

Rustig.

Zacht.

Het gaat nooit te snel.

Het gaat nooit te langzaam.

Het gaat precies goed.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

In deze kamer.

In deze deken.

In deze stilte.

Dat is genoeg.

Dat is alles.

Misschien komt er een gedachte.

Laat hem komen.

Laat hem gaan.

Hij mag blijven.

Hij mag verdwijnen.

Dat maakt niet uit.

Jij blijft hier.

Jij blijft rustig.

Jij blijft zacht.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

En jij blijft liggen.

Warm.

Veilig.

Rustig.

Alles mag zo blijven.

Alles mag zo blijven.

De tijd gaat langzaam.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

De regen blijft tikken op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Zacht en gelijkmatig.

Je hoort het zonder te luisteren.

Het is er gewoon.

Als een vriend die naast je zit en niets hoeft te zeggen.

Buiten is het groen.

De bomen van de Veluwe staan stil in de regen.

Hun takken bewegen heel langzaam.

Heel even maar.

Dan weer rust.

Dan weer stil.

Het groen is diep en donker.

Het ruikt naar natte aarde.

Naar mos.

Naar bladeren die de regen vasthouden.

Je ligt nog steeds in de deken.

De deken is zacht.

Hij is warm.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Precies goed.

Je voelt de stof tegen je huid.

Zacht.

Warm.

Veilig.

De kamer is stil.

De lamp geeft een zacht licht.

Het licht is geel en warm.

Het raakt de muur.

Het raakt de deken.

Het raakt jou.

Alles is zacht in dit licht.

Alles is rustig in dit licht.

Er staat een kopje thee op het tafeltje.

De thee is nog warm.

De stoom komt langzaam omhoog.

Je ziet het bijna niet.

Maar het is er.

Zacht.

Warm.

Rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

In deze kamer.

In deze deken.

In deze stilte.

Dat is genoeg.

Dat is alles.

De regen tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Het ritme is hetzelfde.

Het ritme blijft.

Het ritme is als een hartslag.

Rustig.

Zacht.

Het gaat nooit te snel.

Het gaat nooit te langzaam.

Het gaat precies goed.

Misschien komt er een gedachte.

Laat hem komen.

Laat hem gaan.

Hij mag blijven.

Hij mag verdwijnen.

Dat maakt niet uit.

Jij blijft hier.

Jij blijft rustig.

Jij blijft zacht.

De tijd gaat langzaam.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

Buiten beweegt een tak.

Heel langzaam.

De regen valt eraf.

Druppels vallen naar beneden.

Ze raken de grond.

Zacht.

Bijna geluidloos.

De aarde drinkt het water.

De aarde is stil.

De aarde is rustig.

Je ademt.

In.

En uit.

In.

En uit.

Je adem is rustig.

Je adem is zacht.

Je adem gaat vanzelf.

Je hoeft er niets voor te doen.

Je hoeft er niets voor te zeggen.

Het gaat gewoon.

Precies goed.

De deken ligt over je heen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij blijft bij je.

De hele tijd.

De deken beweegt mee met je adem.

Heel langzaam.

Heel zacht.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

En jij blijft liggen.

Warm.

Veilig.

Rustig.

Alles mag zo blijven.

Alles mag zo blijven.

De kamer is nog steeds stil.

De lamp is nog steeds zacht.

De thee is nog steeds warm.

Alles is nog steeds hier.

Alles blijft.

Niets hoeft te veranderen.

Je ogen zijn zwaar.

Dat is goed.

Dat is fijn.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

Alles is rustig.

De regen tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Het ritme is hetzelfde.

Het ritme blijft.

Het ritme is als een hartslag.

Rustig.

Zacht.

Het gaat nooit te snel.

Het gaat nooit te langzaam.

Het gaat precies goed.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

In deze kamer.

In deze deken.

In deze stilte.

Dat is genoeg.

Dat is alles.

De tijd gaat langzaam.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

Aan de rand van de Veluwe.

In de regen.

In het licht.

In de deken.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

De regen blijft tikken op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Je hoort het zonder te luisteren.

Het is er gewoon.

Zoals je adem.

Zoals je hart.

Zoals de deken om je heen.

Buiten is het donker.

Zacht donker.

Geen zwart.

Meer grijsblauw.

De kleur van de lucht vlak voordat de nacht echt begint.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan stil.

Ze bewegen bijna niet.

Alleen heel even, als de wind langskomt.

Dan zwaaien de takken een klein beetje.

Heel langzaam.

Heel rustig.

Daarna staan ze weer stil.

Je ziet het door het raam.

Je hoeft je hoofd niet te draaien.

Je hoeft niets te doen.

Het beeld komt vanzelf.

De bomen.

De lucht.

De regen die langs het glas loopt.

Kleine druppels.

Ze glijden naar beneden.

Soms langzaam.

Soms iets sneller.

Dan weer langzaam.

Net als de tijd vanavond.

De kamer is warm.

De lamp geeft een zacht licht.

Geel.

Niet fel.

Precies genoeg.

Je ziet de randen van de kamer.

De muur.

Het hout.

De deken over je benen.

Alles is zacht.

Alles is dichtbij.

Niets is ver weg.

De thee staat nog naast je.

De beker is niet meer zo warm.

Maar dat geeft niet.

De thee was warm.

De thee is goed.

Je hoeft hem niet op te drinken.

Je hoeft niets.

De beker mag daar blijven staan.

De thee mag daar blijven.

Alles mag blijven.

Je ademt in.

Langzaam.

Je ademt uit.

Nog langzamer.

Je voelt je borst bewegen.

Je voelt je buik bewegen.

Zacht.

Rustig.

Het gaat vanzelf.

Je hoeft je adem niet te sturen.

Hij weet wat hij moet doen.

Hij is rustig.

Hij is zacht.

Hij blijft.

De regen tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Hetzelfde ritme.

Hetzelfde geluid.

Het is als een wiegeliedje zonder woorden.

Alleen het geluid.

Alleen het ritme.

Het vraagt niets van je.

Het zegt niets.

Het is er gewoon.

En jij bent er gewoon.

Samen in dezelfde stilte.

Soms hoor je iets anders.

Een klein geluid.

Een tak die beweegt.

Een druppel die valt.

Een zucht van de wind.

Heel even.

Dan is het weer stil.

Alleen de regen blijft.

Tik.

Tik.

Tik.

Als een hartslag.

Rustig.

Zacht.

Nooit te snel.

Nooit te langzaam.

Je ogen zijn zwaar.

Dat is goed.

Dat is fijn.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

Alles is rustig.

De kamer is stil.

De lamp is zacht.

De deken is warm.

Alles is hier.

Alles blijft.

Aan de rand van de Veluwe.

In het huisje.

In de regen.

In het licht.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

In deze kamer.

In deze deken.

In deze stilte.

Dat is genoeg.

Dat is alles.

De tijd gaat langzaam.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

En alles is rustig.

Alles is zacht.

Alles mag zo blijven.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

En jij blijft liggen.

Zacht.

Rustig.

Hier.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

En jij blijft liggen.

Zacht.

Rustig.

Hier.

Buiten is het donker.

Niet zwart.

Zacht donker.

Als een deken over de wereld.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan stil.

Ze wiegen heel langzaam.

Heel zacht.

De wind raakt ze aan.

Dan laat hij ze weer los.

Ergens in de verte rust een dier.

Misschien een ree.

Misschien niets.

Het maakt niet uit.

Het geluid komt en gaat.

Zoals alles hier.

Rustig.

Zonder haast.

De lamp naast je geeft een warm licht.

Geel.

Zacht.

Het licht raakt de muur.

De muur is van hout.

Bruin.

Warm.

Je ziet de nerven.

Ze lopen langzaam.

Van boven naar beneden.

Als kleine rivieren.

Ze bewegen niet.

Ze blijven.

Net als jij.

Op de tafel staat een glas water.

Het glas is stil.

Het water ook.

Soms trilt het heel even.

Door de regen.

Door de lucht.

Dan is het weer rustig.

Alles is rustig.

De deken ligt over je heen.

Hij is zacht.

Hij is warm.

Je voelt hem ademen met je mee.

Als je inademt, gaat hij mee.

Als je uitademt, zakt hij mee.

Langzaam.

Rustig.

Je hoeft niets te doen.

De deken doet het werk.

Je hand ligt op het laken.

Het laken is koel.

Fris.

Je vingers zijn stil.

Ze hoeven niets vast te houden.

Ze hoeven niets te doen.

Ze mogen daar blijven.

Zacht.

Rustig.

De regen tikt op het dak.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms wat sneller.

Dan weer langzamer.

Maar altijd zacht.

Nooit hard.

Nooit bang.

De regen kent geen haast.

De regen weet hoe het moet.

Je ademt.

In.

Uit.

In.

Uit.

Je borst gaat op en neer.

Heel langzaam.

Heel zacht.

Je voelt je hart.

Het klopt.

Rustig.

Regelmatig.

Als de regen.

Tik.

Tik.

Tik.

Je hart en de regen.

Ze zijn hetzelfde.

Ze zijn samen.

Aan de rand van de Veluwe.

In het huisje.

In de regen.

In het licht.

De wereld is klein hier.

Klein en veilig.

De kamer is je wereld.

De deken is je wereld.

De regen is je wereld.

En dat is genoeg.

Je ogen zijn zwaar.

Zwaar van de rust.

Zwaar van het licht.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

De lamp blijft branden.

De deken blijft warm.

De regen blijft tikken.

Soms hoor je de wind.

Hij fluistert langs het raam.

Zacht.

Hij vraagt niets.

Hij zegt alleen hallo.

Dan gaat hij weer verder.

Langs de bomen.

Langs de heide.

Langs de Veluwe.

En jij blijft hier.

In het huisje.

In de kamer.

In de deken.

De tijd gaat langzaam.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

Er is geen haast.

Er is geen moeten.

Er is alleen dit moment.

Dit moment van regen.

Dit moment van licht.

Dit moment van rust.

Alles mag zo blijven.

Alles blijft zo.

De regen.

Het licht.

De deken.

Jij.

Samen.

Rustig.

Zacht.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen telt de seconden.

Zacht.

Langzaam.

Zonder haast.

De klok aan de muur telt ook.

Maar stiller.

De klok telt de minuten.

De regen telt de momenten.

En jij hoeft niets te tellen.

Jij mag gewoon zijn.

Buiten is het grijs.

Zacht grijs.

Het licht komt door het raam.

Het is geen fel licht.

Het is een deken van licht.

Een zachte deken.

Over de kamer.

Over jou.

Over alles wat hier is.

De kamer is nog steeds klein.

Nog steeds veilig.

De muren zijn dichtbij.

Dat is goed.

Dichtbij voelt als een jas.

Een warme jas.

Om je heen.

De wereld is hier.

De wereld is nu.

De wereld is dit.

De deken ligt over je benen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij beweegt niet.

Hij blijft.

Net als de lamp.

De lamp brandt nog.

Met een klein licht.

Een geel licht.

Een rustig licht.

Het licht raakt de muur.

De muur is blij met het licht.

Alles is blij met het licht.

Soms hoor je de wind weer.

Hij komt langs het raam.

Hij fluistert.

Hij zegt hallo.

Dan gaat hij verder.

Langs de bomen.

De bomen staan stil.

De bomen aan de rand van de Veluwe.

Ze wiegen een beetje.

Heel langzaam.

Ze wiegen in de wind.

Ze zeggen niets.

Ze zijn er gewoon.

Net als jij.

De heide is nu donker.

Donkerpaars bijna.

De regen valt op de heide.

De regen valt op de bomen.

De regen valt op het dak.

Op het dak van het huisje.

Het huisje aan de rand van de Veluwe.

Het huisje is klein.

Het huisje is van jou.

Voor nu.

Voor dit moment.

Voor altijd bijna.

Je ademt.

Je ademt rustig.

In.

En uit.

In.

En uit.

Je hoeft niets te doen.

Je adem doet het zelf.

Je adem is als de regen.

Zacht.

Regelmatig.

Zonder einde.

Zonder begin.

Gewoon daar.

De geur van de kamer is zacht.

Een beetje hout.

Een beetje regen.

Een beetje warmte.

De geur blijft.

De geur is thuis.

Niet het huis van vroeger.

Maar het huis van nu.

Het huis van deze nacht.

Deze zachte nacht.

Je ogen zijn nog zwaar.

Zwaar van de rust.

Zwaar van het licht.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

De lamp blijft branden.

De deken blijft warm.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

De tijd gaat langzaam.

De tijd is van jou.

De tijd is zacht.

Er is geen haast.

Er is geen moeten.

Er is alleen dit moment.

Dit moment van regen.

Dit moment van licht.

Dit moment van rust.

Soms denk je aan niets.

Dat is fijn.

Niets is zacht.

Niets is ruim.

Niets is genoeg.

Je hoeft niet te denken.

Je hoeft niet te weten.

Je hoeft alleen te zijn.

Hier.

In de deken.

In het licht.

In de regen.

De regen wordt stiller.

Tik.

Tik.

Tik.

Bijna een fluistering.

Bijna een lied.

Een lied zonder woorden.

Een lied voor jou.

Alleen voor jou.

Het lied van de regen.

Het lied van de nacht.

Het lied van de rust.

Alles mag zo blijven.

Alles blijft zo.

De regen.

Het licht.

De deken.

Jij.

Samen.

Rustig.

Zacht.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen raakt het raam.

Zacht.

Regelmatig.

Als een hartslag die je niet hoeft te tellen.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zijn.

Alleen hier.

In de deken.

In het licht.

In het geluid van de regen.

Buiten is het donker.

Het is altijd donker op dit uur.

De bomen van de Veluwe staan stil.

Ze ademen langzaam.

Ze weten niets van haast.

Ze weten niets van moeten.

Ze staan er al heel lang.

Ze blijven staan.

Ze wiegen zachtjes in de wind.

Heel zachtjes.

Bijna niet te zien.

Soms hoor je de wind.

Een zucht tussen de bladeren.

Een fluistering in de verte.

Dan is het weer stil.

Alleen de regen blijft.

Tik.

Tik.

Tik.

De lamp in de kamer is nog aan.

Het licht is warm.

Het licht is geel.

Het licht raakt de muur.

Het raakt de deken.

Het raakt jou.

Je voelt de warmte.

Niet van het licht.

Wel van de deken.

De deken is zacht.

De deken is zwaar.

De deken houdt je vast.

Niet te vast.

Net genoeg.

Je ademt in.

Langzaam.

Je ademt uit.

Nog langzamer.

Je hoeft je adem niet te sturen.

Je adem gaat vanzelf.

In.

Uit.

In.

Uit.

Als de regen.

Als de wind.

Als de tijd.

De tijd gaat langzaam hier.

In dit huisje.

Aan de rand van de Veluwe.

De tijd is geen lijn.

De tijd is een cirkel.

De tijd is een golf.

De tijd is zacht.

De tijd is van jou.

Je ogen zijn zwaar.

Zwaar van de warmte.

Zwaar van het licht.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

De lamp blijft branden.

De deken blijft warm.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

Er is geen haast.

Er is geen moeten.

Er is alleen dit moment.

Dit moment van regen.

Dit moment van licht.

Dit moment van rust.

Soms denk je aan niets.

Dat is fijn.

Niets is zacht.

Niets is ruim.

Niets is genoeg.

Je hoeft niet te denken.

Je hoeft niet te weten.

Je hoeft alleen te zijn.

Hier.

In de deken.

In het licht.

In de regen.

De regen wordt stiller.

Tik.

Tik.

Tik.

Bijna een fluistering.

Bijna een lied.

Een lied zonder woorden.

Een lied voor jou.

Alleen voor jou.

Het lied van de regen.

Het lied van de nacht.

Het lied van de rust.

Alles mag zo blijven.

Alles blijft zo.

De regen.

Het licht.

De deken.

Jij.

Samen.

Rustig.

Zacht.

Tik.

Tik.

Tik.

Buiten beweegt een tak.

Heel langzaam.

De wind raakt hem aan.

De tak zwaait.

Terug.

Weer terug.

De tak weet niet waarom.

De tak hoeft niet te weten.

De tak beweegt.

Dat is genoeg.

Binnen is het stil.

De klok tikt niet.

De klok staat stil.

Of de klok tikt zo zacht dat je het niet hoort.

Het maakt niet uit.

De tijd gaat toch.

De tijd gaat langzaam.

De tijd is van jou.

Je hand ligt op de deken.

Je vingers zijn los.

Je voelt de stof.

Zacht.

Warm.

Je voelt je eigen adem.

In.

Uit.

In.

Uit.

Je voelt je hart.

Rustig.

Regelmatig.

Als de regen.

Als de wind.

Als de tijd.

De lamp knippert niet.

De lamp blijft branden.

Het licht blijft warm.

Het licht blijft geel.

Het licht raakt de muur.

Het raakt de deken.

Het raakt jou.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent rustig.

De regen valt nog steeds.

Tik.

Tik.

Tik.

Op het raam.

Op het dak.

Op de bladeren.

Op de aarde.

De aarde drinkt.

De aarde is stil.

De aarde is zacht.

De aarde is van jou.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft niets te zijn.

Alleen hier.

In de deken.

In het licht.

In de regen.

In de rust.

Tik.

Tik.

Tik.

De nacht is lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Alles is goed.

Alles is rustig.

Alles is hier.

Jij bent hier.

Samen met de regen.

Samen met het licht.

Samen met de deken.

Samen met de stilte.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen blijft.

De regen gaat nooit weg.

De regen is altijd bij je.

Zacht.

Regelmatig.

Als een hartslag.

Als een adem.

Als een lied.

Een lied zonder woorden.

Een lied voor jou.

Alleen voor jou.

Je ogen zijn zwaar.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

De lamp blijft branden.

De deken blijft warm.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Het ritme blijft.

Zacht en gelijk.

Als een wiegen.

Als een ademen.

Als iets dat je niet hoeft te begrijpen.

Je ligt hier.

In het huisje.

Aan de rand van de Veluwe.

De bomen staan dichtbij.

De heide ligt ver weg.

De lucht is vol water.

De lucht is vol nacht.

De lamp naast je geeft een klein licht.

Een warm licht.

Een licht dat niet vraagt.

Een licht dat alleen maar is.

Je ziet de rand van de deken.

Je ziet de rand van het kussen.

Je ziet de schaduw van je hand.

Alles is zacht.

Alles is rond.

Buiten ruist de wind.

Niet hard.

Niet koud.

Alleen aanwezig.

De wind gaat door de bladeren.

De bladeren bewegen mee.

Heel langzaam.

Heel rustig.

Alsof ze dansen zonder muziek.

Alsof ze ademen zonder haast.

Je hoort het water op het dak.

Tik.

Tik.

Tik.

Soms een klein verschil.

Soms iets sneller.

Soms iets langzamer.

Maar altijd terug.

Altijd hetzelfde lied.

Een lied zonder woorden.

Een lied voor jou.

De regen valt op de aarde.

De aarde is donker.

De aarde is nat.

De aarde ruikt naar mos.

Naar blad.

Naar tijd.

De geur komt door het open raam.

Heel even.

Heel licht.

Je ruikt het en je bent er.

Je bent hier.

In dit huisje.

In deze nacht.

In deze stilte.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft niets te zijn.

Alleen hier.

In de deken.

In het licht.

In de regen.

In de rust.

Tik.

Tik.

Tik.

De klok in de kamer tikt ook.

Heel zacht.

Bijna hetzelfde geluid.

Twee ritmes.

De regen en de klok.

Ze passen bij elkaar.

Ze zijn samen.

Ze zijn hier.

Net als jij.

Je ademt.

Langzaam.

Diep.

Je voelt je borst bewegen.

Je voelt je buik bewegen.

Je voelt de lucht naar binnen gaan.

En weer naar buiten.

Naar binnen.

En weer naar buiten.

Als een golf.

Als een wind.

Als een lied.

De deken ligt over je heen.

Zwaar en warm.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Niet te los.

Precies goed.

Je voelt de stof op je huid.

Zacht.

Vertrouwd.

Als een oude vriend.

Als een oude herinnering.

Je mag je ogen sluiten.

Je mag ze open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

De lamp blijft branden.

De deken blijft warm.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

De nacht is lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Alles is goed.

Alles is rustig.

Alles is hier.

Jij bent hier.

Samen met de regen.

Samen met het licht.

Samen met de deken.

Samen met de stilte.

Misschien denk je aan niets.

Misschien denk je aan iets kleins.

Aan een bloem op de heide.

Aan een tak in de wind.

Aan een wolk die langzaam wegdrijft.

Het is niet belangrijk.

Het mag komen.

Het mag gaan.

Net als de regen.

Net als de gedachten.

Net als de tijd.

De tijd gaat hier langzaam.

De tijd gaat hier zacht.

De tijd is geen haast.

De tijd is geen moeten.

De tijd is alleen maar nu.

Alleen maar dit.

Alleen maar hier.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen blijft.

De regen gaat nooit weg.

De regen is altijd bij je.

Zacht.

Regelmatig.

Als een hartslag.

Als een adem.

Als een lied.

Een lied zonder woorden.

Een lied voor jou.

Alleen voor jou.

Je ogen zijn zwaar.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

De lamp blijft branden.

De deken blijft warm.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

Het huisje is stil.

De bomen zijn stil.

De heide is stil.

Alleen de regen praat.

Alleen de regen zingt.

Alleen de regen is wakker.

En jij.

Jij bent hier.

Jij bent veilig.

Jij bent thuis.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen tikt zacht op het raam.

Elk geluidje is hetzelfde.

Elk geluidje is anders.

Je hoeft ze niet te tellen.

Je hoeft ze niet te volgen.

Ze zijn er gewoon.

Ze blijven gewoon.

Buiten is het donker.

Niet zwart.

Zacht donker.

Het donker van de nacht op de heide.

Het donker van de bomen die langzaam ademen.

Het donker dat geen gevaar is.

Alleen maar rust.

De lamp in de kamer geeft een warm licht.

Een klein licht.

Een licht dat net genoeg is.

Net genoeg om de deken te zien.

Net genoeg om je handen te zien.

Net genoeg om te weten dat je hier bent.

Dat je veilig bent.

Je ademt.

Langzaam.

Rustig.

De lucht komt binnen.

De lucht gaat naar buiten.

Je hoeft er niets voor te doen.

Je adem weet wat hij moet doen.

Je adem kent de weg.

Net als de regen.

Net als de tijd.

De deken ligt over je heen.

Zacht.

Warm.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Niet te los.

Precies goed.

Precies zoals het moet zijn.

Je voelt de stof tegen je huid.

Je voelt de warmte langzaam groeien.

Van je voeten naar je benen.

Van je benen naar je buik.

Van je buik naar je borst.

Langzaam.

Zacht.

Warm.

Buiten beweegt er iets.

Een tak.

Een blad.

De wind raakt de bomen aan.

Heel even.

Dan is het weer stil.

De wind gaat verder.

De wind heeft geen haast.

De wind gaat waar hij wil.

Net als de gedachten.

Net als de tijd.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen blijft vallen.

Op het dak.

Op het raam.

Op de grond.

Op de heide.

De regen raakt alles aan.

Zacht.

Regelmatig.

De regen kent geen haast.

De regen kent geen zorgen.

De regen is gewoon hier.

Net als jij.

Gewoon hier.

Je ogen zijn zwaar.

Dat is goed.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze half open laten.

Het maakt niet uit.

Alles is goed.

De kamer is warm.

De deken is zacht.

De lamp is vriendelijk.

De regen is geduldig.

Er is geen haast.

Er is geen moeten.

Er is alleen maar dit moment.

Alleen maar nu.

Alleen maar hier.

In dit huisje.

Aan de rand van de Veluwe.

Waar de bomen stil staan.

Waar de heide slaapt.

Waar de regen voor jou zingt.

Tik.

Tik.

Tik.

Het lied van de regen gaat verder.

Het lied zonder woorden.

Het lied dat je kent.

Het lied dat je meeneemt.

Naar een plek diep van binnen.

Een plek die rustig is.

Een plek die veilig is.

Een plek die altijd bij je is.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je mag hier blijven.

Je mag hier liggen.

Je mag hier ademen.

De deken houdt je vast.

De lamp blijft branden.

De regen blijft tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

De tijd gaat hier langzaam.

De tijd gaat hier zacht.

De tijd is geen haast.

De tijd is geen moeten.

De tijd is alleen maar nu.

Alleen maar dit.

Alleen maar hier.

De regen blijft.

De regen gaat nooit weg.

De regen is altijd bij je.

Zacht.

Regelmatig.

Als een hartslag.

Als een adem.

Als een lied.

Een lied zonder woorden.

Een lied voor jou.

Alleen voor jou.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen tikt zacht op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Hetzelfde lied.

Hetzelfde ritme.

Het lied dat je kent.

Het lied dat je meeneemt.

Naar een plek diep van binnen.

Buiten is het donker.

De heide is stil.

De bomen staan roerloos.

De lucht is zacht en grijs.

Alles ademt rust.

Alles ademt langzaam.

In de verte klinkt niets.

Geen stemmen.

Geen auto's.

Geen haast.

Alleen de regen.

Alleen de wind die heel even langs het dak strijkt.

Dan weer stilte.

Dan weer regen.

Tik.

Tik.

Tik.

Je ligt onder de deken.

De deken is warm.

De deken is zacht.

De deken houdt je vast.

Je voelt je adem gaan.

In.

En uit.

In.

En uit.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

De lamp naast je bed brandt nog.

Het licht is klein.

Het licht is warm.

Het licht blijft bij je.

Net als de regen.

Net als de deken.

Net als de stilte om je heen.

Je denkt aan het huisje.

Het huisje aan de rand van de Veluwe.

Het huisje met het zachte dak.

Het huisje met de kleine keuken.

Het huisje waar de tijd langzaam gaat.

Waar de tijd zacht is.

Waar de tijd alleen maar nu is.

Je ziet het voor je.

De houten tafel.

De stoelen eromheen.

De beker op tafel.

De geur van thee.

De geur van hout.

De geur van regen op warme grond.

Buiten loopt een pad.

Het pad gaat naar de heide.

De heide is paars in de zomer.

De heide is bruin in de winter.

Maar nu is de heide stil.

Nu slaapt de heide.

De heide wacht op de ochtend.

Net als jij.

Je hoeft niet te wachten.

Je mag gewoon liggen.

Je mag gewoon zijn.

Hier.

In dit moment.

In deze kamer.

In deze stilte.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen blijft vallen.

Zacht.

Regelmatig.

Als een hartslag.

Als een adem.

Als een lied.

Een lied zonder woorden.

Een lied dat je kent.

Een lied dat je meeneemt.

Naar een plek diep van binnen.

Een plek die rustig is.

Een plek die veilig is.

Een plek die altijd bij je is.

Je voelt de deken op je huid.

Je voelt het kussen onder je hoofd.

Je voelt de matras die je draagt.

Alles is zacht.

Alles is warm.

Alles is goed.

De tijd gaat hier langzaam.

De tijd gaat hier zacht.

De tijd is geen haast.

De tijd is geen moeten.

De tijd is alleen maar nu.

Alleen maar dit.

Alleen maar hier.

Soms hoor je een geluid.

Een tak die beweegt.

Een druppel die valt.

Een dier dat heel even ritselt in het gras.

Dan is het weer stil.

Dan is het weer regen.

Dan is het weer tikken.

Tik.

Tik.

Tik.

Je hoeft niet te kijken.

Je hoeft niet te weten.

Je hoeft alleen maar te liggen.

Je hoeft alleen maar te ademen.

Je hoeft alleen maar te zijn.

De regen is altijd bij je.

De regen gaat nooit weg.

De regen is als een vriend.

Een vriend die niets vraagt.

Een vriend die blijft.

Een vriend die zacht praat.

Zonder woorden.

Alleen met tikken.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

De heide slaapt.

De bomen rusten.

De lucht is zacht.

De lamp blijft branden.

De deken houdt je vast.

De regen zingt voor jou.

Alleen voor jou.

Tik.

Tik.

Tik.

Het lied gaat verder.

Het lied zonder einde.

Het lied dat je meeneemt.

Naar een plek diep van binnen.

Een plek die rustig is.

Een plek die veilig is.

Een plek die altijd bij je is.

Je mag hier blijven.

Je mag hier liggen.

Je mag hier ademen.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

De nacht is zacht.

De nacht is lang.

De nacht is van jou.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen telt door.

Elke tik is hetzelfde.

Elke tik is nieuw.

Je hoeft ze niet te tellen.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Luisteren is genoeg.

Luisteren is rust.

Buiten is het donker.

Zacht donker.

Het donker van de Veluwe.

Geen haast.

Geen geluid.

Alleen de regen.

Alleen de wind die langs het dak strijkt.

Zacht.

Bijna een streling.

Het huisje staat stil.

Het huisje ademt mee.

Het hout is oud.

Het hout is warm.

De muren houden de nacht buiten.

De muren houden jou binnen.

Veilig.

Warm.

Stil.

Je ligt onder de deken.

De deken is zwaar.

De deken is licht.

Ze voelt als een hand op je schouder.

Een hand die niets wil.

Een hand die alleen maar blijft.

De lamp brandt nog.

Een klein licht.

Een zacht licht.

Het licht raakt de muur.

Het licht raakt het plafond.

Het licht raakt jou.

Heel even.

Heel zacht.

Je ademt in.

De lucht is koel.

Je ademt uit.

De lucht is warm.

In.

Uit.

In.

Uit.

Je hoeft niets te veranderen.

Je adem weet de weg.

Je adem gaat al heel lang mee.

Je adem is een vriend.

Een vriend die nooit wegloopt.

De regen verandert niet.

De regen blijft.

Soms lijkt het harder.

Soms lijkt het zachter.

Maar het is altijd hetzelfde lied.

Het lied van de nacht.

Het lied van de heide.

Het lied van dit huisje.

Tik.

Tik.

Tik.

De heide ligt achter het huis.

De heide is paars in de zomer.

Nu is de heide stil.

De heide slaapt.

De heide droomt van warme dagen.

Van bijen.

Van zonlicht.

Maar nu is het nacht.

Nu is het rust.

De bomen aan de rand van de heide staan roerloos.

Grote bomen.

Oude bomen.

Ze kennen de regen.

Ze kennen de wind.

Ze kennen de seizoenen.

Ze zeggen niets.

Ze hoeven niets te zeggen.

Ze zijn er gewoon.

Net als jij.

Je hoeft niet te denken aan morgen.

Morgen komt vanzelf.

Morgen is nog ver.

Morgen is nog zacht.

Laat morgen maar wachten.

Jij bent hier.

Jij bent nu.

De deken houdt je vast.

De deken is als een huis.

Een huis binnen een huis.

Een huis van wol.

Een huis van warmte.

Je kunt je erin laten zakken.

Dieper.

Nog dieper.

Tot je alleen nog maar adem bent.

Alleen nog maar rust.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen raakt het raam.

De regen raakt het dak.

De regen raakt de grond.

Overal hetzelfde geluid.

Overal dezelfde vrede.

De regen vraagt niets.

De regen geeft alleen.

Het geeft geluid.

Het geeft ritme.

Het geeft rust.

Je ogen zijn zwaar.

Dat is goed.

Zwaar is goed.

Zwaar betekent dat je mag loslaten.

Je hoeft je ogen niet open te houden.

Je hoeft niets te zien.

Je hoeft alleen maar te voelen.

De deken.

De warmte.

De adem.

De lamp blijft branden.

De lamp waakt.

De lamp is als een klein vuur.

Een vuur dat nooit dooft.

Een vuur dat alleen maar licht geeft.

Zacht.

Warm.

Stil.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

De nacht is lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Tik.

Tik.

Tik.

Het lied gaat verder.

Het lied zonder einde.

Het lied dat je meeneemt.

Naar een plek diep van binnen.

Een plek die rustig is.

Een plek die veilig is.

Een plek die altijd bij je is.

Je mag hier blijven.

Je mag hier liggen.

Je mag hier ademen.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

De regen blijft.

De regen zingt.

Alleen voor jou.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen raakt het raam.

Zacht.

Steeds opnieuw.

Je hoort het zonder te luisteren.

Het is er gewoon.

Als je adem.

Als je hartslag.

Als de stilte tussen twee druppels.

Buiten is het donker.

Binnen is het warm.

De lamp brandt nog.

Hij is klein en rond.

Hij geeft een zacht licht.

Het licht raakt de muur.

Het raakt de deken.

Het raakt jou.

Je ligt stil.

Je hoeft niet te bewegen.

Je hoeft niet te denken.

Je hoeft alleen maar te zijn.

Hier.

In deze kamer.

In dit huisje.

Aan de rand van de Veluwe.

De Veluwe is stil vannacht.

De bomen staan er al heel lang.

Ze weten van de regen.

Ze weten van de wind.

Ze weten van de nacht.

Ze zeggen niets.

Ze zijn er gewoon.

Net als jij.

Ergens buiten loopt een dier.

Misschien een ree.

Misschien een vos.

Het loopt zacht.

Het laat geen sporen na.

Het is alleen.

Maar het is niet bang.

Het is thuis.

Net als jij.

De regen wordt zachter.

Dan weer harder.

Dan weer zachter.

Het ritme verandert.

Maar het stopt nooit helemaal.

Het blijft.

Zoals de lamp blijft.

Zoals de deken blijft.

Zoals jij blijft.

Je voelt de warmte van de deken.

Hij ligt over je heen.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Net genoeg.

Je voelt de warmte op je huid.

Op je armen.

Op je benen.

Op je gezicht.

Je ademt in.

De lucht is zacht.

Je ademt uit.

De lucht is warm.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft niets te vragen.

Alles is al gezegd.

Alles is al gegeven.

De kamer is stil.

De klok tikt niet.

De telefoon is uit.

De wereld is ver weg.

Alleen jij bent hier.

Alleen jij en de regen.

Alleen jij en de lamp.

Alleen jij en de nacht.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen telt voor je.

Het telt je adem.

Het telt je rust.

Je hoeft niet mee te tellen.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Zacht.

Traag.

Steeds opnieuw.

Je ogen zijn zwaar.

Nog zwaarder dan daarnet.

Dat is goed.

Dat is precies zoals het moet zijn.

Je mag ze sluiten.

Je mag ze laten rusten.

Ze hebben genoeg gezien vandaag.

Ze hebben genoeg gedaan.

De lamp blijft branden.

Hij waakt.

Hij is als een klein vuur.

Een vuur dat nooit dooft.

Een vuur dat alleen maar licht geeft.

Zacht.

Warm.

Stil.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

De nacht is lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Misschien hoor je de wind.

Heel even.

Tussen de druppels door.

Hij raakt de bladeren.

Hij raakt het dak.

Hij raakt de ramen.

Dan is hij weer weg.

De regen neemt het over.

De regen zingt verder.

Het lied gaat door.

Het lied zonder einde.

Het lied dat je meeneemt.

Naar een plek diep van binnen.

Een plek die rustig is.

Een plek die veilig is.

Een plek die altijd bij je is.

Je mag hier blijven.

Je mag hier liggen.

Je mag hier ademen.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

De deken is zacht.

De kamer is warm.

De lamp is trouw.

De regen is geduldig.

Alles wacht op je.

Alles is al klaar.

Je hoeft alleen maar los te laten.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen blijft.

De regen zingt.

Alleen voor jou.

De regen blijft.

De regen zingt.

Alleen voor jou.

En langzaam wordt het lied nog zachter.

Alsof de regen weet dat je bijna slaapt.

Alsof hij zijn stem laat zakken.

Tik.

Tik.

Tik.

Trager nu.

Vriendelijker nog.

Buiten is het donker.

Binnen is het licht.

Een klein licht.

Een warm licht.

Het licht van de lamp op tafel.

Het licht van het vuur in de kachel.

Het licht dat nooit weggaat.

Je ademt.

In.

En uit.

In.

En uit.

Je hoeft je adem niet te sturen.

Hij gaat vanzelf.

Rustig.

Regelmatig.

Zoals de regen op het dak.

Zoals de wind door de bomen.

De bomen staan stil aan de rand van de Veluwe.

Grote bomen.

Oude bomen.

Ze hebben veel gezien.

Veel nachten.

Veel regen.

Veel seizoenen.

En altijd blijven ze staan.

Rustig.

Geduldig.

Sterk.

Soms beweegt er een tak.

Heel even.

Dan valt er een druppel.

Een enkele druppel.

Die valt op een blad.

En dan op de grond.

Zacht.

Bijna geluidloos.

Het huisje is stil.

Het huisje is warm.

De muren houden de kou buiten.

De ramen houden de regen buiten.

Maar het geluid mag binnenkomen.

Het geluid van de regen.

Het geluid van de nacht.

Het geluid dat je kent.

Je kent het nu.

Je weet hoe het klinkt.

Je weet hoe het voelt.

Het is geen vreemd geluid meer.

Het is een vriendelijk geluid.

Een geluid dat bij je blijft.

De deken ligt over je heen.

Zacht.

Warm.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Net genoeg.

Je voelt de stof tegen je huid.

Je voelt de warmte om je heen.

Je voelt dat je ligt.

Je voelt dat je rust.

Misschien zie je het plafond.

Misschien zie je de lamp.

Misschien zie je niets en zijn je ogen al bijna dicht.

Dat is goed.

Dat is precies goed.

De kamer is nog steeds dezelfde kamer.

De stoel staat bij het raam.

De tafel staat bij de stoel.

De lamp staat op de tafel.

Alles is op zijn plek.

Alles is rustig.

Alles is klaar.

Buiten loopt misschien een dier.

Een ree.

Een vos.

Een konijn.

Het loopt zacht over het mos.

Het laat geen sporen na in de regen.

Het gaat verder.

Het zoekt zijn eigen plek.

Zijn eigen rust.

En jij hebt jouw plek al gevonden.

Hier.

In dit huisje.

In deze kamer.

Onder deze deken.

Bij dit licht.

De regen tikt nog steeds.

Tik.

Tik.

Tik.

Maar het ritme wordt langzamer.

Of misschien wordt jouw adem langzamer.

Misschien gaan ze samen.

De regen en jij.

Samen in de nacht.

Samen in de rust.

Je hoeft niets te weten.

Je hoeft niets te denken.

Je hoeft alleen maar te zijn.

Hier.

Nu.

In dit moment.

In deze stilte.

De wind raakt heel even het dak.

Heel even maar.

Dan gaat hij verder.

Naar de bomen.

Naar de heide.

Naar de verte.

En de regen blijft.

De regen blijft bij jou.

Het vuur in de kachel is nog steeds wakker.

Het geeft nog steeds licht.

Het geeft nog steeds warmte.

Het vraagt niets van je.

Het geeft alleen maar.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

De nacht is lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen zingt.

De regen blijft.

Alleen voor jou.

De regen zingt nog even door.

Zacht.

Eentonig.

Als een lied dat je kent zonder de woorden.

Buiten is het donker.

Niet het donkere van bang zijn.

Maar het donkere van rusten.

Van dichtbij zijn.

Van alles even laten.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan stil.

Ze wiegen heel langzaam.

Heel even maar.

Dan staan ze weer stil.

Ze weten hoe het moet.

Stil zijn.

Wachten.

Ademen.

Jij weet het nu ook.

Je ligt onder de deken.

De deken ligt over jou.

Samen zijn jullie een klein, warm plekje in de grote nacht.

Een plekje dat niets hoeft.

Een plekje dat alleen maar is.

Het licht van de kachel danst heel zacht op de muur.

Het beweegt mee met je adem.

Of misschien beweegt je adem mee met het licht.

Het maakt niet uit.

Het is goed zo.

Ergens in huis kraakt een balk.

Heel zacht.

Het is geen geluid om van te schrikken.

Het is het geluid van een huis dat leeft.

Van hout dat warm wordt.

Van muren die je vasthouden.

Het huis ademt met je mee.

De regen tikt op het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Hetzelfde ritme als daarnet.

Of bijna hetzelfde.

Elke tik is een klein beetje anders.

Elke tik is een klein beetje zachter.

Misschien slaap je bijna.

Misschien ben je al half in een droom.

Dat is goed.

Dat mag.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

De nacht is lang genoeg voor alles.

De nacht is zacht genoeg voor jou.

De wind komt weer langs het dak.

Heel even.

Hij raakt de pannen aan.

Hij fluistert iets in de schoorsteen.

Dan gaat hij verder.

Naar de heide.

Naar de dennen.

Naar de plek waar niemand kijkt.

En de regen blijft.

De regen blijft bij jou.

Het vuur in de kachel is nog wakker.

Nog steeds.

Het geeft licht.

Het geeft warmte.

Het vraagt niets.

Het geeft alleen maar.

Net als de nacht.

Net als de regen.

Net als jij.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

De deken voelt zacht.

De kamer is stil.

De wereld buiten is ver weg.

Maar niet eng ver.

Gewoon ver.

Zoals een herinnering die je niet hoeft vast te houden.

Je mag loslaten.

Je mag meegaan met de regen.

Met de wind.

Met de nacht.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen wordt stiller.

Of jouw adem wordt stiller.

Misschien gaan ze samen.

De regen en jij.

Samen in de nacht.

Samen in de rust.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan nog steeds.

Ze wachten op de ochtend.

Maar niet gehaast.

Niet ongeduldig.

Gewoon wachten.

Zoals jij.

Het licht van de kachel wordt zachter.

Of je ogen worden zachter.

Het maakt niet uit.

Alles wordt een beetje zachter nu.

Je hoeft niets te weten.

Je hoeft niets te denken.

Je hoeft alleen maar te zijn.

Hier.

Nu.

In dit moment.

In deze stilte.

De nacht is lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen zingt.

De regen blijft.

Alleen voor jou.

De regen blijft.

Zacht en gelijkmatig.

Als een lied dat je kent zonder de woorden.

Je ligt onder de deken.

De deken is warm.

De kamer is stil.

Buiten ruist de nacht.

Binnen ruist je adem.

Alles ruist.

Alles is rustig.

Het licht van de kachel is nu heel klein.

Een klein oranje puntje in de verte.

Het ademt mee met jou.

Of jij ademt mee met het licht.

Dat maakt niet uit.

Jullie ademen samen.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan nog steeds.

Ze staan daar al heel lang.

Ze weten niet anders.

Ze wiegen een beetje in de wind.

Heel langzaam.

Heel zacht.

Soms valt er een druppel van een blad.

Tik.

Dan weer stilte.

Dan weer tik.

De regen telt de seconden.

Of de minuten.

Of gewoon de tijd.

Tijd die langzaam voorbijgaat.

Tijd die niet hoeft.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je ligt hier.

Onder de deken.

In het huisje.

Aan de rand van de Veluwe.

De wereld is ver.

Maar niet eng ver.

Gewoon ver.

Zoals de ochtend ver is.

Die komt vanzelf.

De wind raakt het raam.

Heel zacht.

Als een hand die klopt.

Maar dan zonder geluid.

Alleen een klein gevoel.

Een klein trillen van het glas.

Dan is het weer stil.

De regen wordt nog stiller.

Of de nacht wordt stiller.

Misschien is het hetzelfde.

De nacht en de regen.

Ze horen bij elkaar.

Zoals jij en de deken.

Zoals jij en de kamer.

Zoals jij en de rust.

Je adem gaat vanzelf.

In.

En uit.

In.

En uit.

Je hoeft er niets voor te doen.

Je adem weet de weg.

Net als de regen.

Net als de wind.

Net als de nacht.

De kamer is donker.

Maar niet helemaal.

Er is nog een beetje licht.

Van de kachel.

Van de maan achter de wolken.

Van iets dat je niet kunt zien.

Maar dat er wel is.

Iets zachts.

Iets warms.

Iets dat blijft.

De deken ligt zacht op je.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Gewoon goed.

Zoals een oude vriend.

Zoals een stil gebaar.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft niets te doen.

Je mag gewoon liggen.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen zingt nog steeds.

Hetzelfde lied.

Het lied van de nacht.

Het lied van de rust.

Het lied dat je niet hoeft te kennen.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Of niet eens te luisteren.

Je hoeft alleen maar te zijn.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan nog steeds.

Ze wachten op de ochtend.

Maar niet gehaast.

Niet ongeduldig.

Gewoon wachten.

Zoals jij.

Zoals de regen.

Zoals alles wat zacht is.

Het licht van de kachel wordt nog zachter.

Of je ogen worden nog zachter.

Alles wordt een beetje zachter nu.

De randen van de kamer vervagen.

De randen van de dag vervagen.

Alleen de rust blijft.

Alleen de nacht blijft.

Je hoeft niets te weten.

Je hoeft niets te denken.

Je hoeft alleen maar te zijn.

Hier.

Nu.

In dit moment.

In deze stilte.

In deze zachte, zachte nacht.

De nacht is lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen blijft.

De regen zingt.

Alleen voor jou.

Tik.

Tik.

Tik.

De regen wordt zachter.

Of jouw adem wordt zachter.

Het maakt niet uit.

Alles wordt één.

Je ligt hier.

De deken ligt over je heen.

De kamer is warm.

De kachel gloeit nog een beetje.

Een klein licht.

Een zacht licht.

Buiten is het donker.

De bomen zijn stil.

De Veluwe is stil.

Alles is stil.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je bent hier.

Dat is genoeg.

De regen tikt nog.

Zachter nu.

Bijna een fluistering.

Bijna een ademhaling.

In.

Uit.

In.

Uit.

Je ogen zijn zwaar.

Dat is goed.

Laat ze maar zwaar zijn.

Laat ze maar dichtgaan.

Langzaam.

Heel langzaam.

De kamer wordt wazig.

De muren verdwijnen.

Het plafond verdwijnt.

Alleen de deken blijft.

Alleen de warmte blijft.

Alleen jij blijft.

Je hoeft niet te denken aan morgen.

Morgen komt vanzelf.

Morgen is nog ver.

Nu is het nacht.

Nu is het rust.

De regen zingt nog.

Een lied zonder woorden.

Een lied dat je niet hoeft te kennen.

Je hoort het.

Dat is genoeg.

Tik.

Tik.

Zachter.

Tik.

De bomen aan de rand van de Veluwe staan nog.

Ze bewegen heel langzaam.

Heel zacht.

De wind raakt ze aan.

De wind raakt jou ook aan.

Zacht.

Voorzichtig.

Je haar.

Je wang.

Je hand.

Alles wordt zacht aangeraakt.

Door de nacht.

Door de rust.

Je ademt in.

De lucht is warm.

De lucht is zacht.

Je ademt uit.

Alles gaat vanzelf.

Je hoeft niets vast te houden.

Laat alles maar los.

Laat de dag maar los.

Laat de woorden maar los.

Laat de gedachten maar los.

Ze drijven weg.

Zoals de regen.

Zoals de wind.

Zoals alles wat zacht is.

De kachel wordt stiller.

Het licht wordt kleiner.

Een klein puntje warmte.

Diep in de kamer.

Diep in jou.

Je voelt het nog.

Een beetje.

Dat is genoeg.

De regen is nu bijna stil.

Alleen een druppel.

Af en toe.

Tik.

Dan weer stilte.

Dan weer een druppel.

Tik.

De stilte is groot.

De stilte is zacht.

De stilte houdt je vast.

Je hoeft niets te weten.

Je hoeft niets te vragen.

Je hoeft alleen maar te liggen.

Hier.

In deze kamer.

In deze nacht.

De deken is warm.

Je lichaam is zwaar.

Je ogen zijn dicht.

Alles klopt.

De nacht is lang.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Niemand vraagt iets van je.

Niemand wacht op je.

Je bent alleen met de rust.

En de rust is goed.

De bomen wachten op de ochtend.

Maar niet gehaast.

Niet ongeduldig.

Gewoon wachten.

Zoals jij.

Zoals de regen.

Zoals alles wat zacht is.

De laatste druppel valt.

Tik.

Dan is het stil.

Heel even.

Dan hoor je alleen je adem.

In.

Uit.

In.

Uit.

Je adem is het enige geluid.

Je adem is zacht.

Je adem is rustig.

Je adem is genoeg.

De kamer is donker.

De kamer is warm.

De kamer is veilig.

Je bent hier.

Je bent nu.

Je bent rust.

De nacht blijft.

De nacht is zacht.

De nacht is van jou.

Alles vervaagt.

Langzaam.

Zacht.

De randen van de kamer.

De randen van je gedachten.

De randen van de dag.

Alleen de rust blijft.

Alleen de warmte blijft.

Alleen jij blijft.

Je hoeft niets meer te doen.

Je hoeft niets meer te zijn.

Alleen dit.

Alleen nu.

De regen is weg.

De wind is weg.

De wereld is weg.

Alleen jij.

Alleen de deken.

Alleen de nacht.

Slaap maar.

Slaap maar zacht.

Slaap maar rustig.

De nacht is van jou.

0:00
Aanpassen

Tekst

Modus

Audio

Pauze