Vind mijn niveau
Inloggen
Play me!
Alle podcasts

Een meer bij maanlicht

Je zit in een kleine kanaal, midden op het meer. Het water is stil, de lucht is zacht en warm.

Overal om je heen ligt het meer als een grote spiegel. De maan hangt boven je, rond en helder.

Het licht van de maan raakt het water. Alles schittert zacht. Je houdt de peddel in je handen.

De peddel is glad en licht. Je beweegt hem langzaam door het water. De kano glijdt verder.

Het is stil. Je hoort alleen het water dat zacht beweegt. De Weerribben liggen om je heen.

Dit is een plek waar alles rustig is. De maan geeft genoeg licht. Je ziet de oever in de verte.

Daar staan planten en riet. De schaduw van het riet is lang en donker. Je ademt langzaam in en langzaam uit.

De kano drijft. Je drijft mee. Het meer draagt je. Het water is zo glad dat het lijkt alsof

je op glas zit. De maan weerspiegelt in het meer. Je ziet de maan boven je, en je ziet de maan ook onder je

in het water. Twee manen. De ene is echt, de andere is een beeld in het water. Het licht van de

maan maakt alles zilveren. De kano is nu een schaduw op het water. Je peddel raakt het oppervlak.

Er ontstaat een kleine rimpel. De rimpel groeit. Hij wordt groter en ronder. Dan verdwijnt hij weer.

Het water wordt weer glad. De maan blijft schijnen. De sterren staan erbij. Heel veel sterren.

klein en stil. Ze weerspiegelen ook in het meer. Het meer is een grote spiegel van de hemel.

Je laat de peddel rusten. De kano zwevt. Je hoeft niets te doen. Het meer houdt je vast. Het water is

donker, maar ook licht. Het maanlicht maakt alles zichtbaar. Je ziet de oever aan de linkerkant. Daar groeit

riet. Het riet is hoog. De stengels zijn dun en recht. Ze staan stil. Er is geen wind. De lucht

beweegt niet. Alles is roerloos. Je kijkt naar het riet. De schaduw van het riet valt op het water.

De schaduw is lang en zacht. Je adem gaat langzaam. In, uit. In, uit. De kano beweegt nauwelijks. Je

hoort een zacht geluid. Ergens springt een vis. De vis maakt een plons. Het water golft. Een rimpel groeit.

Dan is het weer stil. Het meer is breed. Je ziet de andere oever ver weg. Daar staat ook riet.

Tussen het riet en het open water zie je een lijn. Die lijn is waar het land ophoudt en het water

begint. Het maanlicht maakt die lijn zichtbaar. De maan hangt nu iets lager. Het licht wordt zachter. De

sterren lijken feller. Je ziet er zoveel. In de stad zie je nooit zoveel sterren. Hier op het meer

zie je alles. De hemel weerspiegelt in het water. Het meer is een tweede hemel. Je zwevt tussen twee

hemels. Boven je de echte hemel, onder je de spiegel van de hemel. De kano is de plek waar jij bent, stil en

veilig. Je pakt de peddel weer. Je beweegt hem langzaam. Het water geeft mee. De peddel glijdt door het meer. De

kano schuift vooruit. Je vaart richting het riet. Je vaart langzaam. Er is geen haast. De tijd doet er niet

toe. De maan blijft schijnen. Het licht blijft zilveren. Je ziet nu iets bewegen in het water. Een vis zwemt

voorbij. De vis is klein. Hij glijdt onder de kano. Dan is hij weg. Misschien springt hij zo.

Vissen springen hier 's nachts. Ze springen naar insecten. Of ze springen gewoon, voor de vreugde. Je weet het

niet. Het maakt niet uit. Het is mooi om te zien. Een vis die springt in het maanlicht. De kano komt dichter bij de

oever. Het riet staat nu heel dichtbij. Je ziet de stengels. Ze zijn groen en bruin. Sommige stengels zijn

dik, andere zijn dun. Het riet ruist niet. Er is geen wind. Alles is stil. Tussen het riet zie je schaduwen.

Donkere plekken waar het maanlicht niet komt. Je vaart langs de oever. De peddel tikt zacht tegen de

rand van de kano. Het geluid is zacht. Het verstoort de stilte niet. Integendeel. Het geluid

past erbij. Het meer absorbeert alles. Je adem, het zachte geluid van de peddel, het water dat beweegt. Alles

wordt deel van de stilte. Plotseling hoor je een kikker. De kikker kwaakt. Het is een diep, kort geluid.

Ergens in het riet zit de kikker. Je ziet hem niet. Maar je hoort hem. Hij kwaakt nog een keer. Dan is het stil.

Misschien zit hij op een steen. Misschien op een blad. Kikkers kwaken in de nacht. Het is hun tijd. De maan

is hun licht. Je glimlacht. De kikker kwaakt weer. Nu antwoordt een andere kikker. Hij zit verder weg.

Twee kikkers die praten in de nacht. Hun stemmen zijn laag en rustig. Ze passen bij het meer, bij de maan,

bij de stilte. Je luistert. De kano drijft. Je drijft mee. Het water draagt je. Je vaart verder. De oever

glijdt langs je heen. Nu zie je iets anders. Een libel zit op een rietstengel. De libel beweegt niet.

Misschien slaapt hij. Libellen vliegen overdag. Nu is het nacht. De libel rust.

Zijn vleugels zijn dun en doorzichtig. Het maanlicht schijnt erdoorheen. De libel lijkt een klein

spook, een schaduw met vleugels. Je kijkt ernaar. De libel blijft stil. De kano glijdt voorbij. De

libel verdwijnt achter je. Je vaart verder. Het meer opent zich weer. Je bent nu op het brede open water.

Geen riet meer. Alleen water, maan, en sterren. Het water is hier dieper. Je voelt het. De

kano zwevt hoger. Het meer houdt je vast. Je legt de peddel op je schoot. Je handen rusten. Je kijkt

omhoog. De maan is enorm. Hij is zo groot en zo dichtbij. Het licht is zacht maar helder. Je ziet de

vlekken op de maan. Donkere plekken en lichte plekken. De maan heeft een gezicht. Een vriendelijk gezicht. De maan

kijkt naar je. Je kijkt terug. De sterren staan eromheen. Kleine lichtpuntjes. Ze knipperen niet.

Ze staan stil. De lucht is zo helder. Er zijn geen wolken. Niets blokkeert het licht. De hemel

geeft alles wat hij heeft. En het meer neemt het aan. Het meer weerspiegelt alles. Je kijkt naar

beneden. Het water is als zwart glas. Je ziet jezelf. Een schaduw in de kano. Je ziet de

maan weer. De maan in het water. De sterren in het water. Alles is dubbel. Boven en onder. Echt en weerspiegeld.

Je weet niet meer wat echt is. Misschien is het allemaal echt. Misschien maakt het niet uit. Je bent hier.

De kano is hier. Het meer is hier. Dat is genoeg. Je ademt diep. De lucht is fris. Het ruikt naar water, naar

Aplanten. Nu de nacht. Het is een geur die je kan meert. Je schouders zakken. Je nek wordt zacht. Je ogen

worden zwaar, maar je houdt ze open. Je wilt dit zien. Je wilt dit voelen. Dan springt de wereldfis. Deze keer

heel dichtbij. De vis springt uit het water. Je ziet hem in het maan licht. Zijn lichaam glanst. Hij draait in de lucht.

Dan valt hij terug. Plons. Het water spat. Druppels vliegen. Ze vangen in het maan licht. Kleinen,

zilveren, drupels. Ze vallen terug in het meer. De rimpels groeien. Circles in het water. Steeds

grotere cirkels. Ze rijken naar de kanaal. Ze raken de kanaal. De kanaal wibelt een beetje. Zacht.

Heel zacht. Je voelt het. Dan wordt het weer stil. De rimpels verdwijnen. Het water wordt weer glad. De

perfect in het meer. Je pak de pedal. Je vaart verder. Je glijt over het water. Je roer is een gedachte.

Je hebt geen echt roer nodig. De pedal is genoeg. Je stuurt met kleine bewegingen. Links, rechts. De

kanaal luistert. Hij volgt je. Je liet zijn samen. De kanaal en jij. Het meer en jij. De maan en jij.

Alles is verbonden. Je vaart naar het midden van het meer. Daar is het water het diepst. Daar is het

stilste. Je wilt daar zijn. Je wilt zweven op het diepste punt. Je pedal langzaam. Je haalt

zijn geen. De kanaal glijdt. Het water zingt zacht. Een vluisterstem. Het meer vertelt

je dingen. Dingen zonder woorden. Je begrijpt het. Nu ben je in het midden. Je ligt de pedal neer. Je leundt

achterover. De kanaal heeft een vlakke bodem. Je kunt liggen. Je gaat liggen. Je rug raakt de bodem

van de kanaal. Het houdt is glad en koeel. Je hoofd rust. Je benen strekken zich uit. Je armen liggen

naast je. Je kijkt om hoog. De heemel veelt je zicht. De maan. De sterren. Zo veel sterren. Je aardem gaat

langzaam. In, put. In, put. De kanaal wiekelt zacht. Het meer beweegt je. Heel zacht. Als een bed dat

ademt. Je ogen worden zwaarder. Maar je kijkt nog steeds. Je wilt de maan zien. Je wilt de sterren zien.

Een vogel roept in de verte. Een watervogel. Misschien een eent. Het geluid is zacht en ver. Het komt en

gaat. Dan is het wisttil. Alleen het water. Alleen de kanaal. Alleen jij in de maan. De schaduw van

De kano ligt op het water. Een donkere vorm op het zilveren meer. Je bent die schaduw. Je bent het

licht. Je bent alles en niets. De maan schijnt. Het licht vult je. Je ademt het in. Het maanlicht

gaat door je heen. Het maakt je lichaam zacht. Je spieren ontspannen. Je gedachten worden langzaam.

Ze drijven weg. Zoals de kano drijft. Je hoeft niets vast te houden. Alles mag gaan. De sterren knipperen

nu. Of misschien is het je oog dat knippert. Je weet het niet. Het maakt niet uit. De hemel is prachtig.

Zo prachtig. Dat woorden niet genoeg zijn. Je voelt het alleen maar. Een gevoel in je borst. Een zachte warmte.

Dankbaarheid. Vreugde. Rust. Alles tegelijk. De kano zweeft. Jij zweeft. Het meer houdt je vast.

Meer. Laat je los. Beide zijn waar. Je bent veilig. Je bent vrij. De maan kijkt naar je. Je kijkt terug.

Het is alsof de maan glimlacht. Een oude, wijze glimlach. De maan heeft het al vaak gezien. Mensen in

heel even. Alleen om te voelen. Je voelt het water onder je. Je voelt de kano. Je voelt de lucht

op je huid. De lucht is zacht en warm. Een zomerlucht. Een nachtlucht. Alles is volmaakt. Je

opent je ogen weer. De maan is er nog. De sterren zijn er nog. Niets is veranderd. Toch is alles anders.

Jij bent anders. Stiller. Zachter. Meer verbonden. De kano is geen ding meer. Het is een deel van jou. Het

meer is geen plek meer. Het is een gevoel. Thuisgevoel. Je hoort weer een kikker kwaken. Nu klinkt hij dichter

bij. Misschien zit de kikker op een blad in het water. Misschien zwemt hij. Kikkers kunnen goed zwemmen.

Hun poten zijn sterk. Ze duwen het water weg. Ze glijden door het meer. Net zoals jij. Je draait je hoofd

een beetje. Je ziet de oever weer. Het riet staat daar. Stil en donker. De schaduw van het riet is een

lange streep op het water. De maan tekent alles. Licht en schaduw. Alles heeft beide. De kano heeft

licht van boven en schaduw van beneden. Jij hebt licht in je ogen en schaduw in je gedachte.

Maar de schaduwen zijn niet eng. Ze zijn zacht. Ze horen erbij. Zonder schaduw, geen licht. Zonder licht,

geen schaduw. De maan weet dit. De maan geeft licht en laat schaduwen ontstaan. Alles is in balans.

Weer springt de vis. Deze keer verder weg. Je hoort de plons. Je ziet de rimpels. Ze komen naar je toe. Langzaam.

Heel langzaam. De rimpels bereiken de kano. De kano beweegt een klein duwtje. Een zacht wiegen.

Dan is het voorbij. Het water wordt weer glad. De spiegel herstelt zich. Je ziet de maan weer. Helder en

rond in het water. Je ziet jezelf. Een schaduw die naar de maan kijkt. De vissen springen omdat ze

leven omdat ze vreugde voelen. Omdat het water hun thuis is en ze vrij zijn. Je voelt hetzelfde.

Hier op het meer. In de kano onder de maan. Je bent vrij. Je bent thuis. De tijd gaat. Of misschien

staat de tijd stil. Je weet het niet. Het maakt niet uit. De maan beweegt langzaam door de lucht. Heel langzaam.

Je merkt het bijna niet. Maar na een tijdje hangt de maan iets anders. Het licht valt anders op het water.

De reflectie verschuift. De spiegel van de maan in het meer beweegt mee. Alles beweegt. Zo langzaam dat het lijkt

alsof niets beweegt. Het meer leeft. Het water ademt. De kano ademt. Jij, alles ademt samen. In. In.

Het ritme van het leven. Het ritme van de nacht. Je sluit je ogen weer. Nu blijven ze dicht. Je voelt de

kano onder je. Je voelt het water. Je hoort het zachte geluid van het meer. Een zucht,

een fluistering. Het stelt gerust. Het zegt: je bent veilig. Het zegt: blijf. Je luistert. Je gelooft het.

Je lichaam wordt zwaarder. Je zinkt in de kano. De kano zinkt in het water. Maar je verdrinkt niet.

Je zweeft. Het meer draagt je. Het meer heeft je altijd gedragen. Vanaf het moment dat je de kano

instapte. Vanaf het moment dat je de peddel pakte. Het meer wist dat je kwam. Het meer wachtte op je.

De kikker kwaakt nog steeds. Nu klinkt het als een lied. Een lied zonder woorden. Een lied van de nacht.

Andere kikkers antwoorden. Ze kwaken samen. Een koor van kikkers. Het geluid is diep en rustgevend. Het

vult de lucht. Het vult het water. Het vult jou. Je glimlacht. Je ogen zijn nog steeds dicht. Maar je ziet

alles. Je ziet het meer in je gedachten. Je ziet de maan. Je ziet de sterren. Je ziet het riet

en de oever. Je ziet de vissen die springen. Je ziet de libel op de stengel. Alles is er. In je hoofd

en je hart. De kano drijft verder. Je voelt de beweging langzaam. Heel langzaam. Het water neemt je mee.

Misschien naar de oever. Misschien naar het midden. Het maakt niet uit. Je laat het gebeuren. Je vertrouwt het

meer. Het meer kent de weg. Het water weet waar je moet zijn. Je handen liggen stil. Je peddel

ligt naast je. Je hebt hem niet nodig. De kano vindt zijn eigen weg. Alles gaat zoals het moet gaan. Je

ademt diep. De lucht is zoet. Het ruikt naar bloemen. Misschien zijn er waterlelies. Misschien bloemen

op de oever. Je ruikt ze. Je voelt ze. Alles is zacht. De maan daalt. Langzaam zakt hij naar de horizon.

Nog steeds geeft hij licht. Nog steeds schijnt hij op het meer. Het licht wordt gouden.

Minder zilver. Meer goud. Een warm goud. Het water neemt de kleur aan. Het meer wordt gouden. De

rimpels worden gouden. De schaduw van de kano wordt gouden. Alles glimt. Alles gloeit. Je opent je

ogen. Eén keer. Je ziet het. Gouden meer. Het is nog mooier dan het zilveren meer. Het is een afscheid.

De maan zegt vaarwel. Maar het is een zacht vaarwel. Geen verdriet. Alleen dankbaarheid. De maan

heeft je iets gegeven. Een nacht op het water. Een nacht van stilte en licht. Je sluit je ogen weer. Het beeld

blijft. Gouden meer blijft in je. De kikkers worden stiller. Misschien worden ze moe. Misschien gaan ze

slapen. De nacht wordt dieper. De lucht wordt koeler. Maar niet koud. Gewoon fris. Aangenaam. De kano ligt stil. Het water

ligt stil. Je ligt stil. Alles rust. De sterren kijken naar je. De maan kijkt naar je. Het meer

houdt je vast. Je bent omringd door vrienden. Stille, liefdevolle vrienden. Ze vragen

niets. Ze geven alleen. Licht, lucht, stilte. Alles wat je nodig hebt. Alles wat je hart verlangt. Je

adem wordt nog langzamer. Diep en langzaam. In, uit. Uitademen neemt spanning mee. Elke inademing brengt rust.

Je lichaam wordt een deel van de kano. De kano wordt een deel van het meer. Het meer wordt een

deel van de hemel. Alles is één. Geen grenzen meer. Alleen zijn. Alleen zweven. Alleen de peddel ligt

naast je. Je handen liggen open. Je hebt niets vast. Je hoeft niets vast te houden. Alles is er. Alles

blijft. De vis springt nog één keer. Ver weg. Laatste sprong. Een groet. Het meer groet je. De vis

Groet je. De maan. Groet je. Je groet terug. In stilte. Met je adem. Met je hart. De rimpels van de vis

bereiken je niet meer. Ze sterven uit voordat ze bij je komen. Het water wordt weer een spiegel. De volmaakte

spiegel. Alles weerspiegelt. Alles is dubbel en toch één. Boven en onder. Binnen en buiten. Echt en

droom. Alles smelt samen. Je bent de kano. Je bent het meer. Je bent de maan. Je bent het licht. Je bent

de schaduw. Je bent alles. De sterren zijn zo helder nu. Het is alsof je ze kunt aanraken. Alsof

je hand omhoog kan gaan en een ster kan plukken. Maar je beweegt niet. Je wilt niets verstoren. Alles is

volmaakt zoals het is. De kano zweeft. Je zweeft. Het meer houdt je. De lucht houdt je. De nacht houdt je. Je

bent veilig. Je bent thuis. Hier op het meer. Hier in de kano. Hier onder de maan. Dit is je plek. Dit is je

moment. Niets kan je raken. Niets kan je storen. Je bent beschermd door de stilte. Je bent gevuld met licht.

De kikker kwaakt zacht. Een keer. Een fluistering. Misschien is het een afscheid. Misschien een welterusten. Je

glimlacht. Je fluistert terug. Zonder woorden. Met je gedachten. Met je gevoel. Welterusten kikker. Welterusten vis.

Welterusten libel. Welterusten meer. Welterusten maan. Dank je. Dank je voor deze nacht. Dank je voor

licht. Dank je voor deze stilte. Dank je voor deze kano. Dank je dat ik mag zweven. Dank je dat ik mag

zijn. Het meer fluistert terug. Het zegt altijd. Je bent altijd welkom. Je kunt altijd terugkomen. Het

water wacht op je. De maan wacht op je. De kano wacht op je. Alles wacht op je. Want je hoort hier. Je

hoort bij het meer. Je hoort bij de nacht. Je hoort bij de stilte. Dit is waar je hart rust vindt. Dit is waar je

ziel ademt. Dit is waar je thuis bent. Onthoud dit. Neem dit mee. Het licht. Het water. De stilte. Neem het mee

in je slaap. Neem het mee in je dromen. De maan raakt nu bijna de horizon. Het licht wordt zachter. De

hemel blijft licht geven. Altijd is er licht. De kano drijft. Jij drijft. Alles drijft. Zacht en stil.

Geen haast. Geen doel. Alleen zijn. Alleen zweven. Alleen ademen. In. Uit. In. Het meer ademt met je mee. De nacht

ademt met je mee. Alles is adem. Alles is stilte. Alles is licht. Je ogen zijn nu zo zwaar. Ze willen

niet meer open. Het is goed. Laat ze dicht. Je hoeft niet meer te zien. Je hebt alles gezien. Het meer. De

maan. De sterren. Het riet. De schaduw. De vis. De kikker. De libel. Alles is in je. Je draagt het mee. Het

meer blijft in je hart. De maan blijft in je gedachten. Het licht blijft in je ziel. Niets gaat verloren. Alles

blijft. Voor altijd. De kanaal licht stil. Het water licht stil. Jij licht stil. Alles is stil. De nacht

houd je vast. Het meer houd je vast. De kanaal houd je vast. Je bent veilig. Je bent omrind door rust.

Door vrede. Door licht. Laat je lichaam zwaar worden. Laat je gedachte verdwijnen. Laat alles gaan. Het

water was alles schoon. Je bent nieuw. Je bent licht. Je bent vrij. Na min. De water voelde lucht. Alles

is zacht. Alles is warm. Alles is goed. De maan zakt weg. De sterren blijven. Het licht. Alltijd is er

licht. In het water. In de lucht. In jou. Je bent licht. Je bent water. Je bent een spiegel van de

heemel. Je wist spiegeld alles wat mooi is. Rust nu. Zwijf nu. Slap nu. Het meer zink je in slaap.

Een stil licht. Een licht zonder klanken. Alleen het gevoel. Het zachte wiegen van het water. Het zachte

ademen van de nacht. Het zachte licht van de sterren. Alles is zacht. Alles is stil. Je ogen. Zinke dicht. Je adem

wordt vluistering. Je lichaam wordt water. Je gedachte worden licht. Je bent er niet meer. Je bent er

helemaal. Je zweeft. Je rust. Je bent wel terusten. Slap zacht. Meer wakt over je. Kanow draagt je. De nacht

beschermt je. Alles is goed. Alles is stil. Tot morgen. Tot het licht. Rust nu.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze