

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Buiten valt de regen zacht tegen het raam.
Je hoort het ritme, traag en gelijkmatig.
Het is zondagavond in Groningen.
De keuken is warm en stil.
Het licht boven de tafel is zacht geel.
Het schijnt op het hout van de tafel.
Het hout is oud en glad.
Je ziet de nerven lopen, krom en rustig.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De lucht ruikt naar iets warms.
Misschien naar brood.
Misschien naar thee.
De geur blijft hangen, zacht en rond.
Op het aanrecht staat een ketel.
Het water is nog warm.
Er komt een klein beetje stoom omhoog.
De stoom lost langzaam op in de lucht.
Buiten is de straat nat.
Het licht van de lantaarn valt op het water.
Kleine druppels glinsteren even.
Dan verdwijnen ze weer.
Je zit aan de tafel.
Je handen rusten op het hout.
Het hout voelt glad en koel.
Langzaam wordt het warmer van je handen.
De regen tikt tegen het glas.
Tik.
Tik.
Tik.
Soms wat sneller.
Dan weer langzaam.
Het blijft rustig.
In de kamer hangt een zachte stilte.
Geen haast.
Geen geluid van buiten dat blijft.
Alleen de regen en je adem.
Je ademt in door je neus.
De lucht komt diep in je buik.
Je laat hem langzaam los.
Je schouders zakken een beetje.
De keuken is niet groot.
Maar hij is warm.
De muren zijn licht van kleur.
Er hangt een dun gordijn voor het raam.
Het beweegt bijna niet.
Op tafel staat een mok.
De mok is warm.
Er zit thee in.
De thee is licht van kleur.
Je ziet de damp boven de mok.
Je neemt de mok in je handen.
De warmte gaat naar je vingers.
Het voelt goed.
Je houdt de mok even vast.
Dan zet je hem terug.
De regen blijft vallen.
Zacht en gelijkmatig.
Het geluid is bijna als een deken.
Een deken van geluid om de kamer heen.
Je kijkt naar het raam.
De druppels lopen naar beneden.
Ze maken kleine lijnen op het glas.
Soms raken ze elkaar.
Dan wordt de lijn dikker.
Achter het glas is het donker.
De avond is al gevallen.
De lucht is diep blauw.
Bijna zwart.
Geen sterren te zien.
Alleen het licht van de lantaarn.
Je voelt de warmte van de keuken om je heen.
Het is een zachte warmte.
Niet te veel.
Precies goed.
Je ademt weer in.
Je ademt weer uit.
Je voelt je lichaam rustig worden.
Je voeten op de grond.
De grond is koel.
Maar niet koud.
De stoel onder je is stevig.
Hij draagt je.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Buiten rijdt een fietser voorbij.
Je hoort het zachte geluid van banden op nat wegdek.
Dan is het weer stil.
Alleen de regen.
De keuken ruikt nog steeds naar thee.
En naar iets zoets.
Misschien een koekje dat nog op tafel ligt.
Je ziet een klein bord.
Er ligt een koekje op.
Het is rond en lichtbruin.
Je pakt het koekje niet.
Je kijkt ernaar.
Dat is genoeg.
Het ligt daar rustig.
Het wacht.
De regen wordt iets zachter.
Tik.
Tik.
Dan stil.
Dan weer tik.
Het ritme verandert.
Maar het blijft rustig.
Je handen liggen weer op tafel.
Je voelt het hout.
Je voelt de warmte van de kamer.
Je voelt je adem.
De tijd gaat langzaam.
Dat is goed.
Er is geen haast.
De zondagavond is van jou.
Het licht boven de tafel blijft zacht.
Het beweegt niet.
Het is een rustig licht.
Het vraagt niets van je.
Je kijkt naar de mok.
De thee is nog warm.
Je neemt een klein slokje.
Het smaakt zacht.
Een beetje zoet.
Je slikt langzaam.
Buiten valt de regen nog steeds.
Zacht tegen het raam.
Zacht op de straat.
Zacht op de daken van Groningen.
De keuken is warm.
De kamer is stil.
Je adem is rustig.
Alles is goed.
Je blijft zitten.
Je rug leunt tegen de stoel.
De stoel is van hout.
Hij is oud en stevig.
Hij kraakt niet.
Hij houdt je vast.
Op tafel staat de mok.
De thee is nu lauw.
Dat is niet erg.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Buiten is het donker.
De straat is leeg.
De ramen van de huizen zijn zacht verlicht.
Achter sommige ramen brandt een lamp.
Achter andere is het donker.
De mensen zijn thuis.
Of ze slapen al.
De regen tikt nog.
Soms zacht.
Soms heel zacht.
Dan weer iets harder.
Maar nooit hard genoeg om te storen.
Het is een geluid dat je kunt vergeten.
En dan hoor je het weer.
Tik.
Tik.
Tik.
Je kijkt naar het raam.
Er lopen kleine druppels naar beneden.
Ze glinsteren in het licht van de keuken.
Ze gaan langzaam.
Ze hebben geen haast.
Net als jij.
De keuken ruikt naar thee.
Een beetje naar kruiden.
Een beetje naar warm hout.
Het is een bekende geur.
Een geur van thuis.
Je handen liggen op tafel.
Je voelt het hout.
Het is glad.
Het is warm.
Je vingers bewegen niet.
Ze rusten gewoon.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Je voelt je borst rustig op en neer gaan.
Je voelt je buik zacht bewegen.
Je adem is stil.
Je adem is van jou.
Het licht boven de tafel is nog steeds zacht.
Het is een klein licht.
Het verlicht alleen de tafel.
De rest van de keuken is in een zachte schemer.
Dat is genoeg.
Je kijkt naar het bord.
Het koekje ligt er nog.
Het is rond.
Het is lichtbruin.
Het beweegt niet.
Het wacht.
Je hoeft het niet te pakken.
Kijken is genoeg.
Op het aanrecht staat een kom.
Er ligt een lepel naast.
De lepel glimt een beetje.
Alles is opgeruimd.
Alles is rustig.
De koelkast zoemt zacht.
Een laag geluid.
Bijna geen geluid.
Het past bij de stilte.
Het maakt de stilte voller.
Je denkt aan niets bijzonders.
Je denkt aan de dag.
Aan de ochtend.
Aan de middag.
Aan de wandeling die je maakte.
Aan de wind.
Aan de meeuwen boven het water.
Aan de mensen die langsliepen.
Aan de bladeren op de grond.
De dag was gewoon.
De dag was goed.
Nu is het avond.
De avond is ook goed.
Je sluit even je ogen.
Je hoort de regen.
Je hoort de koelkast.
Je hoort je eigen adem.
Je hoort niets anders.
Dat is fijn.
Je opent je ogen weer.
De keuken is er nog.
De tafel.
De mok.
Het bord.
Het koekje.
Het licht.
Alles is er nog.
Alles is rustig.
Je schuift een klein stukje op je stoel.
Je benen voelen warm.
Je voeten rusten op de grond.
De vloer is van hout.
Hij is oud.
Hij is zacht onder je voeten.
Buiten valt de regen nog steeds.
Zacht tegen het raam.
Zacht op de straat.
Zacht op de daken van Groningen.
De keuken is warm.
De kamer is stil.
Je adem is rustig.
Alles is goed.
Je kijkt nog eens naar de mok.
De thee is bijna op.
Je drinkt het laatste slokje.
Het is lauw.
Het is zacht.
Je zet de mok terug.
Voorzichtig.
Zonder geluid.
De tafel is weer stil.
Het bord.
Het koekje.
De mok.
Jij.
De zondagavond gaat langzaam verder.
Er is geen haast.
Er is geen plan.
Er is alleen dit moment.
En dat is genoeg.
Je handen liggen weer op tafel.
Je voelt het hout.
Je voelt de warmte van de kamer.
Je voelt je adem.
De tijd gaat langzaam.
Dat is goed.
De zondagavond is van jou.
Je blijft zitten.
Je rug leunt tegen de stoel.
De stoel is van hout.
Hij kraakt niet.
Hij is stil.
Net als jij.
Het licht boven de tafel is zacht.
Het is geen fel licht.
Het is een klein beetje geel.
Het valt op het tafelkleed.
Het tafelkleed is oud.
Het heeft kleine bloemen.
Je kijkt ernaar zonder iets te denken.
Buiten is het donker.
De regen valt nog steeds.
Je hoort het tegen het raam.
Tik.
Tik.
Tik.
Zacht en gelijkmatig.
Het geluid komt en gaat.
Het blijft.
Het is een rustig geluid.
Het past bij de avond.
Op de vensterbank staat een plant.
Een kleine plant.
Hij is groen.
Hij beweegt een beetje.
Niet door de wind.
Door de warmte binnen.
De verwarming is aan.
Je voelt het aan je voeten.
De vloer is niet koud.
De vloer is zacht en warm.
Je kijkt naar de mok.
Hij staat nog op tafel.
Leeg nu.
De thee is op.
Maar de mok is er nog.
Hij is van aardewerk.
Bruin en glad.
Je raakt hem even aan.
Hij is nog een beetje warm.
Van de thee.
Van je handen.
De keuken ruikt naar brood.
Naar iets zoets.
Misschien van het koekje.
Misschien van vroeger.
De geur blijft hangen.
Hij is niet sterk.
Hij is zacht.
Hij vult de kamer een beetje.
Je ademt in.
Langzaam.
Je ademt uit.
Nog langzamer.
Je schouders zakken een klein stukje.
Ze zijn niet hoog.
Ze zijn niet gespannen.
Ze zijn gewoon daar.
De regen tikt tegen het glas.
Tik.
Tik.
Tik.
Soms stopt het even.
Dan begint het weer.
Je luistert.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je bent hier.
In deze keuken.
In dit huis.
In Groningen.
De tafel is stil.
Het bord.
Het koekje.
De mok.
Jij.
Alles is er nog.
Alles is rustig.
Je schuift je stoel een heel klein beetje naar achteren.
Niet om op te staan.
Alleen om te bewegen.
De poten van de stoel gaan zacht over de vloer.
Het is een klein geluid.
Dan is het weer stil.
Je handen liggen op tafel.
Je voelt het hout.
Het is glad.
Het is oud.
Het heeft veel meegemaakt.
Maar nu is het gewoon hout.
Onder jouw handen.
Buiten fietst iemand voorbij.
Je hoort de banden op het natte asfalt.
Sissend.
Zacht.
Dan is het weg.
De straat is weer leeg.
De regen valt verder.
Op de daken.
Op de ramen.
Op de wereld.
De zondagavond is lang.
Dat is goed.
Er is geen haast.
Er is geen plan.
Er is alleen dit moment.
En dat is genoeg.
Je kijkt naar het raam.
De regen maakt kleine strepen op het glas.
Ze lopen langzaam naar beneden.
Ze verdwijnen.
Er komen nieuwe.
Je kijkt ernaar.
Je ogen zijn rustig.
Ze knipperen langzaam.
De kamer is warm.
De kamer is stil.
Je adem is rustig.
Alles is goed.
Je denkt aan niets bijzonders.
Aan de dag van morgen.
Die komt vanzelf.
Aan de week die voorbij is.
Die is al klaar.
Nu is het alleen nog avond.
Alleen nog deze keuken.
Alleen nog dit licht.
De plant op de vensterbank beweegt weer.
Een blad trilt even.
Dan is het stil.
Net als jij.
Je voeten rusten op de grond.
De vloer is van hout.
Hij is oud.
Hij is zacht.
Hij draagt je.
Je hoeft niets te dragen.
Je mag gewoon zitten.
De tijd gaat langzaam.
Dat is goed.
De zondagavond is van jou.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
Je blijft nog even zitten.
Nog heel even.
De regen valt.
Het licht brandt.
De warmte blijft.
En jij bent er.
Rustig.
Veilig.
Hier.
De regen blijft vallen.
Zacht en gelijkmatig.
Je hoort het zonder er iets bij te hoeven doen.
Het geluid is er gewoon.
Zoals je adem.
Zoals het licht.
Op tafel staat een mok.
Hij is leeg nu.
De thee is op.
De warmte van de mok is nog een beetje voelbaar als je je hand eromheen legt.
Je doet het niet.
Je kijkt alleen.
De mok is wit.
Er zit een klein chipje aan de rand.
Dat is al jaren zo.
Je weet niet meer wanneer het gekomen is.
Het hoort erbij.
Buiten is het donker.
Niet zwart.
Meer zacht blauwgroen.
De lucht boven de stad houdt nog wat licht vast.
Een paar ramen aan de overkant zijn verlicht.
Geel.
Warm.
Mensen binnen.
Ieder in een eigen kamer.
Ieder in een eigen zondagavond.
De verwarming tikt.
Een klein geluid.
Metaal dat uitzet.
Dan weer stilte.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Je schouders zakken een stukje.
Ze zakken nog een stukje.
Ze hoeven niets te dragen.
Niet nu.
De deken ligt over je benen.
Hij is zacht.
Hij is warm.
Hij ruikt een beetje naar wasmiddel.
Naar thuis.
Je trekt hem iets hoger.
Tot aan je middel.
Je handen rusten erop.
Ze zijn stil.
Je vingers bewegen niet.
Ze hoeven niets vast te houden.
De plant op de vensterbank is groen.
Donkergroen.
De blaadjes glanzen een beetje in het lamplicht.
Een nieuw blaadje is open.
Het is nog klein.
Het is nog zacht.
Het groeit langzaam.
Net als de avond.
Net als jij.
Je kijkt naar de klok.
Hij staat op de plank.
Hij tikt niet.
Het is een stille klok.
Alleen de wijzers bewegen.
Langzaam.
Zeker.
Ze wijzen naar bijna negen.
Nog geen haast.
Nog geen morgen.
Alleen nu.
De regen wordt iets zachter.
Dan weer iets harder.
Dan weer zacht.
Het ritme verandert steeds een beetje.
Maar het stopt niet.
Het blijft bij je.
Als een deken van geluid.
Je denkt aan de keuken van vroeger.
Aan een andere tafel.
Aan een andere zondag.
Maar dat is ver weg.
Het doet geen pijn.
Het is alleen een beeld.
Zacht en wazig.
Je laat het weer gaan.
Het mag wegzakken.
Net als de dag.
De stoel onder je is stevig.
Hij kraakt niet.
Hij houdt je.
Je rug leunt tegen de leuning.
Je voelt de vorm van het hout.
Koud eerst.
Dan warm.
Van jou.
Je ogen worden zwaar.
Niet moe.
Meer vol.
Vol van alles wat rustig is.
Je knippert langzaam.
Een keer.
Nog een keer.
De keuken blijft hetzelfde.
Warm.
Stil.
Veilig.
Misschien ga je zo nog even naar de kamer.
Misschien blijf je nog even hier.
Het maakt niet uit.
Er is geen plan.
Er is geen haast.
De avond draagt je.
De regen dekt je toe.
Het licht waakt.
Je hand ligt nu op de deken.
Je voelt de stof.
Zacht.
Je voelt je adem.
Rustig.
Je voelt de tijd.
Langzaam.
De mok staat nog op tafel.
Het chipje aan de rand.
Het is goed zo.
Alles is goed zo.
Niets hoeft anders.
Buiten dooft langzaam een raam aan de overkant.
Iemand gaat slapen.
Jij nog niet.
Nog heel even niet.
Nog heel even hier.
In de warme keuken.
In het zachte licht.
In de stilte die van jou is.
De regen valt.
De plant groeit.
De klok wijst.
En jij bent er.
Rustig.
Veilig.
Hier.
De stilte is zacht.
Ze heeft geen rand.
Geen einde.
Alleen maar ruimte.
Je ademt.
In.
Uit.
De lucht is lauw.
Een beetje vochtig van de regen.
Een beetje zoet van de thee.
Op het aanrecht staat een schaal.
Er liggen drie appels in.
Rood met een klein groen plekje.
Ze glimmen een beetje in het licht.
Je kijkt ernaar zonder iets te denken.
Appels zijn gewoon appels.
Ze liggen daar.
Ze wachten niet.
Ze vragen niets.
De verwarming tikt.
Een klein geluid.
Dan stilte.
Dan weer een tik.
Het is een ritme.
Traag.
Vriendelijk.
Alsof het huis zachtjes tegen zichzelf praat.
Je schuift je voet over de vloer.
De tegels zijn koel.
Maar niet koud.
Ze voelen glad.
Ze voelen bekend.
Deze keuken kent je voeten.
Elke zondag opnieuw.
Buiten fietst iemand voorbij. langzaam.
Je hoort de banden op het natte asfalt.
Een zacht sissend geluid.
Dan is het weer stil.
De regen neemt het over.
De regen neemt altijd alles over.
Zacht.
Geduldig.
Je mok is bijna leeg.
Alleen de bodem nog.
Een klein plasje thee.
Lauw nu.
Je drinkt het niet op.
Je laat het staan.
Het mag daar blijven.
Niets moet weg.
De deken ligt over je benen.
Grijs.
Zacht.
Hij is oud.
Hij is van jou.
Hij ruikt naar thuis.
Naar wasmiddel.
Naar rust.
Je ogen vallen bijna dicht.
Maar je bent niet moe.
Je bent vol.
Vol van de dag.
Vol van de stilte.
Vol van niets bijzonders.
De plant op de vensterbank beweegt niet.
Toch groeit hij.
Traag.
Onzichtbaar.
Net als jij.
Net als deze avond.
Je denkt aan niets.
Je denkt aan alles.
Aan de regen.
Aan de appels.
Aan de tik van de verwarming.
Aan de warmte in je handen.
De klok op de muur wijst.
Je kijkt niet.
Je hoeft niet te kijken.
De tijd gaat toch wel.
Langzaam.
Vriendelijk.
Zonder haast.
Ergens in huis kraakt een plank.
Het is een oud huis.
Het kraakt.
Het zucht.
Het houdt je vast.
Zachtjes.
Je ademt nog een keer.
Diep.
Rustig.
Je voelt je longen vol stromen.
Dan leeg.
Dan weer vol.
Het gaat vanzelf.
Alles gaat vanzelf.
De keuken is warm.
De keuken is stil.
De keuken is veilig.
Jij bent hier.
Dat is genoeg.
Misschien staat er nog een glas water.
Misschien niet.
Het maakt niet uit.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te weten.
Je bent er.
Dat is alles.
Buiten dooft nog een raam.
De straat wordt donkerder.
De regen blijft vallen.
Zacht.
Regelmatig.
Als een lied zonder woorden.
Je hand ligt op de deken.
Je voelt de stof.
Zacht.
Je voelt je adem.
Rustig.
Je voelt de tijd.
Langzaam.
De mok staat nog op tafel.
Het chipje aan de rand.
Het is goed zo.
Alles is goed zo.
Niets hoeft anders.
De verwarming tikt.
De regen valt.
De plant groeit.
En jij bent er.
Rustig.
Veilig.
Hier.
De verwarming tikt nog een keer.
Dan is het stil.
Dan tikt hij weer.
Je hoort het patroon.
Tik.
Stilte.
Tik.
Stilte.
Als een hartslag.
Als een klok.
Maar dan zachter.
Het licht boven de tafel is geel.
Warm geel.
Het valt op het hout.
Het hout is oud.
Het hout heeft jaren gezien.
Jaren van avonden.
Jaren van zondagen.
Jaren van stille momenten zoals deze.
Je kijkt naar het raam.
De regen loopt naar beneden.
Langzaam.
Soms raakt een druppel een andere druppel.
Dan worden ze samen één.
Dan glijden ze verder.
Naar beneden.
Naar de rand.
En dan vallen ze.
Zacht.
Buiten is de straat nat.
De stenen glimmen een beetje.
Er is bijna niemand.
Een fietser.
Dan niemand.
Dan weer niemand.
De stad is stil op zondagavond.
Groningen ademt langzaam.
Net als jij.
De mok op tafel is nog warm.
Je voelt de warmte door het glas.
Het chipje aan de rand is klein.
Bijna niets.
Maar je weet dat het er is.
Dat is genoeg.
Kleine dingen zijn genoeg.
Je hand ligt nog op de deken.
De deken is zacht.
De deken is warm.
De deken ruikt een beetje naar thuis.
Naar wasmiddel.
Naar rust.
Je vingers bewegen niet.
Ze hoeven niet te bewegen.
Ze liggen gewoon.
En dat is goed.
De plant in de hoek groeit.
Je ziet het niet.
Maar hij groeit.
Elke dag een beetje.
Elke nacht een beetje.
Hij doet niets bijzonders.
Hij is er gewoon.
Net als jij.
De regen valt nog steeds.
Zacht.
Regelmatig.
Als een lied zonder woorden.
Je kent het lied niet.
Maar je voelt het.
In je schouders.
In je adem.
In je buik.
Het lied is rustig.
Het lied is veilig.
Je ademt nog een keer.
Diep.
Rustig.
Je longen vullen zich.
Met lucht.
Met warmte.
Met stilte.
Dan leeg.
Dan weer vol.
Het gaat vanzelf.
Alles gaat vanzelf.
De keuken is warm.
De keuken is stil.
De keuken is veilig.
Jij bent hier.
Dat is genoeg.
Misschien denk je aan iets.
Misschien niet.
Het maakt niet uit.
Gedachten komen.
Gedachten gaan.
Als druppels op het raam.
Je hoeft ze niet vast te houden.
Je laat ze gaan.
Zachtjes.
De verwarming tikt.
De regen valt.
De plant groeit.
En jij bent er.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Buiten dooft nog een raam.
De straat wordt donkerder.
Maar binnen is het licht.
Binnen is het warm.
Binnen is het goed.
Je ogen zijn zwaar.
Niet moe.
Gewoon zwaar.
Op een fijne manier.
Op een manier die zegt: het is goed.
Je mag even niets doen.
Je mag even alleen maar zijn.
De mok staat nog op tafel.
Het chipje aan de rand.
De deken ligt op je benen.
De plant groeit in de hoek.
De verwarming tikt.
De regen valt.
Alles is zoals het is.
En dat is precies goed.
Je hoeft niets te veranderen.
Je hoeft niets te weten.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
En uit.
In.
En uit.
De keuken houdt je vast.
Zachtjes.
De deken houdt je warm.
Zachtjes.
De regen zingt.
Zachtjes.
En jij bent hier.
Dat is alles.
Dat is genoeg.
De keuken is stil op een manier die niet leeg voelt.
De klok boven het aanrecht tikt zachtjes verder.
Elke seconde is even rustig.
Elke seconde is even veilig.
Je kijkt naar het raam.
De regen tekent kleine lijnen op het glas.
Ze glinsteren in het licht van de lamp.
Het licht is warm en geel.
Het blijft hangen in de hoeken van de keuken.
Alsof het daar wil blijven.
Alsof het daar hoort.
De mok op tafel is nog een beetje warm.
Je handen rusten eromheen.
Niet omdat het moet.
Gewoon omdat het fijn is.
De warmte trekt langzaam door je vingers.
Naar je handen.
Naar je armen.
Het verspreidt zich als een zachte golf.
Buiten is de straat nu bijna donker.
Een enkele fietser gaat voorbij.
Het licht van de fiets glijdt over de muur.
Dan is het weer stil.
De regen neemt het over.
De regen valt.
Zachtjes.
Regelmatig.
Als een lied dat je niet hoeft te kennen.
Je hoeft alleen maar te luisteren.
De plant in de hoek beweegt bijna niet.
Toch groeit hij.
Langzaam.
Stil.
Zonder haast.
Zoals alles hier.
Zoals jij.
Je hoeft niet te groeien.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Dat is genoeg.
Dat is altijd genoeg geweest.
De deken op je benen is zacht.
Hij ligt er precies goed.
Je hoeft hem niet recht te trekken.
Je hoeft niets te doen.
De deken houdt je warm.
De keuken houdt je vast.
De regen houdt je gezelschap.
Alles is dichtbij.
Alles is rustig.
Je ademt in.
De lucht ruikt naar thee.
Naar hout.
Naar warmte.
Je ademt uit.
Je schouders zakken een beetje.
Ze zakken verder dan je dacht.
Alsof ze iets loslaten.
Iets wat je niet meer nodig hebt.
Je hoeft het niet te benoemen.
Je hoeft het niet te weten.
Het mag gewoon wegzakken.
Zachtjes.
De verwarming tikt.
Hetzelfde geluid als daarnet.
Hetzelfde geluid als altijd.
Het is een ritme geworden.
Een klein hartslagje in de keuken.
Je hoort het zonder erop te letten.
Je hoort het zonder te tellen.
Het is er gewoon.
Zoals de regen.
Zoals het licht.
Zoals jij.
Op tafel staat nog een bord.
Een leeg bord.
Met een klein kruimeltje brood.
Je laat het liggen.
Het mag blijven.
Niets hoeft weg.
Niets hoeft anders.
De keuken is zoals hij is.
En dat is precies goed.
Buiten dooft nog een raam.
De straat wordt nog iets donkerder.
Maar binnen is het licht.
Binnen is het warm.
Binnen is het goed.
De lamp boven de tafel blijft branden.
Zacht en geel.
Hij vraagt niets van je.
Hij schijnt gewoon.
Je ogen zijn zwaar.
Nog steeds.
Op een fijne manier.
Op een manier die zegt: het is goed.
Je mag even niets doen.
Je mag even alleen maar zijn.
Je hoofd wordt zachter.
Je gedachten worden langzamer.
Ze drijven weg.
Als druppels op het raam.
Je hoeft ze niet vast te houden.
Je laat ze gaan.
Zachtjes.
De mok staat nog op tafel.
Het chipje aan de rand.
De deken ligt op je benen.
De plant groeit in de hoek.
De verwarming tikt.
De regen valt.
Alles is zoals het is.
En dat is precies goed.
Je hoeft niets te veranderen.
Je hoeft niets te weten.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
En uit.
In.
En uit.
De keuken houdt je vast.
Zachtjes.
De deken houdt je warm.
Zachtjes.
De regen zingt.
Zachtjes.
En jij bent hier.
Dat is alles.
Dat is genoeg.
De keuken is stil op een manier die niet leeg voelt.
Het is een gevulde stilte.
De stilte van een huis dat weet dat je er bent.
De stilte van een zondagavond die langzaam wegglijdt in de nacht.
Buiten is het donker.
Binnen is het warm.
De lamp boven de tafel brandt nog.
Zacht en geel.
Hij blijft gewoon.
Hij vraagt niets.
Hij geeft alleen maar licht.
Je ademt.
In.
En uit.
Je voelt je borst rustig op en neer gaan.
Je voelt de deken op je benen.
Zwaar en zacht.
De deken houdt je vast.
Niet te strak.
Net genoeg.
Op het aanrecht staat een kom.
Er zitten nog wat kruimels in.
Van het brood van vanmiddag.
Kleine korreltjes.
Ze glinsteren een beetje in het lamplicht.
Je hoeft ze niet weg te gooien.
Morgen is er weer een dag.
Morgen is er tijd genoeg.
De regen valt nog steeds.
Zachtjes tegen het raam.
Tik.
Tik.
Tik.
Soms wat harder.
Dan weer zachter.
Het ritme verandert steeds een beetje.
Nooit helemaal hetzelfde.
Nooit helemaal anders.
Je ogen zijn zwaar.
Nog steeds.
Op een fijne manier.
Je hoeft ze niet open te houden.
Je mag ze laten zakken.
Half dicht.
Helemaal dicht.
Het maakt niet uit.
De keuken blijft hier.
De lamp blijft branden.
De deken blijft warm.
De mok staat nog op tafel.
Het chipje aan de rand.
Je ziet het niet meer zo goed.
Maar je weet dat het er is.
Dat is genoeg.
Je hoeft niet alles te zien.
Je hoeft niet alles te weten.
De plant in de hoek groeit.
Langzaam.
Stil.
Hij doet gewoon zijn werk.
Blad voor blad.
Dag voor dag.
Hij vraagt niets.
Hij groeit gewoon.
De verwarming tikt.
Een klein geluid.
Regelmatig.
Als een hartslag.
Als een klok.
Maar dan zonder haast.
Zonder tijd.
Gewoon een tik.
En nog een tik.
En nog een.
Je gedachten worden langzamer.
Ze drijven weg.
Als druppels op het raam.
Ze glijden naar beneden.
Langzaam.
Ze verdwijnen.
Je hoeft ze niet vast te houden.
Je laat ze gaan.
Zachtjes.
Er is geen haast.
Er is geen moeten.
Er is alleen dit moment.
Deze keuken.
Deze warmte.
Deze stilte.
Je hoofd wordt zachter.
Je schouders zakken een beetje.
Je handen liggen stil op de deken.
Je voelt de stof.
Zacht en warm.
Je voelt je adem.
In.
En uit.
De keuken houdt je vast.
Zachtjes.
De deken houdt je warm.
Zachtjes.
De regen zingt.
Zachtjes.
En jij bent hier.
Dat is alles.
Dat is genoeg.
Buiten is het donker.
Binnen is het licht.
De lamp boven de tafel blijft branden.
Zacht en geel.
Hij vraagt niets van je.
Hij schijnt gewoon.
Je mag even niets doen.
Je mag even alleen maar zijn.
Je hoeft niets te veranderen.
Je hoeft niets te weten.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
En uit.
De regen valt.
De verwarming tikt.
De plant groeit.
De mok staat op tafel.
De deken ligt op je benen.
Alles is zoals het is.
En dat is precies goed.
Nog heel even.
Nog heel zachtjes.
De avond blijft bij je.
De keuken blijft bij je.
De warmte blijft bij je.
Je hoeft nergens heen.
Je bent al thuis.
Je bent al thuis.
De keuken is stil op een goede manier.
Niet leeg.
Niet koud.
Gewoon stil.
Zoals een kamer die naar je luistert zonder iets terug te zeggen.
De lamp boven de tafel brandt nog.
Zacht en geel.
Het licht valt op het hout van de tafel.
Het valt op de mok.
Het valt op je handen.
Alles krijgt een warme rand.
Een zachte gloed.
Alsof de dingen even rusten in het licht.
Buiten valt de regen nog steeds.
Traag.
Regelmatig.
Tegen het raam.
Tegen de dakgoot.
Tegen de wereld daarbuiten.
Binnen hoor je alleen dat geluid.
En de verwarming.
Die tikt.
Zachtjes.
Af en toe.
Alsof hij ademt.
Je voelt de deken op je benen.
De stof is zacht.
Warm.
Hij ligt er rustig.
Hij vraagt niets.
Hij houdt je gewoon vast.
Een beetje.
Je adem gaat vanzelf.
In.
En uit.
Je hoeft er niets voor te doen.
Je hoeft niets te tellen.
Je hoeft niets te sturen.
Je adem weet de weg.
Net als de regen.
Net als het licht.
De plant op de vensterbank staat stil.
Groen en rustig.
Hij groeit langzaam.
Zo langzaam dat je het niet ziet.
Maar hij groeit.
Elke dag een beetje.
Zonder haast.
Zonder geluid.
De mok staat op tafel.
Nog een beetje warm.
Je hoeft hem niet vast te houden.
Je hoeft niets te drinken.
Hij staat er gewoon.
Een klein rond ding.
In het gele licht.
Je schouders zakken nog een beetje.
Je hoofd wordt zachter.
Je handen liggen stil.
Op de deken.
Op je benen.
Ze hoeven niets te doen.
Ze mogen daar blijven.
Rustig.
Warm.
De keuken is klein.
Maar hij voelt ruim.
Er is plek voor jou.
Er is plek voor de stilte.
Er is plek voor de regen.
Alles past.
Niets dringt.
Je hoeft niet te denken aan morgen.
Je hoeft niet te denken aan gisteren.
Alleen aan nu.
Aan deze kamer.
Aan dit licht.
Aan deze adem.
In.
En uit.
De verwarming tikt.
De regen valt.
De lamp schijnt.
De deken warmt.
De plant groeit.
De mok staat.
Jij bent hier.
Dat is alles.
Dat is genoeg.
Nog heel even.
Nog heel zachtjes.
De avond blijft bij je.
De keuken blijft bij je.
De warmte blijft bij je.
Je hoeft nergens heen.
Je bent al thuis.
De regen wordt zachter.
Of je hoort hem minder.
Dat maakt niet uit.
Hij is er nog.
Zacht op het glas.
Zacht op het dak.
Zacht op de straat.
Een deken van geluid.
Over de stad.
Over het huis.
Over jou.
Je ogen mogen dicht.
Of open.
Het maakt niet uit.
Het licht is er toch.
De warmte is er toch.
De deken is er toch.
Je hoeft niets te kiezen.
Je hoeft niets te doen.
De tafel is van hout.
De stoel is van hout.
De vloer is oud.
Alles in deze keuken is al lang hier.
En jij bent hier nu.
Even.
Rustig.
Samen met de dingen.
Samen met de stilte.
Je ademt.
In.
En uit.
De lucht is warm.
De lucht is zacht.
Hij ruikt een beetje naar thee.
Naar hout.
Naar regen.
Naar huis.
De lamp blijft branden.
De regen blijft vallen.
De verwarming blijft tikken.
De plant blijft groeien.
De mok blijft staan.
De deken blijft liggen.
En jij blijft hier.
Nog heel even.
Nog heel zachtjes.
Alles is zoals het is.
En dat is precies goed.
De keuken is stil op een manier die niet leeg voelt.
De klok boven de deur tikt zachtjes verder.
Elke seconde is even rustig.
Elke seconde is even vriendelijk.
Buiten is het donker.
Binnen is het warm.
Het licht van de lamp valt op de tafel.
Op het hout.
Op je handen.
Op de mok die daar staat.
De thee is bijna op.
Dat geeft niets.
De warmte blijft nog even in je vingers.
Je kijkt naar het raam.
De regen tekent kleine lijnen op het glas.
Ze glijden langzaam naar beneden.
Soms raken ze elkaar.
Dan worden ze één lijn.
Dan gaan ze samen verder.
Zacht.
Zonder haast.
Het is zondagavond.
De stad is stil.
De straten zijn nat.
De mensen zijn binnen.
Iedereen is ergens.
Iedereen is even thuis.
Dat is een fijn idee.
Dat je niet alleen bent.
En toch helemaal alleen mag zijn.
De verwarming tikt.
Tik.
Tik.
Tik.
Een klein geluid.
Een warm geluid.
Het komt van ver.
Uit de muur.
Uit het verleden.
Uit het huis zelf.
Het huis ademt met je mee.
In.
En uit.
Je schuift een beetje op je stoel.
De stoel kraakt zacht.
Hij is oud.
Hij is sterk.
Hij draagt je al die tijd al.
Zonder klagen.
Zonder vragen.
Gewoon omdat hij daar is.
Op het aanrecht staat een schaal.
Er liggen nog twee appels in.
Rood en groen.
Ze glimmen een beetje in het licht.
Ze ruiken naar herfst.
Naar buiten.
Naar een middag die al voorbij is.
Je hoeft ze niet op te eten.
Je hoeft niets.
De plant in de hoek groeit nog steeds.
Langzaam.
Bijna onzichtbaar.
Maar hij groeit.
Elke dag een klein beetje.
Net als jij.
Net als de rust in je lichaam.
Die groeit ook.
Zachtjes.
Zonder dat je het merkt.
Je ademt weer.
In door je neus.
Uit door je mond.
De lucht is nog steeds warm.
Nog steeds zacht.
Nog steeds een beetje naar thee.
Naar hout.
Naar regen.
Naar huis.
De deken ligt over je benen.
Hij is zwaar.
Op een fijne manier.
Hij houdt je vast.
Niet te strak.
Precies goed.
Je voelt de wol.
Je voelt de warmte.
Je voelt je voeten.
Ze zijn rustig.
Ze hoeven nergens heen.
De regen valt nog.
Op het dak.
Op de straat.
Op de ramen van de buren.
Op de bomen in de tuin.
Op alles wat buiten is.
En jij bent binnen.
Veilig.
Warm.
Hier.
De lamp blijft branden.
Hij knippert niet.
Hij is geduldig.
Hij geeft licht zonder iets terug te vragen.
Dat is mooi.
Dat is genoeg.
Dat is alles wat je nu nodig hebt.
De mok staat nog op tafel.
Je kunt hem zien.
Je kunt hem bijna voelen.
De laatste slok thee is misschien koud.
Maar dat geeft niet.
De mok zelf is nog warm.
De mok zelf is nog hier.
Net als jij.
De klok tikt.
De verwarming tikt.
De regen valt.
De plant groeit.
De deken ligt.
De stoel draagt.
De tafel staat.
Alles is er.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
Nog even.
Nog heel even.
Je ogen mogen dicht.
Of open.
Het maakt niet uit.
Het licht is er toch.
De warmte is er toch.
De deken is er toch.
Je hoeft niets te kiezen.
Je hoeft niets te doen.
De keuken is van jou.
Vanavond.
Voor heel even.
De stilte is van jou.
De regen is van jou.
De rust is van jou.
En dat is precies goed.
De stilte blijft.
En jij blijft.
De keuken ademt zacht mee met jouw adem.
In.
En uit.
In.
En uit.
Er is geen haast.
Er is geen tijd die je hoeft te vullen.
De avond is lang genoeg.
De avond is van jou.
Buiten valt de regen nog steeds.
Zacht.
Regelmatig.
Als een liedje zonder woorden.
Je hoort het op het dak.
Je hoort het tegen het raam.
Tik.
Tik.
Tik.
Het is een geluid dat blijft.
Een geluid dat je niet hoeft te begrijpen.
Je hoeft alleen maar te luisteren.
Of niet.
Dat mag ook.
De lamp boven de tafel geeft een warm licht.
Geel.
Zacht.
Het licht raakt de muur.
Het licht raakt de tafel.
Het licht raakt jou.
Je huid voelt het bijna.
Die warmte is klein.
Maar hij is er.
En dat is genoeg.
De mok staat nog op tafel.
Je handen weten nog hoe hij voelt.
Warm.
Glad.
Vertrouwd.
Misschien is de thee nu helemaal koud.
Maar de mok is nog steeds van jou.
De mok is nog steeds hier.
Net als de tafel.
Net als de stoel.
Net als de deken.
De deken ligt over je benen.
Zwaar.
Zacht.
Hij houdt je vast zonder iets te vragen.
Hij beweegt niet.
Hij blijft.
Jij blijft ook.
Nog even.
Nog heel even.
De verwarming tikt.
Een klein geluid.
Een rustig geluid.
Het is een teken dat het warm is.
Dat het goed is.
Dat je binnen bent.
Dat je veilig bent.
De verwarming tikt.
En jij hoort het.
En dat is genoeg.
De plant staat bij het raam.
In het donker kun je hem bijna niet zien.
Maar je weet dat hij er is.
Hij groeit.
Langzaam.
Stil.
Hij doet niets bijzonders.
Hij is er gewoon.
Net als jij.
Net als de keuken.
Net als de avond.
De klok tikt ook.
Maar je hoeft niet te kijken.
Je hoeft niet te weten hoe laat het is.
De tijd gaat toch wel.
De tijd is geduldig.
De tijd wacht op jou.
En jij hoeft niets te doen.
Misschien denk je aan iets kleins.
Aan een kopje.
Aan een stem.
Aan een hand.
Aan een dag die voorbij is.
Dat mag.
Gedachten komen en gaan.
Als regen op het raam.
Je hoeft ze niet vast te houden.
Je hoeft ze niet weg te duwen.
Laat ze maar drijven.
Laat ze maar gaan.
De keuken is stil.
De keuken is warm.
De keuken is van jou.
Vanavond.
Voor heel even.
De lamp blijft branden.
De mok blijft staan.
De deken blijft liggen.
De regen blijft vallen.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
Je adem gaat vanzelf.
In.
En uit.
Je hoeft niets te tellen.
Je hoeft niets te zeggen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
In deze kamer.
In deze stilte.
In deze warmte.
De regen wordt zachter.
Of misschien niet.
Het maakt niet uit.
De regen is er.
En jij bent er.
Samen met de lamp.
Samen met de mok.
Samen met de deken.
Samen met de plant.
Samen met de klok.
Samen met de verwarming.
Alles is er.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
Nog even.
Nog heel even.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
De rust is van jou.
En dat is precies goed.
De regen raakt het raam nog steeds.
Zacht.
Regelmatig.
Als een hand die heel voorzichtig klopt.
Je hoeft niet open te doen.
Je hoeft niets te doen.
Het klopje is er gewoon.
En jij bent er ook.
Buiten is het donker.
De straat is leeg.
De huizen aan de overkant hebben hun gordijnen dicht.
Iemand heeft een lamp aan.
Een klein geel lichtje achter het glas.
Ver weg.
Dichtbij genoeg om te zien.
Ver genoeg om rustig te blijven.
In de keuken is het licht zacht.
De lamp boven de tafel geeft een warme gloed.
De mok staat nog op het aanrecht.
De thee is allang koud.
Dat geeft niets.
De mok is er.
Dat is genoeg.
De deken ligt over je benen.
Hij is zacht.
Hij is warm.
Hij ruikt een beetje naar thuis.
Naar wasmiddel.
Naar rust.
Je hoeft hem niet op te tillen.
Je hoeft hem niet recht te leggen.
Laat hem maar liggen.
Laat alles maar liggen.
De plant op de vensterbank beweegt niet.
Toch lijkt hij te ademen.
Heel langzaam.
Heel stil.
Groen in het lamplicht.
Groen in de avond.
Hij blijft.
Net als jij.
De klok tikt.
Tik.
Tik.
Tik.
Elk tikje is een klein beetje tijd.
Tijd die langzaam wegglijdt.
Je hoeft de tijd niet te vangen.
Je hoeft hem niet te tellen.
Laat de tijd maar gaan.
Laat de tijd maar tikken.
Jij blijft hier.
In deze kamer.
In deze warmte.
De verwarming maakt een zacht geluid.
Een soort ruisen.
Een soort zuchten.
Alsof de kamer zelf ademt.
In.
En uit.
In.
En uit.
Je adem gaat mee.
Zonder dat je het merkt.
Zonder dat je het hoeft te doen.
De regen wordt zachter.
Of misschien niet.
Het maakt niet uit.
De regen is er.
En jij bent er.
Samen met de lamp.
Samen met de mok.
Samen met de deken.
Samen met de plant.
Samen met de klok.
Samen met de verwarming.
Alles is er.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
Je handen liggen op de deken.
Ze zijn warm.
Ze zijn stil.
Je hoeft ze niet te bewegen.
Je hoeft niets vast te houden.
Je hoeft niets los te laten.
Laat je handen maar rusten.
Laat je schouders maar zakken.
Laat je adem maar gaan.
In.
En uit.
De keuken is stil.
De keuken is warm.
De keuken is van jou.
Vanavond.
Voor heel even.
De lamp blijft branden.
De mok blijft staan.
De deken blijft liggen.
De regen blijft vallen.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
Buiten fietst iemand voorbij.
Je hoort het bijna niet.
Een zacht geruis op het natte asfalt.
Dan is het weer stil.
De straat is weer leeg.
De avond is weer van jou.
De geur van thee hangt nog in de kamer.
Zwak.
Zoet.
Warm.
Je hoeft niets te drinken.
Je hoeft niets te doen.
De geur is er.
Dat is genoeg.
Net als de lamp.
Net als de deken.
Net als de regen.
Je ogen zijn zwaar.
Misschien.
Een beetje.
Dat is goed.
Dat is precies goed.
Je hoeft niet wakker te blijven.
Je hoeft niet te slapen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
In deze kamer.
In deze stilte.
In deze warmte.
De regen valt.
De klok tikt.
De verwarming zucht.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De deken is zacht.
De lamp is warm.
En jij bent er.
Nog even.
Nog heel even.
Alles is er.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
De rust is van jou.
En dat is precies goed.
De thee is koud geworden.
Dat geeft niets.
Koud is ook goed.
De mok staat nog op tafel.
Met een klein beetje thee erin.
Je laat hem staan.
Hij mag daar blijven.
Alles mag blijven zoals het is.
Buiten is het donker nu.
Echt donker.
De ramen zijn zwart.
Alleen de lamp in de keuken geeft licht.
Zacht geel licht.
Het valt op het aanrecht.
Op de tafel.
Op jouw handen.
Je handen liggen stil.
Ze hoeven niets te doen.
De regen is zachter geworden.
Bijna geen geluid meer.
Alleen af en toe een druppel.
Tegen het raam.
Tik.
Dan stilte.
Tik.
Dan weer stilte.
De regen heeft geen haast.
Jij ook niet.
De verwarming zucht nog een keer.
Een diep geluid.
Alsof hij tevreden is.
Alsof hij zegt: het is goed zo.
De warmte blijft in de kamer.
Ze trekt langzaam door de ruimte.
Langs de tafel.
Langs de stoel.
Langs jou.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De lucht is warm.
Een beetje vochtig van de thee.
Een beetje zoet.
Je ruikt het nog steeds.
Zwak.
Maar het is er.
Net als de lamp.
Net als de deken.
Net als de regen.
Alles is er.
Alles blijft.
Op het aanrecht ligt een theedoek.
Hij is niet recht.
Hij is niet scheef.
Hij ligt gewoon.
Zoals hij ligt.
Dat is goed.
De theedoek hoeft niets te doen.
Jij ook niet.
De klok tikt.
Dezelfde tik.
Elke seconde.
Rustig.
Regelmatig.
Als een hartslag.
Als een ademhaling.
De klok is er.
De klok blijft.
Net als jij.
Je kijkt naar de plant.
Hij staat bij het raam.
Groen.
Stil.
De bladeren bewegen niet.
Er is geen wind.
Alleen regen.
Alleen warmte.
Alleen licht.
De plant is groen.
Dat is genoeg.
Dat is precies goed.
Misschien denk je aan niets.
Misschien denk je aan alles.
Het maakt niet uit.
Gedachten komen.
Gedachten gaan.
Ze zijn zacht.
Ze zijn niet belangrijk.
Je laat ze gaan.
Zoals de regen.
Zoals de thee.
Zoals de dag.
De dag is bijna voorbij.
Zondagavond.
De week komt eraan.
Maar niet nu.
Nu is het nog zondag.
Nu is het nog avond.
Nu is het nog stil.
De week mag wachten.
De week heeft geen haast.
Jij ook niet.
Je handen liggen nog steeds stil.
Je voelt de deken.
Zacht.
Warm.
Hij ligt over je benen.
Over je knieën.
Over je voeten.
De deken houdt je vast.
Niet te strak.
Niet te los.
Precies goed.
De lamp is warm.
Het licht is zacht.
Het valt op de muur.
Op de tafel.
Op de mok.
De mok staat stil.
De mok is leeg.
Bijna leeg.
Dat is goed.
Leeg is ook goed.
Buiten fietst niemand meer.
De straat is leeg.
De straat is stil.
De straat is van jou.
Net als de keuken.
Net als de stilte.
Net als de rust.
De regen valt.
De klok tikt.
De verwarming zucht.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De deken is zacht.
De lamp is warm.
En jij bent er.
Nog even.
Nog heel even.
Je ogen zijn zwaar.
Misschien.
Een beetje.
Dat is goed.
Dat is precies goed.
Je hoeft niet wakker te blijven.
Je hoeft niet te slapen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
In deze kamer.
In deze stilte.
In deze warmte.
Alles is er.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
De rust is van jou.
En dat is precies goed.
Nog heel even.
Nog heel even zo.
De regen.
De klok.
De verwarming.
De plant.
De mok.
De deken.
De lamp.
En jij.
Samen.
In deze kamer.
In deze stilte.
In deze warmte.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
De regen blijft vallen.
Zacht.
Regelmatig.
Als een deken die over de stad ligt.
De keuken is nog steeds warm.
De lamp nog steeds aan.
Het licht valt op de tafel.
Op de mok.
Op je handen.
Je handen liggen stil.
Dat is goed.
Stil is goed.
Ergens in huis tikt de klok.
Je hoort het niet altijd.
Maar nu wel.
Tik.
Tik.
Tik.
Elke tik is een klein moment.
Een klein beetje tijd.
Dat voorbijgaat.
Rustig.
Zonder haast.
De verwarming zucht nog een keer.
Een diep geluid.
Een warm geluid.
Alsof het huis ademt.
In.
En uit.
In.
En uit.
De plant staat bij het raam.
Groen.
Stil.
Hij groeit niet vanavond.
Hij rust.
Net als jij.
Net als alles.
Buiten is de straat nog leeg.
Geen fietsers.
Geen auto's.
Geen stemmen.
Alleen de regen.
Alleen het licht van de straatlantaarn.
Dat zachtjes schijnt op het natte asfalt.
De wereld is klein vanavond.
Klein en zacht.
De keuken.
De tafel.
De mok.
De deken.
De lamp.
En jij.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je hoeft niets te zeggen.
Je mag gewoon zitten.
Of liggen.
Of hangen.
Wat je maar wilt.
De stoel is zacht.
De deken is warm.
De mok is leeg.
Maar dat geeft niet.
Leeg is ook goed.
Leeg is rustig.
Misschien denk je aan iets kleins.
Aan de geur van brood.
Aan een liedje.
Aan een stem.
Dat is goed.
Laat het komen.
Laat het gaan.
Net als de regen.
Net als de tijd.
De klok tikt verder.
De verwarming zucht verder.
De regen valt verder.
Alles gaat door.
Zachtjes.
Traag.
Zonder haast.
Jouw adem gaat ook door.
In.
En uit.
In.
En uit.
Je hoeft er niets voor te doen.
Je lichaam weet het.
Je lichaam kent de rust.
De lamp is warm.
De deken is zacht.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
De rust is van jou.
Nog even.
Nog heel even.
Je ogen zijn zwaar.
Dat is goed.
Dat is precies goed.
Je hoeft niet wakker te blijven.
Je hoeft niet te slapen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
In deze kamer.
In deze stilte.
In deze warmte.
De regen valt.
De klok tikt.
De verwarming zucht.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De deken is zacht.
De lamp is warm.
En jij bent er.
Alles is er.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
De keuken is stil.
De stad is stil.
De wereld is stil.
En jij bent een deel van die stilte.
Een warm deel.
Een rustig deel.
Nog heel even.
Nog heel even zo.
De regen.
De klok.
De verwarming.
De plant.
De mok.
De deken.
De lamp.
En jij.
Samen.
In deze kamer.
In deze stilte.
In deze warmte.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
Alles is precies goed.
De regen tikt zacht tegen het raam.
Soms iets sneller, dan weer langzamer.
Het ritme verandert nooit echt.
Het blijft rustig.
Het blijft vriendelijk.
Buiten is het donker.
Binnen is het warm.
De lamp brandt nog.
De deken ligt over je heen.
De mok staat stil op tafel.
De plant is groen.
De klok tikt.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je hoeft alleen maar hier te zijn.
Hier in deze keuken.
Hier in deze stilte.
Hier in deze warmte.
De verwarming zucht weer.
Een zacht geluid.
Een geluid dat je kent.
Het is er altijd.
Het is er elke zondagavond.
Het is er als je stil bent.
Het is er als je rust.
De regen valt.
De klok tikt.
De verwarming zucht.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De deken is zacht.
De lamp is warm.
Alles is er.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
Misschien beweegt je hand een klein beetje.
Misschien niet.
Het maakt niet uit.
Alles mag.
Niets moet.
De keuken is stil.
De stad is stil.
De wereld is stil.
En jij bent een deel van die stilte.
Een warm deel.
Een rustig deel.
Je ademt.
In.
En uit.
Langzaam.
Zacht.
Je lichaam kent de rust.
Je lichaam weet wat het moet doen.
Je hoeft het niet te vertellen.
Je hoeft het niet te sturen.
Het gaat vanzelf.
De regen valt.
De klok tikt.
De verwarming zucht.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De deken is zacht.
De lamp is warm.
Nog even.
Nog heel even.
Je ogen zijn zwaar.
Dat is goed.
Dat is precies goed.
Je hoeft niet wakker te blijven.
Je hoeft niet te slapen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
In deze kamer.
In deze stilte.
In deze warmte.
De tafel is oud.
Het hout is donker.
Het voelt glad onder je vingers.
Je hoeft het niet aan te raken.
Je weet dat het er is.
Dat is genoeg.
De stoel is stevig.
De zitting is zacht.
Je zit er al een tijdje.
Je lichaam past er precies in.
De stoel houdt je vast.
Zacht.
Veilig.
De mok is leeg nu.
Of bijna leeg.
Dat maakt niet uit.
De mok staat er nog.
De mok blijft.
De mok is een klein rustpunt in de kamer.
De plant groeit langzaam.
Je ziet het niet.
Maar hij groeit.
Elke dag een klein beetje.
Stil.
Geduldig.
Net als jij.
De regen valt.
De klok tikt.
De verwarming zucht.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De deken is zacht.
De lamp is warm.
En jij bent er.
Alles is er.
Alles blijft.
En jij blijft ook.
De keuken is stil.
De stad is stil.
De wereld is stil.
En jij bent een deel van die stilte.
Een warm deel.
Een rustig deel.
Nog heel even.
Nog heel even zo.
De regen.
De klok.
De verwarming.
De plant.
De mok.
De deken.
De lamp.
En jij.
Samen.
In deze kamer.
In deze stilte.
In deze warmte.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
De regen wordt zachter.
Of je hoort het minder.
Dat maakt niet uit.
Het ritme blijft.
Het blijft rustig.
Het blijft vriendelijk.
De lamp is warm.
De deken is zacht.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
De rust is van jou.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je hoeft alleen maar hier te zijn.
Hier in deze keuken.
Hier in deze stilte.
Hier in deze warmte.
De verwarming zucht.
De klok tikt.
De regen valt.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De deken is zacht.
De lamp is warm.
En jij bent er.
Nog even.
Nog heel even.
De verwarming zucht nog een keer.
Zacht.
Traag.
Alsof hij tevreden is.
Alsof hij weet dat het goed is zo.
De klok tikt.
Tik.
Tik.
Tik.
Elk tikje is hetzelfde.
Elk tikje is rustig.
Elk tikje zegt: je bent hier.
Je bent nu hier.
Er is niets anders nodig.
De regen is bijna weg.
Alleen een laatste druppel tegen het raam.
Dan stilte.
Echte stilte.
De stilte na de regen.
Die is nog zachter.
Nog vriendelijker.
De keuken ruikt nog naar warmte.
Naar thee.
Naar hout.
Naar iets van vroeger.
Iets bekends.
Iets veiligs.
De plant staat bij het raam.
Groen.
Stil.
Hij groeit niet vanavond.
Hij rust ook.
Alles rust vanavond.
Alles mag rusten.
De mok staat op tafel.
Leeg nu.
Maar nog warm.
Je handen zijn nog warm.
Van de mok.
Van de deken.
Van de kamer.
De deken ligt over je benen.
Zacht.
Zwaar.
Aangenaam.
Hij houdt je vast.
Niet te strak.
Precies goed.
De lamp geeft licht.
Geen fel licht.
Zacht licht.
Warm licht.
Licht dat niets hoeft te verklaren.
Licht dat gewoon is.
Buiten is het donker.
Maar niet koud.
Niet eng.
Gewoon donker.
Rustig donker.
Het donker van een zondagavond in Groningen.
Het donker dat hoort bij warme kamers en zachte lampen.
De straat is leeg.
De huizen zijn stil.
Hier en daar een raam met licht.
Mensen binnen.
Mensen thuis.
Net als jij.
Iedereen rust.
Iedereen is even stil.
Je ademt.
In.
Uit.
In.
Uit.
Je adem is rustig.
Je adem is zacht.
Je adem past bij de klok.
Bij de verwarming.
Bij de stilte.
Je hoeft niet te denken aan morgen.
Morgen komt vanzelf.
Morgen is nog ver.
Morgen is nog niet hier.
Nu is alleen nu.
Nu is alleen deze keuken.
Deze warmte.
Deze stilte.
De verwarming zucht weer.
De klok tikt weer.
Tik.
Tik.
Tik.
Het ritme blijft.
Het ritme is vriendelijk.
Het ritme zegt: alles is goed.
Alles is precies goed.
De plant is groen.
De mok staat stil.
De deken is zacht.
De lamp is warm.
De regen is weg.
De stilte is hier.
Jij bent hier.
Nog even.
Nog heel even zo.
Je ogen mogen zwaar worden.
Dat is goed.
Dat is rustig.
Dat is veilig.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
De rust is van jou.
Niemand neemt dat weg.
Niemand hoeft iets van je.
Je bent hier.
Dat is genoeg.
De verwarming wordt stiller.
Of je hoort hem minder.
Dat maakt niet uit.
De warmte blijft.
De warmte is er.
De warmte blijft bij je.
De klok tikt nog.
Maar zachter nu.
Of verder weg.
Dat maakt niet uit.
De tijd gaat rustig.
De tijd gaat vriendelijk.
De tijd laat je met rust.
Je voelt de deken.
Je voelt de lamp.
Je voelt de kamer.
Je voelt de stilte.
Alles is zacht.
Alles is warm.
Alles is goed.
Nog even.
Nog heel even.
De keuken blijft.
De warmte blijft.
De rust blijft.
En jij blijft.
Hier.
In deze stilte.
In deze warmte.
In deze zachte, stille zondagavond in Groningen.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
De deken ligt over je benen.
De lamp geeft een klein, warm licht.
Buiten is het stil.
Binnen is het stil.
Alles is zacht.
De keuken ruikt nog naar thee.
Een klein beetje.
Misschien naar brood.
Misschien naar niets.
Dat maakt niet uit.
De geur is warm.
De geur is vertrouwd.
De geur blijft nog even hangen.
Je handen liggen rustig.
Op je schoot.
Of op de tafel.
Je hoeft ze niet te bewegen.
Je hoeft niets vast te houden.
Je hoeft niets te doen.
Je handen mogen gewoon daar zijn.
Warm en stil.
De klok tikt nog.
Zachter nu.
Of verder weg.
Dat maakt niet uit.
De tijd gaat rustig.
De tijd gaat vriendelijk.
De tijd laat je met rust.
De verwarming is stil.
Of je hoort hem minder.
Dat maakt niet uit.
De warmte blijft.
De warmte is er.
De warmte blijft bij je.
Buiten is het donker.
Zondagavond in Groningen.
De straten zijn leeg.
De ramen zijn donker.
Mensen zijn thuis.
Of ze slapen al.
Of ze zitten ook stil.
Dat is een fijn idee.
Dat iedereen rustig is.
Dat de stad zacht is.
Dat de avond zacht is.
De regen is gestopt.
Of hij is er nog.
Heel zacht.
Tegen het raam.
Dat maakt niet uit.
De regen is vriendelijk.
De regen is rustig.
De regen blijft buiten.
Jij blijft binnen.
Warm en veilig.
Je ogen mogen zwaar worden.
Dat is goed.
Dat is rustig.
Dat is veilig.
Je hoeft niet wakker te blijven.
Je hoeft niets te missen.
Er is niets dat je moet zien.
Er is niets dat je moet horen.
Alles is al goed.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
De rust is van jou.
Niemand neemt dat weg.
Niemand hoeft iets van je.
Je bent hier.
Dat is genoeg.
De lamp brandt zacht.
Het licht valt op de tafel.
Op de muur.
Op de deken.
Het licht is warm.
Het licht is stil.
Het licht blijft bij je.
Je voelt de deken.
Je voelt de lamp.
Je voelt de kamer.
Je voelt de stilte.
Alles is zacht.
Alles is warm.
Alles is goed.
Misschien denk je aan iets kleins.
Aan een kopje.
Aan een boek.
Aan een stem.
Dat is goed.
Laat het komen.
Laat het gaan.
Het hoeft niets te betekenen.
Het mag gewoon langskomen.
Zacht en rustig.
De keuken blijft.
De warmte blijft.
De rust blijft.
En jij blijft.
Hier.
In deze stilte.
In deze warmte.
In deze zachte, stille zondagavond in Groningen.
Nog even.
Nog heel even.
Je adem gaat vanzelf.
In en uit.
In en uit.
Je hoeft niets te doen.
Je adem weet de weg.
Je hart weet de weg.
Je bent hier.
Dat is genoeg.
De nacht is stil.
De stad is stil.
De keuken is stil.
Jij bent stil.
Alles is precies goed.
Alles is precies zoals het moet zijn.
Nog even.
Nog heel even zo.
De deken is warm.
De lamp is warm.
De kamer is warm.
De stilte is warm.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag loslaten.
Je mag rusten.
De tijd gaat rustig.
De tijd gaat vriendelijk.
De tijd laat je met rust.
De klok tikt nog.
Zachter nu.
Of verder weg.
Dat maakt niet uit.
De warmte blijft.
De rust blijft.
De stilte blijft.
En jij blijft.
Hier.
In deze zachte, stille zondagavond in Groningen.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
De keuken ademt zacht.
Het licht van de lamp valt op het aanrecht.
Op de tafel.
Op de lege stoel naast je.
De stoel is leeg en dat is goed.
De stoel wacht rustig.
Alles wacht rustig.
Buiten is het donker.
De ramen zijn zwart en zacht.
Soms glinstert er iets.
Een klein lichtje in de verte.
Een straatlantaarn.
Een raam van een huis verderop.
Iemand anders is ook wakker.
Iemand anders zit ook stil.
Dat is een fijn idee.
Je bent alleen en toch niet alleen.
De regen is gestopt.
Of misschien regent het nog.
Je hoort het niet meer.
Het maakt niet uit.
De lucht is zacht.
De lucht is stil.
De lucht rust boven de stad.
Boven de daken.
Boven de straten.
Boven jou.
Je handen liggen op tafel.
Ze zijn warm.
Je voelt de tafel onder je vingers.
Het hout is glad.
Het hout is oud.
Het hout heeft veel meegemaakt.
Veel etenswaren.
Veel gesprekken.
Veel stille avonden zoals deze.
De tafel blijft.
De tafel is geduldig.
De deken ligt over je schouders.
Hij is zacht.
Hij is warm.
Hij ruikt naar thuis.
Na wasmiddel.
Na rust.
Je trekt hem iets dichter om je heen.
Dat mag.
Dat is goed.
Je mag jezelf warm houden.
De klok tikt nog steeds.
Tik.
Tik.
Tik.
Maar het geluid is ver weg.
Het is niet belangrijk.
De tijd doet wat de tijd doet.
Jij hoeft niets met de tijd.
Jij mag gewoon zijn.
Hier.
In deze keuken.
In deze warme stilte.
Je adem gaat vanzelf.
In en uit.
In en uit.
Je hoeft er niets aan te doen.
Je adem kent de weg.
Je adem weet precies waar hij moet zijn.
In je borst.
In je buik.
In je hele lichaam.
Zacht.
Rustig.
Regelmatig.
Je hart klopt.
Zacht.
Rustig.
Het klopt al je hele leven.
Het klopt zonder dat je eraan denkt.
Het hart weet de weg.
Het hart is geduldig.
Het hart blijft kloppen.
In en uit.
Op en neer.
Dag en nacht.
Het hart rust nooit helemaal.
Maar het hart is rustig.
Net als jij.
De keuken is stil.
De lamp is warm.
De deken is zacht.
De stoel is leeg.
De tafel is geduldig.
De klok tikt.
De regen is weg.
Of niet.
Het maakt niet uit.
Alles is goed.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag ze open laten.
Het maakt niet uit.
Je mag kijken naar het licht.
Naar de schaduwen op de muur.
Naar de kleine dingen in de keuken.
De theepot.
Het kopje.
De lege stoel.
Alles is precies goed.
De warmte blijft.
De rust blijft.
De stilte blijft.
En jij blijft.
Hier.
In deze keuken.
In deze zachte, stille zondagavond in Groningen.
Nog even.
Nog heel even.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je bent hier.
Dat is genoeg.
Dat is altijd genoeg.
De nacht is stil.
De stad is stil.
De keuken is stil.
Jij bent stil.
Alles is precies goed.
Alles is precies zoals het moet zijn.
De tijd gaat rustig.
De tijd gaat vriendelijk.
De tijd laat je met rust.
De klok tikt nog.
Zachter nu.
Of verder weg.
Dat maakt niet uit.
De warmte blijft.
De rust blijft.
De stilte blijft.
En jij blijft.
Hier.
In deze zachte, stille zondagavond in Groningen.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
De keuken ademt zacht.
Het licht van de lamp is warm en laag.
Buiten is het donker, maar niet koud.
De regen tikt nog steeds tegen het raam.
Zacht en regelmatig.
Als een liedje dat je niet hoeft te kennen.
Je handen rusten op tafel.
Ze zijn stil.
Ze hoeven niets vast te houden.
De tafel is oud en glad.
Je voelt de houtnerf onder je vingers.
Koud is het niet.
De warmte van de kamer zit erin.
De warmte van de thee.
De warmte van jou.
De theepot staat nog op tafel.
Hij is leeg nu.
Of bijna leeg.
Dat maakt niet uit.
Hij staat er goed.
Het kopje ernaast is leeg.
Ook goed.
De lege stoel aan de andere kant van de tafel is nog steeds leeg.
En nog steeds goed.
Je kijkt naar het raam.
De regen loopt in dunne streepjes naar beneden.
Soms snel.
Soms langzaam.
Soms blijft een druppel even hangen.
Dan glijdt hij verder.
Er is geen haast.
De regen heeft geen haast.
Jij ook niet.
De klok tikt.
Je hoort het nog.
Ver weg.
Of dichtbij.
Dat wisselt.
Soms hoor je hem duidelijk.
Soms vergeet je hem.
Dan tikt hij weer.
Zacht.
Vriendelijk.
De klok doet geen moeite.
Hij tikt gewoon.
En jij hoeft niets.
De keuken ruikt nog naar thee.
Een beetje zoet.
Een beetje warm.
De geur blijft hangen.
In de lucht.
In de gordijnen.
In je kleren.
Je ruikt het als je ademt.
Rustig in.
Rustig uit.
De geur gaat mee.
Naar binnen.
Naar buiten.
Naar binnen.
De muur naast je is wit.
Of bijna wit.
Het licht valt er zacht op.
Er zijn kleine schaduwen.
Van de theepot.
Van het kopje.
Van jouw hand.
De schaduwen bewegen bijna niet.
Ze blijven.
Net als jij.
Je voelt de deken om je schouders.
Hij is zacht.
Hij is warm.
Hij is precies goed.
Je trekt hem iets dichterbij.
Niet omdat het koud is.
Gewoon omdat het fijn is.
De deken ruikt schoon.
Naar wasmiddel.
Naar thuis.
Buiten is de straat stil.
Geen auto's.
Geen voetstappen.
Geen stemmen.
Alleen de regen.
En de wind.
Heel zacht.
De wind raakt het raam.
Dan gaat hij verder.
De stad is stil.
De hele stad is stil.
Groningen slaapt bijna.
Maar niet helemaal.
Jij bent nog wakker.
En dat is goed.
Je hoeft niet te slapen.
Je hoeft niet wakker te blijven.
Je hoeft alleen maar hier te zijn.
In deze keuken.
In deze stoel.
Met deze deken.
Met deze thee.
Met deze stilte.
De tijd gaat rustig.
De tijd gaat vriendelijk.
De tijd laat je met rust.
De minuten gaan voorbij.
Of ze gaan niet voorbij.
Dat maakt niet uit.
De tijd is niet belangrijk nu.
Alleen dit moment.
Alleen deze keuken.
Alleen jij.
De warmte blijft.
De rust blijft.
De stilte blijft.
En jij blijft.
Hier.
In deze zachte, stille zondagavond in Groningen.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
Nog even.
Nog heel even.
Je mag je ogen sluiten.
Of open laten.
Het maakt niet uit.
De keuken blijft.
De warmte blijft.
De rust blijft.
En jij blijft.
Hier.
Precies hier.
Precies goed.
De thee is bijna op.
Dat is goed.
De bodem van het kopje is warm.
Je handen zijn warm.
Alles is zacht.
Buiten is het stil.
De regen is gestopt.
Of misschien regent het nog.
Het maakt niet uit.
Je hoort het niet meer.
Je hoort alleen je adem.
Rustig.
Traag.
Zacht.
De keuken is donker.
Alleen een klein licht.
Een klein warm licht.
Het licht blijft.
Het licht is geduldig.
Het licht wacht op je.
Je ogen worden zwaar.
Dat is goed.
Zwaar is goed.
Zwaar betekent rust.
Zwaar betekent bijna slapen.
De deken ligt op je benen.
De deken is warm.
De deken is zacht.
De deken blijft bij je.
De deken laat je niet los.
Je ademt in.
Je ademt uit.
In.
Uit.
Langzaam.
Rustig.
Er is geen haast.
Er is nooit haast geweest.
Niet hier.
Niet nu.
De stoel houdt je vast.
De stoel is stevig.
De stoel is vriendelijk.
Je hoeft niet te bewegen.
Je hoeft niets te doen.
De klok tikt.
Of de klok tikt niet.
Je weet het niet meer.
Het is niet belangrijk.
Tijd is niet belangrijk.
Alleen dit moment.
Alleen deze warmte.
Je denkt aan niets.
Of je denkt aan iets kleins.
Aan de geur van brood.
Aan de kleur van het licht.
Aan de stilte om je heen.
Het is allemaal zacht.
De keuken is een plek.
Een echte plek.
In Groningen.
Op zondagavond.
En jij bent er.
Jij hoort er.
Jij past hier.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
Je hoeft niets te veranderen.
Je hoeft niets te zeggen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Je ogen vallen bijna dicht.
Dat is goed.
Laat ze maar gaan.
Laat ze maar zwaar worden.
Laat ze maar rusten.
De warmte blijft.
De rust blijft.
De stilte blijft.
En jij blijft.
Hier.
In deze keuken.
In deze stoel.
Met deze deken.
Met deze thee.
Met deze stilte.
Nog even.
Nog heel even.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag ze open laten.
Het maakt niet uit.
De keuken blijft.
De warmte blijft.
De rust blijft.
En jij blijft.
Hier.
Precies hier.
Precies goed.
De regen is weg.
De stad is stil.
De wereld is zacht.
En jij bent zacht.
Je bent deel van de stilte.
Je bent deel van de rust.
Je bent deel van deze warme zondagavond.
De thee is op.
Het kopje is leeg.
Maar je handen zijn nog warm.
Je hart is rustig.
Je adem is traag.
Je hoeft niet te slapen.
Je hoeft niet wakker te blijven.
Je hoeft alleen maar hier te zijn.
In deze keuken.
In deze stoel.
Met deze deken.
Met deze stilte.
Alles is goed.
Alles is precies goed.
Nog even.
Nog heel even.
De keuken blijft.
De warmte blijft.
De rust blijft.
En jij blijft.
Hier.
Precies hier.
Precies goed.
De stilte is nu diep.
De stilte is nu zacht.
De stilte is nu alles.
En jij bent er.
In de stilte.
In de warmte.
In de rust.
Laat maar gaan.
Laat maar komen.
Het is goed.
Het is allemaal goed.
Aanpassen
Tekst
Modus
Audio
Pauze