

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Buiten valt de regen zacht tegen het raam.
Binnen is het stil en warm.
Je ligt onder een zachte deken.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
De kamer is rustig.
Het licht is gedempt.
Een klein lampje brandt naast je.
Het geeft een warme gloed.
Alles is veilig.
Alles is kalm.
De regen tikt zacht op het glas.
Soms sneller, dan weer langzamer.
Het klinkt als een liedje zonder woorden.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je mag gewoon hier zijn.
Onder de deken.
In deze kamer.
Met de regen.
Met je adem.
Je ademt in door je neus.
Rustig.
Je ademt uit door je mond.
Nog rustiger.
Je schouders zakken een beetje.
Je voelt het matras onder je.
Zacht en stevig.
De deken ligt licht op je lichaam.
Precies goed.
Niet te warm.
Niet te koud.
Gewoon goed.
Buiten is het donker.
De lucht is grijs en vol regen.
De straten zijn nat.
De ramen glinsteren.
Maar jij bent binnen.
In je kamer.
In het zachte licht.
Bij de regen.
Je bent veilig.
Je bent rustig.
Je bent hier.
De kamer ruikt naar iets bekends.
Misschien een beetje naar hout.
Een beetje naar schone was.
Een beetje naar thee van lang geleden.
Het is een fijne geur.
Een geur die je kent.
Een geur die blijft.
Je ademt hem in.
Langzaam.
Diep.
En je ademt hem weer uit.
Je ogen zijn zwaar.
Dat is goed.
Je mag ze sluiten.
Even maar.
Of langer.
Dat maakt niet uit.
De regen blijft.
Het licht blijft.
De deken blijft.
Jij blijft.
Alles is goed zoals het is.
In de verte hoor je een geluid.
Misschien een fiets.
Misschien een auto.
Het maakt niet uit.
Het geluid komt en gaat.
Zachtjes.
Het raakt je niet.
Je blijft in je kamer.
In je deken.
In je adem.
Alles is rustig.
Alles is zacht.
De regen valt nog steeds.
Traag en gelijkmatig.
Het ritme is rustig.
Het ritme is veilig.
Je hoeft niet te tellen.
Je hoeft niet te wachten.
Je hoeft alleen maar te luisteren.
Naar de regen.
Naar je adem.
Naar de stilte tussen de druppels.
Je hand ligt op de deken.
Je voelt de stof.
Zacht en warm.
Je vingers zijn ontspannen.
Je arm is zwaar.
Maar niet te zwaar.
Gewoon zwaar genoeg.
Je laat je hand liggen.
Je hoeft hem niet te bewegen.
Hij is goed waar hij is.
Ergens in de stad glijdt een bootje door het water.
Langzaam.
Zachtjes.
Door de grachten van Leiden.
Maar dat is ver weg.
Jij bent hier.
In je kamer.
In je deken.
In je adem.
En dat is genoeg.
Dat is precies genoeg.
De regen wordt stiller.
Of misschien word jij stiller.
Het maakt niet uit.
Het is allebei goed.
De kamer is warm.
Het licht is zacht.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Je bent veilig.
Je bent rustig.
Je mag blijven.
Je mag blijven.
Je mag hier liggen.
De deken ligt over je heen.
De stof is zacht.
Je voelt hem bij je kin.
Je voelt hem bij je handen.
Hij is warm.
Hij is rustig.
Hij beweegt niet.
Jij hoeft ook niet te bewegen.
Buiten valt de regen nog steeds.
Traag en gelijkmatig.
Hetzelfde ritme als daarnet.
Hetzelfde zachte geluid.
Je hoeft niet te tellen.
Je hoeft niet te wachten.
Je hoeft alleen maar te luisteren.
Naar de regen.
Naar je adem.
Naar de stilte tussen de druppels.
Het bootje glijdt door het water.
Ver weg.
In de grachten van Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
Het water is donker.
Het water is stil.
De boot maakt kleine rimpels.
Kleine golfjes.
Ze verdwijnen meteen weer.
Het water wordt weer vlak.
Alles wordt weer rustig.
Ergens langs de gracht staat een oude boom.
Zijn takken hangen over het water.
De bladeren zijn nat.
Ze glinsteren een beetje in het zachte licht.
Een druppel valt van een blad.
Hij valt in het water.
Een klein geluid.
Dan is het weer stil.
Het bootje gaat verder.
Langzaam.
Zachtjes.
Het heeft geen haast.
Het hoeft nergens te zijn.
Het mag gewoon drijven.
Het mag gewoon zijn.
Net als jij.
Jij hoeft ook nergens te zijn.
Je mag gewoon liggen.
Je mag gewoon ademen.
De regen valt op het water.
Kleine kringen.
Ze komen en gaan.
Ze komen en gaan.
Het ritme is rustig.
Het ritme is veilig.
Je hoeft niet te tellen.
Je hoeft niet te wachten.
Je hoeft alleen maar te luisteren.
Naar de regen.
Naar je adem.
Naar de stilte tussen de druppels.
Je hand ligt op de deken.
Je voelt de stof.
Zacht en warm.
Je vingers zijn ontspannen.
Je arm is zwaar.
Maar niet te zwaar.
Gewoon zwaar genoeg.
Je laat je hand liggen.
Je hoeft hem niet te bewegen.
Hij is goed waar hij is.
De kamer is warm.
Het licht is zacht.
Misschien komt het van een lamp.
Misschien van buiten.
Het maakt niet uit.
Het is zacht.
Het is rustig.
Het blijft zo.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Het bootje is nu verder.
Het glijdt onder een brug door.
De brug is oud.
De stenen zijn nat.
Ze glinsteren een beetje.
Aan de andere kant van de brug is het water weer open.
Het water is rustig.
Het water is stil.
Het bootje gaat verder.
Langzaam.
Zachtjes.
Jij bent hier.
In je kamer.
In je deken.
In je adem.
Dat is genoeg.
Dat is precies genoeg.
De regen wordt stiller.
Of misschien word jij stiller.
Het maakt niet uit.
Het is allebei goed.
Je bent veilig.
Je bent rustig.
Je mag blijven.
Je mag blijven.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
De deken ligt om je heen.
Zacht en warm.
Je voelt de stof tegen je huid.
Je voelt de warmte.
Het is goed zo.
Het bootje glijdt verder.
Langzaam.
Het water draagt het.
Het water is stil.
Het water beweegt bijna niet.
Alleen kleine rimpels.
Kleine golfjes.
Ze tikken zacht tegen de zijkant van het bootje.
Tik.
Tik.
Heel zacht.
Bijna geen geluid.
Gewoon een zacht tikken.
Je hoort het bijna niet.
Maar het is er.
Het is rustig.
Boven het water hangt licht.
Zacht licht.
Het komt van de lucht.
De lucht is grijs en zacht.
Geen felle zon.
Geen hard licht.
Alleen zacht grijs.
Het licht valt op het water.
Het water glanst een beetje.
Niet fel.
Niet scherp.
Gewoon zacht.
Het licht raakt ook de huizen langs de gracht.
De huizen zijn oud.
Ze staan dicht bij elkaar.
Ze kijken uit over het water.
Ze zijn stil.
Alles is stil.
Het bootje gaat verder.
Het glijdt langs een muur.
De muur is van steen.
De stenen zijn nat van de regen.
Ze glinsteren een beetje.
Heel even.
Dan niet meer.
Het bootje gaat verder.
Geen haast.
Geen doel.
Gewoon verder.
Dat is genoeg.
Jij ligt in je kamer.
In je deken.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Je voelt je lichaam.
Het is zwaar.
Maar niet te zwaar.
Gewoon zwaar genoeg.
Je benen zijn zwaar.
Je armen zijn zwaar.
Je hoofd is zwaar.
Maar het is een fijn gevoel.
Een zacht gevoel.
Je hoeft niets te dragen.
De deken draagt jou.
De kamer draagt jou.
De stilte draagt jou.
De regen valt nog steeds.
Zacht.
Regelmatig.
Het geluid is als een deken.
Een deken van geluid.
Het bedekt alles.
Het maakt alles zacht.
Je hoort de regen op het raam.
Je hoort de regen op het dak.
Je hoort de regen in de verte.
Het is overal.
En het is nergens.
Het is gewoon hier.
Bij jou.
Het bootje is nu bijna uit het zicht.
Maar je hoeft het niet te zien.
Je weet dat het er is.
Het glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
Het water is rustig.
De lucht is zacht.
De huizen zijn stil.
Alles is goed.
Jij bent hier.
In je kamer.
In je deken.
In je adem.
Dat is genoeg.
Dat is precies genoeg.
Je voelt de stof.
Zacht en warm.
Je vingers zijn ontspannen.
Je arm is zwaar.
Maar niet te zwaar.
Gewoon zwaar genoeg.
Je laat je hand liggen.
Je hoeft hem niet te bewegen.
Hij is goed waar hij is.
De kamer is warm.
Het licht is zacht.
Misschien komt het van een lamp.
Misschien van buiten.
Het maakt niet uit.
Het is zacht.
Het is rustig.
Het blijft zo.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
De regen wordt stiller.
Of misschien word jij stiller.
Het maakt niet uit.
Het is allebei goed.
Je bent veilig.
Je bent rustig.
Je mag blijven.
Je mag blijven liggen.
Je mag blijven ademen.
In en uit.
In en uit.
Het bootje gaat verder.
Jij blijft hier.
En dat is goed.
Dat is precies goed.
Het water draagt het bootje verder.
Heel langzaam.
Het maakt geen haast.
Het hoeft nergens te zijn.
Het is er gewoon.
Zoals jij hier bent.
Gewoon.
Precies hier.
De grachten zijn smal.
De huizen staan dichtbij.
Hun stenen zijn oud en warm van kleur.
Rood.
Bruin.
Zacht geel.
Het licht raakt de muren.
Voorzichtig.
Alsof het niets wakker wil maken.
Er hangt een stilte boven het water.
Een zachte stilte.
Geen lege stilte.
Een stilte die vol is.
Vol van kleine dingen.
Een druppel die valt.
Een blad dat beweegt.
Een brug die langzaam dichterbij komt.
Het bootje glijdt onder de brug door.
Even is het donker.
Dan weer licht.
Niet spannend.
Gewoon even anders.
Het water klotst zacht tegen de kant.
Tik.
Tik.
Tik.
Een rustig geluid.
Een geluid dat blijft.
Jij ligt nog steeds in je deken.
Je deken is zacht.
Je deken is warm.
Je voelt hem om je heen.
Als een rustige wolk.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je mag hier blijven.
Hier is het goed.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Je hoeft je adem niet te sturen.
Hij gaat vanzelf.
Zacht en rustig.
Zoals het water.
Zoals het bootje.
Alles beweegt rustig.
Alles mag rustig zijn.
De regen is bijna weg.
Of misschien hoor je hem niet meer.
Dat maakt niet uit.
De lucht blijft zacht.
De kamer blijft warm.
Het licht blijft rustig.
Niets verandert snel.
Niets hoeft te veranderen.
Het bootje gaat verder.
Langs een huis met een scheef dak.
Langs een boom die over het water hangt.
De takken raken bijna het water.
Bijna.
Maar niet helemaal.
Ze blijven zweven.
Zacht en stil.
Een eend zwemt rustig mee.
Even maar.
Dan draait ze weg.
Ze verdwijnt achter een hoek.
Het water wordt weer stil.
Het bootje glijdt verder.
Langzaam.
Zachtjes.
Zonder doel.
Zonder haast.
Jij bent hier.
In je kamer.
In je deken.
In je adem.
Dat is genoeg.
Dat is precies genoeg.
Je voelt de stof.
Zacht en warm.
Je vingers zijn ontspannen.
Je arm is zwaar.
Maar niet te zwaar.
Gewoon zwaar genoeg.
Je laat je hand liggen.
Je hoeft hem niet te bewegen.
Hij is goed waar hij is.
De kamer is warm.
Het licht is zacht.
Misschien komt het van een lamp.
Misschien van buiten.
Het maakt niet uit.
Het is zacht.
Het is rustig.
Het blijft zo.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
De regen wordt stiller.
Of misschien word jij stiller.
Het maakt niet uit.
Het is allebei goed.
Je bent veilig.
Je bent rustig.
Je mag blijven.
Je mag blijven liggen.
Je mag blijven ademen.
In en uit.
In en uit.
Het bootje gaat verder.
Jij blijft hier.
En dat is goed.
Dat is precies goed.
Het water is rustig.
De lucht is zacht.
De huizen zijn stil.
Alles is goed.
Alles mag goed zijn.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zijn.
Je bent er.
Dat is genoeg.
De nacht is zacht.
De deken is warm.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Het water draagt het bootje verder.
Geen haast.
Geen doel.
Alleen water dat zachtjes klopt tegen de zijkant.
Het klinkt als een hartslag.
Rustig.
Regelmatig.
Het gaat vanzelf.
De grachten liggen er stil bij.
De huizen staan met hun voeten in het water.
Ze zeggen niets.
Ze hoeven niets te zeggen.
Hun ramen zijn donker of heel zacht verlicht.
Achter sommige ramen brandt een klein licht.
Iemand leest misschien.
Iemand slaapt al.
Het maakt niet uit.
Het licht is er.
Zacht en warm.
Het bootje glijdt onder een brug door.
De brug is oud en laag.
Even is het donker.
Dan komt het licht terug.
Nog steeds zacht.
Nog steeds rustig.
Het water rimpelt heel even.
Daarna is het weer glad.
Alles komt tot rust.
Alles vindt zijn plek.
Je adem gaat mee met het water.
In en uit.
In en uit.
Het water beweegt ook.
Op en neer.
Heel langzaam.
Het bootje wiegt een beetje.
Niet eng.
Alleen zacht.
Als een wieg.
Als een deken die je vasthoudt.
De regen is nu bijna weg.
Alleen een enkele druppel valt nog.
Tik.
Op het water.
Tik.
Op het dak van het bootje.
Tik.
Dan stilte.
De stilte is niet leeg.
De stilte is vol.
Vol van rust.
Vol van ruimte.
Je hoeft er niets mee te doen.
Je mag er gewoon in liggen.
De lucht boven Leiden is zacht.
Geen sterren te zien.
Misschien wel.
Maar het maakt niet uit.
De lucht is donker en vriendelijk.
Als een deken over de stad.
Over de huizen.
Over het water.
Over het bootje.
Over jou.
Het bootje gaat verder.
Langs een muur van baksteen.
Langs een boom die over het water hangt.
De takken raken bijna het water.
Ze bewegen niet.
Er is geen wind.
Alles is stil.
Alles is goed.
Je ligt nog steeds in de kamer.
De deken is warm.
Het licht is zacht.
De regen is bijna stil.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Het bootje glijdt door Leiden.
Jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Misschien denk je aan niets.
Dat is goed.
Misschien denk je aan iets kleins.
Een woord.
Een beeld.
Een kleur.
Dat is ook goed.
Je hoeft niets vast te houden.
Je mag het laten gaan.
Het water neemt het mee.
Zachtjes.
Zonder geluid.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is zacht.
De nacht is van jou.
Je mag erin blijven.
Je mag erin liggen.
Je mag erin ademen.
In en uit.
In en uit.
Het bootje is nu bijna uit het zicht.
Maar het is er nog.
Het glijdt verder.
Door de grachten.
Onder de bruggen.
Langs de stille huizen.
Het water is rustig.
De lucht is zacht.
De huizen zijn stil.
Alles is goed.
Alles mag goed zijn.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zijn.
Je bent er.
Dat is genoeg.
De deken is warm.
Het licht is zacht.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Hier.
In deze kamer.
Met de deken om je heen.
En het licht dat zacht blijft.
Je hoeft niets te veranderen.
Alles mag blijven zoals het is.
Het bootje is nu ver weg.
Maar je kunt het nog voelen.
Niet met je ogen.
Niet met je handen.
Maar op een andere manier.
Diep vanbinnen.
Waar het stil is.
Waar het warm is.
Waar niets hoeft.
De grachten van Leiden zijn nog steeds daar.
Het water beweegt langzaam.
Onder de bruggen door.
Langs de kades.
Langs de huizen met hun hoge ramen.
De ramen zijn donker.
Maar niet leeg.
Achter elk raam is een kamer.
En in elke kamer is rust.
Iemand slaapt.
Iemand leest.
Iemand kijkt naar buiten.
Naar het water.
Naar de nacht.
Naar niets.
Jij hoeft niet te kijken.
Je hoeft niet te lezen.
Je hoeft alleen maar te liggen.
Hier.
In het zachte licht.
Onder de warme deken.
Je adem gaat vanzelf.
In en uit.
In en uit.
Langzaam.
Regelmatig.
Als het water.
Als het bootje.
Als de nacht.
Soms hoor je een geluid.
Heel zacht.
Een fiets die over een brug gaat.
Ver weg.
Een deur die dichtvalt.
Nog verder weg.
Een vogel die heel even iets zegt.
En dan weer stil is.
Deze geluiden zijn niet belangrijk.
Ze zijn er gewoon.
Ze komen en ze gaan.
Net als je gedachten.
Net als je adem.
Net als het water.
Je hoeft ze niet vast te houden.
Je hoeft ze niet weg te duwen.
Laat ze maar komen.
Laat ze maar gaan.
Het water neemt ze mee.
Zachtjes.
Zonder haast.
Zonder geluid.
Het bootje is nu misschien al bij de volgende brug.
Of bij de volgende gracht.
Of het is gestopt.
Dat weet je niet.
Dat hoef je niet te weten.
Het bootje is er.
Jij bent er.
Dat is genoeg.
De deken ligt zacht op je.
Hij is warm.
Hij is niet zwaar.
Hij is precies goed.
Je voelt hem op je armen.
Op je benen.
Op je buik.
Overal waar je hem voelt.
En waar je hem niet voelt.
Daar is hij ook.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Het licht in de kamer is nog steeds zacht.
Het beweegt niet.
Het knippert niet.
Het is gewoon daar.
Net als jij.
Net als de nacht.
Net als het water in Leiden.
Alles is stil.
Alles is rustig.
Alles mag zo blijven.
Misschien denk je aan iets kleins.
Een woord.
Een beeld.
Een kleur.
Een geur.
Iets van lang geleden.
Of iets van vandaag.
Dat is goed.
Je hoeft het niet vast te houden.
Je hoeft het niet te begrijpen.
Laat het maar drijven.
Op je adem.
Op het water.
Op de nacht.
Het water in Leiden is donker.
Maar niet koud.
Het is zacht.
Het draagt het bootje.
Het draagt de gedachten.
Het draagt de stilte.
En jij ligt hier.
In je eigen kamer.
In je eigen bed.
Onder je eigen deken.
En toch ben je ook daar.
Op het water.
In het bootje.
In de nacht.
Op een rustige manier.
Een veilige manier.
Een manier die alleen van jou is.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zijn.
Je bent er.
Dat is genoeg.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is zacht.
De nacht is van jou.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Het water is stil.
Het bootje beweegt bijna niet.
Toch glijdt het verder.
Langs de huizen.
Langs de bomen.
Langs de kleine bruggen.
Alles gaat langzaam.
Alles gaat zacht.
Je hoort het water tegen de zijkant van het bootje.
Een klein geluid.
Bijna niets.
Maar het is er.
Het komt en het gaat.
Net als je adem.
Net als de gedachten die langskomen.
Je hoeft ze niet te tellen.
Je hoeft ze niet te volgen.
Laat ze maar komen.
Laat ze maar gaan.
Boven je is de lucht donker.
Geen sterren.
Geen maan.
Alleen een diepe, zachte nacht.
Soms beweegt er iets.
Een tak.
Een blad.
Een vogel die ergens slaapt.
Je ziet het niet.
Maar je voelt het.
Alles is rustig.
Alles is stil.
Het bootje glijdt langs een muur van baksteen.
De stenen zijn oud.
Ze hebben veel gezien.
Veel nachten.
Veel water.
Veel stilte.
Ze zeggen niets.
Ze hoeven niets te zeggen.
Ze zijn er gewoon.
Net als jij.
Je bent er gewoon.
Dat is genoeg.
Ergens brandt een licht.
Achter een raam.
Een klein, geel licht.
Iemand is thuis.
Iemand leest misschien.
Of iemand slaapt al.
Het licht is zacht.
Het doet geen pijn aan je ogen.
Het is een rustig licht.
Een licht dat zegt: het is goed.
Alles is goed.
Je ademt in.
Langzaam.
Je ademt uit.
Nog langzamer.
Je voelt je deken.
De deken in je eigen kamer.
De deken in je eigen bed.
En tegelijk voel je het bootje.
Het wiegt een beetje.
Heel licht.
Heel zacht.
Als een wieg.
Als een arm die je vasthoudt.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je bent hier.
En hier is het goed.
Het water draagt je.
Het draagt je gedachten.
Het draagt je adem.
Het draagt de nacht.
Je hoeft niets vast te houden.
Je hoeft niets te begrijpen.
Laat het maar drijven.
Laat het maar gaan.
Op het water.
Op je adem.
Op de nacht.
Het bootje glijdt verder.
Langs een lange, rechte gracht.
De huizen staan aan beide kanten.
Ze kijken naar het water.
Ze kijken naar jou.
Maar ze zeggen niets.
Ze zijn stil.
Ze zijn vriendelijk.
Ze laten je met rust.
Je hoort een zacht geluid.
Iets dat druppelt.
Water dat van een dak valt.
Of een blad dat het water raakt.
Het is een klein geluid.
Een rustig geluid.
Het past bij de nacht.
Het past bij jou.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Je voelt je lichaam zwaar worden.
Niet zwaar van moeheid.
Maar zwaar van rust.
Zwaar van veiligheid.
Je ligt hier.
In je eigen kamer.
In je eigen bed.
Onder je eigen deken.
En toch ben je ook daar.
Op het water.
In het bootje.
In de nacht.
Op een rustige manier.
Een veilige manier.
Een manier die alleen van jou is.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is zacht.
De nacht is van jou.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Het water draagt je verder.
Geen haast.
Geen richting die je hoeft te kiezen.
Het bootje weet waar het heen gaat.
Jij hoeft alleen maar te liggen.
Alleen maar te zijn.
Boven je is de lucht donker en zacht.
Geen sterren vanavond.
Alleen een diepe, rustige kleur.
Als een deken over de stad.
Als een deken over jou.
Je hoort het water tegen de zijkant van het bootje.
Tik.
Tik.
Tik.
Een klein geluid.
Een geduldig geluid.
Het water raakt het hout.
Het hout raakt het water.
En jij ligt daartussen.
Rustig.
Veilig.
De huizen aan de kant zijn nu verder weg.
Ze worden kleiner.
Ze vervagen in het donker.
Maar ze zijn er nog.
Ze blijven daar.
Stil.
Vriendelijk.
Ze laten je met rust.
Je adem gaat langzaam.
In en uit.
In en uit.
Je voelt je handen los.
Je voelt je schouders zakken.
Je voelt je benen zwaar worden.
Niet zwaar van moeheid.
Maar zwaar van rust.
Zwaar van veiligheid.
Ergens in de verte hoor je een fietsbel.
Een zachte tik.
Dan is het weer stil.
Heel even maar.
Dan hoor je weer het water.
Tik.
Tik.
Tik.
Het ritme van de nacht.
Het ritme van jou.
Je denkt aan je kamer.
Aan je bed.
Aan je deken.
Die zijn er nog.
Ze wachten op je.
Maar je hoeft nu niet te gaan.
Je mag hier blijven.
Op het water.
In het bootje.
In de nacht.
Op een rustige manier.
Een veilige manier.
Een manier die alleen van jou is.
Een blad drijft voorbij.
Langzaam.
Het draait een keer rond.
Dan gaat het verder.
Met de stroom mee.
Net als jij.
Net als het bootje.
Alles gaat mee.
Alles gaat zacht.
De lucht boven Leiden is stil.
De bomen aan de kant zijn stil.
De huizen zijn stil.
En jij bent ook stil.
Van binnen.
Helemaal rustig.
Je ademt nog een keer diep in.
En weer uit.
In en uit.
Je voelt de lucht langs je gezicht gaan.
Koel en zacht.
Als een hand die je even aanraakt.
En dan weer weggaat.
Het bootje glijdt verder.
Langzaam.
Zachtjes.
Geen golven.
Geen geluid dat je wakker houdt.
Alleen het water.
Alleen de nacht.
Alleen jij.
Je ogen zijn bijna dicht.
Dat is goed.
Dat is precies goed.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je mag hier liggen.
In het bootje.
In de nacht.
In jezelf.
De stad is stil.
De lucht is stil.
Het water is stil.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Nog even.
Nog heel even.
Dan mag je gaan slapen.
Maar niet omdat het moet.
Alleen omdat het mag.
Omdat het goed is.
Omdat je veilig bent.
Het bootje wiegt zacht.
Heen en weer.
Heen en weer.
Als een wieg.
Als een hartslag.
Als iets dat je kent.
Iets dat je draagt.
Je voelt de deken om je heen.
Je voelt het kussen onder je hoofd.
Je bent hier.
In je kamer.
In je bed.
En toch ook daar.
Op het water.
In het bootje.
In de nacht.
Op een rustige manier.
Een veilige manier.
Een manier die alleen van jou is.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is zacht.
De nacht is van jou.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Het water draagt je verder.
Geen haast.
Geen richting die je moet kiezen.
Alleen beweging.
Zacht en traag.
De boot weet waar hij gaat.
Jij hoeft alleen maar te liggen.
Boven je zijn de takken van een oude boom.
Ze hangen laag over het water.
De bladeren raken bijna het oppervlak.
Soms raakt een blad het water.
Dan drijven er kleine kringen weg.
Kringen die vanzelf weer verdwijnen.
Net als gedachten.
Ze komen.
Ze gaan.
Je hoeft ze niet vast te houden.
De lucht is donkerblauw.
Geen sterren.
Geen maan.
Alleen dat diepe, zachte blauw.
Als een deken over de stad.
Over de huizen.
Over de bruggen.
Over jou.
Je hoort iets.
Heel zacht.
Een eend die zich beweegt in het riet.
Even maar.
Dan is het weer stil.
De stilte is niet leeg.
De stilte is vol.
Vol van dingen die je niet hoeft te benoemen.
Vol van rust.
Het bootje glijdt langs een muur van baksteen.
Oude stenen.
Rood en bruin.
Ze hebben het water jaren zien stromen.
Ze zeggen niets.
Ze zijn er gewoon.
Net als jij.
Gewoon hier.
Ergens brandt een licht.
Achter een raam.
Een klein, warm licht.
Iemand is nog wakker.
Of iemand is net gaan slapen.
Je weet het niet.
Het maakt niet uit.
Het licht is er.
En het is goed.
Je voelt de deken weer.
Zacht om je heen.
Je voelt het kussen onder je hoofd.
Je bent hier.
In je kamer.
In je bed.
En toch ook daar.
Op het water.
In het bootje.
In de nacht.
Op een rustige manier.
Een veilige manier.
Een manier die alleen van jou is.
De boot gaat verder.
Langzaam.
Voorbij een brug.
De brug is laag.
Je ziet de stenen boven je.
Ze zijn oud.
Ze zijn sterk.
Ze blijven staan.
Jij glijdt eronder door.
Zachtjes.
Zonder geluid.
Aan de andere kant van de brug is het water weer open.
Breed en kalm.
Het water ademt mee met jou.
In.
En uit.
In.
En uit.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
De stad is stil.
De lucht is stil.
Het water is stil.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Soms hoor je een klok.
Ver weg.
Twaalf slagen.
Of twee.
Je telt ze niet.
Je laat ze komen.
En gaan.
De tijd is niet belangrijk.
De nacht is niet belangrijk.
Alleen dit moment.
Alleen dit wiegen.
Alleen dit drijven.
Het bootje wiegt zacht.
Heen en weer.
Heen en weer.
Als een wieg.
Als een hartslag.
Als iets dat je kent.
Iets dat je draagt.
Je ademt diep in.
En langzaam uit.
Je voelt je lichaam zwaar worden.
Zwaar en toch licht.
Je voelt je ogen zachter worden.
Je hoeft ze niet open te houden.
Je mag ze sluiten.
Even maar.
Of langer.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is zacht.
De nacht is van jou.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Nog even.
Nog heel even.
Dan mag je gaan slapen.
Maar niet omdat het moet.
Alleen omdat het mag.
Omdat het goed is.
Omdat je veilig bent.
Het water blijft je dragen.
De stad blijft je omarmen.
De nacht blijft je vasthouden.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Je bent hier.
Je bent thuis.
Je bent rustig.
Je bent klaar om te dromen.
De dromen komen vanzelf.
Je hoeft ze niet te roepen.
Ze komen als het water.
Zacht en langzaam.
Ze komen als de regen.
Zonder haast.
Zonder geluid.
Het bootje glijdt verder.
Langs een brug die je niet ziet.
Langs een muur die je niet hoeft te kennen.
De stad is nu alleen nog een gevoel.
Een warm gevoel.
Een gevoel van thuis.
Je hoort het water klotsen.
Heel zacht.
Tegen de zijkant van het bootje.
Klots.
Klots.
Klots.
Een wiegelied zonder woorden.
Een lied dat je kent.
Zonder dat je het ooit hebt geleerd.
De regen is gestopt.
Of misschien regent het nog.
Het maakt niet uit.
Je voelt alleen de warmte van de deken.
De zachte deken die je vasthoudt.
De deken die je draagt.
Als een arm.
Als een stem.
Als iets dat blijft.
Je ademt in.
Langzaam.
Je ademt uit.
Nog langzamer.
Je adem gaat vanzelf.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zijn.
Je mag gewoon zijn.
Hier.
In dit bootje.
In deze nacht.
In deze stad.
De lucht boven Leiden is zacht.
De lucht is vol van rust.
De lucht ruikt naar water.
Naar steen.
Naar iets heel ouds.
Iets dat blijft.
Iets dat je kent.
Het bootje wiegt.
Heen en weer.
Heen en weer.
Als een wieg.
Als een hartslag.
Als iets dat je draagt.
Je voelt je lichaam zwaar worden.
Zwaar en toch licht.
Je voelt je ogen zachter worden.
Je hoeft ze niet open te houden.
Je mag ze sluiten.
Even maar.
Of langer.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is zacht.
De nacht is van jou.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Op je eigen manier.
Rustig.
Veilig.
Hier.
Misschien zie je een lichtje.
Een klein lichtje aan de kant.
Het brandt stil.
Het knippert niet.
Het is er gewoon.
Net als jij.
Net als het water.
Net als de nacht.
Je laat het lichtje los.
Je laat alles los.
Je hoeft niets vast te houden.
Het water houdt jou vast.
De stad houdt jou vast.
De nacht houdt jou vast.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Nog even.
Nog heel even.
Dan mag je gaan slapen.
Maar niet omdat het moet.
Alleen omdat het mag.
Omdat het goed is.
Omdat je veilig bent.
Het water blijft je dragen.
De stad blijft je omarmen.
De nacht blijft je vasthouden.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Je bent hier.
Je bent thuis.
Je bent rustig.
Je bent klaar om te dromen.
De dromen zijn al dichtbij.
Ze wachten op je.
Ze zijn zacht.
Ze zijn warm.
Ze zijn van jou.
Je hoeft alleen je ogen te sluiten.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
En uit.
In.
En uit.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Naar een plek die je kent.
Een plek die veilig is.
Een plek waar je mag rusten.
Voor altijd.
Of voor heel even.
Dat maakt niet uit.
Hier.
Nu.
Ben je veilig.
Het water blijft je dragen.
Zachtjes wiegt het bootje mee op de cadans van je adem.
In.
En uit.
De stad is stil om je heen.
De bruggen liggen laag over het water.
Ze lijken te slapen.
Alles lijkt te slapen.
Behalve jij.
Jij bent nog heel even wakker.
En dat is goed.
Dat is precies zoals het hoort.
De regen is gestopt.
Maar de lucht is nog vochtig.
Je ruikt het water.
Je ruikt de stenen.
Je ruikt de oude muren die de stad al zo lang vasthouden.
Ze houden jou ook vast.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Een lichtje drijft voorbij.
Het deint mee op de golven.
Heel langzaam.
Heel rustig.
Je kijkt ernaar zonder iets te willen.
Je hoeft niets te willen.
Het lichtje gaat waar het water het brengt.
En jij gaat mee.
Waar het water jou brengt.
Dat is goed.
Dat is veilig.
Het bootje glijdt verder.
Langs een muur waar klimop overheen groeit.
De blaadjes zijn nat.
Ze glinsteren een beetje in het donker.
Je ziet het maar half.
Dat is genoeg.
Je hoeft niet alles te zien.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
Nu.
In dit bootje.
Op dit water.
In deze stad.
De stad houdt je vast.
De nacht houdt je vast.
Het water houdt je vast.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Je ademt in.
De lucht is koel en zacht.
Je ademt uit.
De lucht gaat mee met de rivier.
Weg van jou.
Maar dat is niet erg.
Er is altijd nieuwe lucht.
Er is altijd nieuwe rust.
Er is altijd een nieuw zacht moment.
Je hoeft het niet vast te houden.
Het komt vanzelf.
Net als de adem.
Net als het water.
Net als de nacht.
Het bootje wiegt.
Heel licht.
Heel traag.
Je voelt het water onder je.
Je voelt de deken om je heen.
Je voelt de warmte van je eigen lichaam.
Alles is rustig.
Alles is zacht.
Alles is veilig.
In de verte hoor je een klok.
Hij slaat één keer.
Dan is het weer stil.
De klank lost op in de lucht.
Als een zucht.
Als een zachte gedachte.
Je laat hem gaan.
Je laat alles gaan.
Je hoeft niets vast te houden.
Het water blijft je dragen.
De stad blijft je omarmen.
De nacht blijft je vasthouden.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Je bent hier.
Je bent thuis.
Je bent rustig.
Je bent klaar om te dromen.
De dromen zijn al dichtbij.
Ze wachten op je.
Ze zijn zacht.
Ze zijn warm.
Ze zijn van jou.
Je hoeft alleen je ogen te sluiten.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
En uit.
In.
En uit.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Naar een plek die je kent.
Een plek die veilig is.
Een plek waar je mag rusten.
Voor altijd.
Of voor heel even.
Dat maakt niet uit.
Hier.
Nu.
Ben je veilig.
Nog even.
Nog heel even.
Dan mag je gaan slapen.
Maar niet omdat het moet.
Alleen omdat het mag.
Omdat het goed is.
Omdat je veilig bent.
Het water is je vriend.
De stad is je vriend.
De nacht is je vriend.
Ze vragen niets van je.
Ze geven alleen maar.
Ze geven je rust.
Ze geven je warmte.
Ze geven je een plek om te zijn.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zeggen.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
En uit.
In.
En uit.
Het bootje wiegt.
Het water zingt zacht.
De stad slaapt.
En jij mag meedoen.
Jij mag ook slapen.
Jij mag ook rusten.
Jij mag ook dromen.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Het water klotst zachtjes tegen de zijkant van het bootje.
Een klein geluid.
Een rustig geluid.
Het klinkt als een liedje dat je bijna kent.
Je hoeft niet mee te zingen.
Je mag gewoon luisteren.
Boven je hoofd bewegen de bladeren van een oude boom.
Ze ruisen.
Ze fluisteren.
De wind is lief vanavond.
De wind doet geen pijn.
De wind streelt alleen maar.
Langs je wangen.
Langs je haren.
Langs je gedachten.
Het bootje glijdt verder.
Langzaam.
Zachtjes.
De grachten van Leiden zijn smal en stil.
De huizen staan dichtbij.
Hun ramen zijn donker.
Hun deuren zijn gesloten.
Maar dat is niet eng.
Dat is juist fijn.
Iedereen slaapt.
Iedereen rust.
En jij mag meedoen.
Je ziet een brug.
Een kleine boog van steen.
Het bootje gaat eronderdoor.
Even is het donker.
Even is het stil.
Dan komt het licht weer terug.
Het licht van de maan.
Het licht van de sterren.
Het licht dat altijd blijft.
Het water draagt je.
Het water weet de weg.
Je hoeft niet te sturen.
Je hoeft niet te kijken.
Je mag gewoon zitten.
Je mag gewoon zijn.
Hier.
Nu.
In dit bootje.
Op dit water.
In deze nacht.
Adem in.
En uit.
In.
En uit.
De lucht ruikt naar regen.
Naar natte stenen.
Naar groen.
Het is een oude geur.
Een vertrouwde geur.
Hij komt van ver.
Hij komt van vroeger.
Maar hij is niet zwaar.
Hij is licht.
Hij zweeft boven het water.
Hij raakt je huid.
Hij zegt niets.
Hij is er gewoon.
Ergens klinkt een klok.
Ver weg.
Twaalf slagen.
Of elf.
Het maakt niet uit.
De tijd doet er even niet toe.
De tijd mag wachten.
De tijd mag slapen.
Net als jij.
Het bootje wiegt.
Heel licht.
Heel traag.
Als een wieg.
Als een arm die je vasthoudt.
Je voelt de beweging in je buik.
In je benen.
In je handen.
Je laat je meevoeren.
Je laat je dragen.
Het water is je vriend.
De stad is je vriend.
De nacht is je vriend.
Ze vragen niets van je.
Ze geven alleen maar.
Een eend zwemt voorbij.
Rustig.
Zonder haast.
Ze kijkt niet op.
Ze maakt geen geluid.
Ze glijdt door het water.
Net als jij.
Net als het bootje.
Alles glijdt.
Alles stroomt.
Alles gaat zachtjes verder.
Je ogen worden zwaar.
Dat is goed.
Dat mag.
Je hoeft ze niet open te houden.
Je hoeft niets te zien.
Je mag ze sluiten.
Even.
Of langer.
Het maakt niet uit.
De deken ligt over je heen.
Warm.
Zacht.
Hij houdt je vast.
Hij laat je niet los.
Hij is er altijd.
Net als het water.
Net als de nacht.
Net als de rust.
Nog even.
Nog heel even.
Dan mag je gaan slapen.
Maar niet omdat het moet.
Alleen omdat het mag.
Omdat het goed is.
Omdat je veilig bent.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Naar een plek die je kent.
Een plek die veilig is.
Een plek waar je mag rusten.
Voor altijd.
Of voor heel even.
Dat maakt niet uit.
Hier.
Nu.
Ben je veilig.
Adem in.
En uit.
In.
En uit.
Het water zingt.
De stad droomt.
De maan kijkt toe.
En jij mag meedoen.
Jij mag ook dromen.
Jij mag ook rusten.
Jij mag ook slapen.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Het bootje gaat verder.
Langzaam.
Heel langzaam.
Het water draagt het zonder haast.
Zonder geluid.
Alleen een zacht klotsen tegen de rand.
Net als adem.
Net als een hartslag.
Rustig.
Regelmatig.
Altijd door.
De grachten zijn stil.
De huizen staan langs de kant.
Ze kijken niet.
Ze zijn er gewoon.
Met hun oude muren.
Hun donkere ramen.
Hun scheve daken.
Ze ademen mee.
Ze zijn moe.
Net als jij.
En dat is goed.
Ergens brandt een lichtje.
Achter een gordijn.
Zwak.
Geel.
Warm.
Iemand is nog wakker.
Of iemand is net gaan slapen.
Het maakt niet uit.
Het licht is er.
Het blijft even.
Dan dooft het.
Zachtjes.
Als een zucht.
Het water neemt het licht mee.
Even.
Dan is het weg.
En het is weer donker.
Maar niet koud.
Niet leeg.
De nacht is vol.
Vol van stilte.
Vol van rust.
Vol van dingen die je niet hoeft te zien.
Je voelt de deken.
Hij ligt nog over je heen.
Warm.
Zacht.
Hij houdt je vast.
Hij laat je niet los.
Hij is er altijd.
Net als het water.
Net als de nacht.
Net als de rust.
Het bootje glijdt onder een brug door.
De brug is oud.
Van steen.
Hij is stil.
Hij zegt niets.
Hij laat je gaan.
Aan de andere kant is het weer hetzelfde.
Water.
Huizen.
Licht.
Donker.
Rust.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je mag hier blijven.
In het bootje.
In de nacht.
In jezelf.
Alles gaat zachtjes verder.
Zonder jou.
Met jou.
Dat maakt niet uit.
De maan is nog daar.
Achter de wolken.
Soms zie je hem even.
Dan weer niet.
Hij kijkt toe.
Hij waakt.
Hij is geduldig.
Net als het water.
Net als de tijd.
Net als jij.
Adem in.
En uit.
In.
En uit.
Het water zingt.
De stad droomt.
De maan kijkt toe.
En jij mag meedoen.
Jij mag ook dromen.
Jij mag ook rusten.
Jij mag ook slapen.
Je ogen worden zwaar.
Dat is goed.
Dat mag.
Je hoeft ze niet open te houden.
Je hoeft niets te zien.
Je mag ze sluiten.
Even.
Of langer.
Het maakt niet uit.
De deken ligt over je heen.
Warm.
Zacht.
Hij houdt je vast.
Hij laat je niet los.
Hij is er altijd.
Net als het water.
Net als de nacht.
Net als de rust.
Nog even.
Nog heel even.
Dan mag je gaan slapen.
Maar niet omdat het moet.
Alleen omdat het mag.
Omdat het goed is.
Omdat je veilig bent.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Naar een plek die je kent.
Een plek die veilig is.
Een plek waar je mag rusten.
Voor altijd.
Of voor heel even.
Dat maakt niet uit.
Hier.
Nu.
Ben je veilig.
De grachten ademen.
De boten liggen stil.
De bruggen zwijgen.
Alles is zacht.
Alles is traag.
Alles is goed.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Het water raakt de zijkant van het bootje.
Heel zacht.
Een klein geluid.
Bijna niets.
Maar het is er.
Het blijft.
Het wiegt je mee.
Boven je is de lucht donker.
Geen sterren.
Geen maan.
Alleen een diep, rustig blauw.
Soms grijs.
Soms zwart.
Dat maakt niet uit.
De lucht is er.
Hij dekt je toe.
Net als de deken.
De deken ligt nog steeds over je heen.
Warm.
Zacht.
Hij houdt je vast.
Hij laat je niet los.
Hij is er altijd.
Net als het water.
Net als de nacht.
Net als de rust.
Het bootje glijdt verder.
Langzaam.
Zachtjes.
Langs een oude muur.
De stenen zijn nat van de regen.
Ze glimmen een beetje.
In het licht van een enkele lantaarn.
Het licht is geel.
Warm.
Het raakt het water.
Het water raakt het licht.
Alles raakt elkaar.
Zachtjes.
Je hoort de regen.
Niet hard.
Niet koud.
Alleen zacht.
Het tikt op het water.
Het tikt op de boot.
Het tikt op je deken.
Een klein ritme.
Rustig.
Traag.
Je hoeft niet te tellen.
Je hoeft niets te doen.
Het ritme is er.
Het blijft.
Het wiegt je mee.
De grachten ademen.
De boten liggen stil.
De bruggen zwijgen.
Alles is zacht.
Alles is traag.
Alles is goed.
Een brug komt dichterbij.
Je ziet de boog.
Zwart.
Rond.
Zacht.
Het bootje glijdt eronder door.
Even is het donker.
Even is het stil.
Dan weer licht.
Zwak.
Geel.
Warm.
Je bent er weer.
Je bent nog steeds hier.
Je bent veilig.
Aan de kant staat een boom.
Zijn takken hangen over het water.
De blaadjes zijn nat.
Ze druppelen.
Langzaam.
Druppel voor druppel.
Het water raakt het water.
Een klein geluid.
Bijna niets.
Maar het is er.
Het blijft.
Het bootje glijdt verder.
Langs een huis.
De ramen zijn donker.
De mensen slapen.
Dat is goed.
Iedereen slaapt.
Iedereen rust.
Jij ook.
Bijna.
De deken ligt over je heen.
Warm.
Zacht.
Hij houdt je vast.
Hij laat je niet los.
Hij is er altijd.
Net als het water.
Net als de nacht.
Net als de rust.
Je ogen zijn zwaar.
Dat is goed.
Dat mag.
Je hoeft ze niet open te houden.
Je hoeft niets te zien.
Je mag ze sluiten.
Even.
Of langer.
Het maakt niet uit.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Naar een plek die je kent.
Een plek die veilig is.
Een plek waar je mag rusten.
Voor altijd.
Of voor heel even.
Dat maakt niet uit.
Hier.
Nu.
Ben je veilig.
De regen valt nog steeds.
Zacht.
Traag.
Het water beweegt nog steeds.
Zacht.
Traag.
De deken ligt nog steeds over je heen.
Warm.
Zacht.
Alles is nog steeds goed.
Nog even.
Nog heel even.
Dan mag je gaan slapen.
Maar niet omdat het moet.
Alleen omdat het mag.
Omdat het goed is.
Omdat je veilig bent.
Het bootje glijdt.
Het water wiegt.
De regen tikt.
De deken houdt je vast.
Jij mag rusten.
Jij mag dromen.
Jij mag slapen.
Zacht.
Warm.
Veilig.
Het water draagt je verder.
Geen haast.
Geen richting die je hoeft te kiezen.
Het bootje weet de weg.
Het kent de grachten.
Het kent de bruggen.
Het kent de stille plekken waar niemand kijkt.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zeggen.
Je hoeft alleen maar te liggen.
Onder de deken.
In het bootje.
In de nacht.
De regen tikt op het water.
Tik.
Tik.
Tik.
Een zacht geluid.
Een rustig geluid.
Hetzelfde geluid als daarnet.
En toch anders.
Elke druppel is hetzelfde.
En toch nieuw.
Soms valt er een druppel op het dek.
Soms op de deken.
Soms hoor je alleen het water.
Dat is genoeg.
Dat is altijd genoeg geweest.
Het bootje glijdt langs een muur.
Een oude muur.
Met stenen die al heel lang bestaan.
Ze zeggen niets.
Ze hoeven niets te zeggen.
Ze zijn er gewoon.
Net als jij.
Net als het water.
Net als de nacht.
Een tak hangt over het water.
De blaadjes zijn nat.
Ze druppelen zachtjes.
Druppel voor druppel.
Alsof ze de maat aangeven.
Van iets heel langzaams.
Van iets heel zachts.
Je ademt.
In.
En uit.
De lucht is koel.
Maar niet koud.
De deken houdt je warm.
De deken houdt je vast.
De deken laat je niet los.
Het bootje glijdt verder.
Langs een brug.
De brug is stil.
Er loopt niemand.
Er is alleen het licht.
Een klein lampje.
Geel.
Warm.
Het schijnt op het water.
Het water schittert even.
Dan is het weer donker.
En rustig.
Alles is rustig.
Alles is zacht.
Alles is goed.
Je ogen zijn zwaar.
Nog zwaarder dan daarnet.
Dat is goed.
Dat mag.
Je hoeft niets te zien.
Je hoeft niets te weten.
Je mag gewoon liggen.
In het bootje.
Onder de deken.
In de nacht.
De regen valt nog steeds.
Zacht.
Traag.
Het water beweegt nog steeds.
Zacht.
Traag.
De deken ligt nog steeds over je heen.
Warm.
Zacht.
Alles is nog steeds goed.
Het bootje glijdt door Leiden.
Langzaam.
Zachtjes.
En jij glijdt mee.
Naar een plek die je kent.
Een plek die veilig is.
Een plek waar je mag rusten.
Voor altijd.
Of voor heel even.
Dat maakt niet uit.
Hier.
Nu.
Ben je veilig.
Nog even.
Nog heel even.
Dan mag je gaan slapen.
Maar niet omdat het moet.
Alleen omdat het mag.
Omdat het goed is.
Omdat je veilig bent.
Het water wiegt je.
Heen en weer.
Heen en weer.
Als een wieg.
Als een hartslag.
Als iets heel ouds.
Iets heel vertrouwds.
Je hoeft niet te denken.
Je hoeft niet te dromen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
In het bootje.
In de nacht.
In de rust.
De regen wordt stiller.
Of misschien word jij stiller.
Het maakt niet uit.
Het is allebei goed.
Het is allebei zacht.
Het bootje glijdt.
Het water wiegt.
De regen tikt.
De deken houdt je vast.
Jij mag rusten.
Jij mag dromen.
Jij mag slapen.
Zacht.
Warm.
Veilig.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is donker.
Maar niet te donker.
Er is altijd licht.
Ergens.
Een klein lampje.
Een ster.
Een glimp.
Net als het water.
Net als de rust.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag ze dicht laten.
Je mag alles loslaten.
Het bootje houdt je vast.
Het water draagt je.
De deken warmt je.
De regen zingt je toe.
Een zacht lied.
Zonder woorden.
Zonder einde.
Alleen maar klank.
Alleen maar rust.
Het bootje glijdt.
En jij glijdt mee.
Naar de plek waar je mag slapen.
Waar je mag dromen.
Waar je veilig bent.
Altijd.
Altijd.
En het bootje glijdt verder.
Langzaam.
Zachtjes.
Het water draagt je.
Het water kent de weg.
Het weet waar het heen gaat.
Jij hoeft niets te weten.
Jij hoeft alleen maar mee te gaan.
De regen is nu bijna stil.
Een fijn gefluister.
Tegen het hout.
Tegen het water.
Tegen de deken.
Het klinkt als een liedje dat je vroeger kende.
Je weet de woorden niet meer.
Maar je voelt de melodie.
Diep vanbinnen.
Heel zacht.
Het bootje glijdt langs de huizen.
De huizen slapen.
De ramen zijn donker.
Soms brandt er ergens een lampje.
Een klein licht.
Een teken dat iemand wakker is.
Of bijna slaapt.
Net als jij.
Bijna.
Heel bijna.
De bomen langs de gracht buigen zachtjes.
Ze bewegen mee met de wind.
De wind is niet koud.
De wind is niet hard.
De wind is alleen maar daar.
Zachtjes.
Ademend.
Net als jij.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Het water ademt mee.
De regen ademt mee.
Alles ademt mee.
In.
Uit.
In.
Uit.
Langzaam.
Rustig.
Zacht.
Het bootje wiegt.
Van links naar rechts.
Heel klein.
Heel zacht.
Als een wieg.
Als een arm die je vasthoudt.
Je voelt de beweging in je hele lichaam.
Van je hoofd tot je voeten.
Het wiegt je.
Het draagt je.
Het houdt je.
De deken ligt over je heen.
Warm.
Zacht.
Hij ruikt naar regen.
Naar water.
Naar buiten.
Naar rust.
Je trekt hem iets hoger.
Tot aan je kin.
Tot aan je wangen.
Je voelt de warmte.
Je voelt de zachtheid.
Je voelt je veilig.
Het water tikt tegen de zijkant van het bootje.
Tik.
Tik.
Tik.
Een klein geluid.
Een rustig geluid.
Het telt de seconden.
Het telt de minuten.
Maar je hoeft niet te tellen.
Het water telt voor jou.
Het water zorgt voor jou.
Ergens in de verte klinkt een klok.
Een zachte klok.
Hij slaat één keer.
Of twee keer.
Je weet het niet.
Het maakt niet uit.
De tijd is zacht vanavond.
De tijd wacht op je.
De tijd laat je met rust.
Je denkt aan niets.
Je denkt aan alles.
Je denkt aan het licht op het water.
Je denkt aan de sterren achter de wolken.
Je denkt aan de warmte van de deken.
Je denkt aan de rust in je hoofd.
Het bootje glijdt verder.
Langs de stille kade.
Langs de donkere boten.
Langs de slapende stad.
De stad is van jou nu.
De nacht is van jou nu.
De rust is van jou nu.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag ze dicht laten.
Je mag alles loslaten.
Het bootje houdt je vast.
Het water draagt je.
De deken warmt je.
De regen zingt je toe.
Een zacht lied.
Zonder woorden.
Zonder einde.
Alleen maar klank.
Alleen maar rust.
Het bootje glijdt.
En jij glijdt mee.
Naar de plek waar je mag slapen.
Waar je mag dromen.
Waar je veilig bent.
Altijd.
De regen valt nu heel zacht.
Bijna onhoorbaar.
Alleen een gevoel op je huid.
Alleen een fluistering in de lucht.
Het water is glad.
Het water is stil.
Het water draagt het bootje zonder moeite.
Je voelt je adem langzamer worden.
Je voelt je hart rustiger kloppen.
Je voelt je lichaam zwaar worden.
Zwaar van rust.
Zwaar van slaap.
Zwaar van vrede.
Het bootje glijdt.
Het water wiegt.
De regen tikt.
De deken houdt je vast.
Jij mag rusten.
Jij mag dromen.
Jij mag slapen.
Zacht.
Warm.
Veilig.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is donker.
Maar niet te donker.
Er is altijd licht.
Ergens.
Een klein lampje.
Een ster.
Een glimp.
Net als het water.
Net als de rust.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zijn.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
Uit.
In.
Uit.
Het bootje doet de rest.
Het water doet de rest.
De nacht doet de rest.
Alles is goed.
Alles is zacht.
Alles is rust.
Het bootje glijdt.
En jij glijdt mee.
Naar de plek waar je mag slapen.
Waar je mag dromen.
Waar je veilig bent.
Altijd.
Altijd.
En altijd is een zacht woord.
Het klinkt als een deken die om je heen valt.
Het klinkt als regen op het water.
Het klinkt als een bootje dat langzaam verder glijdt.
De grachten van Leiden zijn smal en vriendelijk.
De huizen staan dicht bij het water.
Hun ramen zijn donker.
Hun daken glanzen van de regen.
Soms brandt er nog één lichtje.
Achter een gordijn.
Achter een raam.
Een klein geel licht.
Iemand leest nog.
Iemand slaapt al.
Iemand droomt zacht.
Het bootje gaat verder.
Langzaam.
Heel langzaam.
De regen valt nog steeds.
Zacht.
Regelmatig.
Als een liedje zonder woorden.
Als een klok die niet tikt.
Als een hartslag die rustig blijft.
Je ademt.
In.
Uit.
In.
Uit.
De lucht is koel en zacht.
De lucht ruikt naar water.
Naar regen.
Naar groen.
Naar oude stenen die al eeuwen bij de gracht horen.
Het water draagt je.
Het water weet de weg.
Het water kent elke bocht.
Elke brug.
Elke steiger.
Het water is geduldig.
Het water is vriendelijk.
Het water is stil.
Boven je is de lucht donker en zacht.
Geen sterren vandaag.
Alleen wolken.
Dikke, warme wolken.
Ze houden de nacht vast.
Ze houden jou vast.
Ze laten de regen vallen.
Traag.
Zacht.
Eindeloos.
Het bootje glijdt onder een brug door.
De brug is oud.
De brug is van steen.
Even is het donkerder.
Even hoor je je eigen adem.
Dan komt het licht weer.
Zwak.
Grijs.
Vriendelijk.
Je voelt de deken op je benen.
De deken is warm.
De deken is zacht.
De deken blijft bij je.
De deken laat je niet los.
Je handen liggen stil.
Je voeten rusten.
Je schouders zakken een beetje.
Je nek wordt zacht.
Je gezicht ontspant.
Alles in jou wordt langzaam stiller.
Het bootje wiegt.
Heel licht.
Heel traag.
Als een wieg.
Als een arm die je vasthoudt.
Als een stem die fluistert zonder woorden.
De regen tikt op het water.
Tik.
Tik.
Tik.
Elk geluidje is hetzelfde.
Elk geluidje is anders.
Samen zijn ze één zacht geluid.
Een geluid dat je niet hoeft te horen.
Een geluid dat je gewoon mag voelen.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je hoeft niemand te zijn.
Je bent hier.
In het bootje.
Op het water.
In de nacht.
In de regen.
In de rust.
Het water is glad.
Het water is stil.
Het water draagt je zonder moeite.
Zonder haast.
Zonder einde.
De gracht maakt een flauwe bocht.
Het bootje volgt de bocht.
De huizen schuiven langzaam voorbij.
Een deur.
Een raam.
Een plant.
Een bankje.
Een lantaarn die zacht licht geeft.
Alles gaat voorbij.
Alles blijft ook.
Alles is precies goed.
Je ademt weer.
In.
Uit.
Je hart klopt rustig.
Rustig en regelmatig.
Als het water.
Als de regen.
Als de nacht.
Het bootje glijdt verder.
Leiden is stil.
De stad slaapt bijna.
Maar niet helemaal.
Er is altijd iets wakker.
Een lichtje.
Een geluid.
Een droom.
Net als in jou.
Er is altijd iets zachts wakker in jou.
Iets dat rust.
Iets dat droomt.
Iets dat veilig is.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag ze open laten.
Het maakt niet uit.
Het bootje gaat toch verder.
Het water wiegt toch.
De regen tikt toch.
De deken houdt je toch vast.
Zacht.
Warm.
Veilig.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is donker.
Maar niet te donker.
Er is altijd licht.
Ergens.
Een klein lampje.
Een ster.
Een glimp.
Net als het water.
Net als de rust.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zijn.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
Uit.
In.
Uit.
Het bootje doet de rest.
Het water doet de rest.
De nacht doet de rest.
Alles is goed.
Alles is zacht.
Alles is rust.
Het bootje glijdt.
En jij glijdt mee.
Naar de plek waar je mag slapen.
Waar je mag dromen.
Waar je veilig bent.
Altijd.
Het water draagt je verder.
Zachtjes.
Traagjes.
Langs de huizen die nu alleen nog vormen zijn.
Donkere vormen.
Warme vormen.
Ramen die zachtjes gloeien.
Als kleine kaarsjes achter het glas.
Ergens brandt een lamp.
Iemand leest misschien.
Iemand slaapt misschien.
Iemand kijkt net als jij naar buiten.
Naar het water.
Naar de nacht.
Naar niets bijzonders.
En dat is genoeg.
Het bootje raakt bijna niets aan.
Het raakt alleen het water.
En het water raakt het bootje.
Heel even.
Heel licht.
Dan weer verder.
Dan weer rustig.
Je hoort de regen nog.
Zacht op het dek.
Zacht op het water.
Zacht op de wereld.
Elk geluidje is klein.
Elk geluidje is vriendelijk.
Niets haast zich.
Niets roept.
Alles fluistert.
De deken ligt om je heen.
Warm.
Zwaar op een fijne manier.
Net als een arm.
Net als een stem.
Net als een plek waar je mag blijven.
Je ademt.
In.
Uit.
De lucht is koel en zacht.
De lucht ruikt naar water.
Naar regen.
Naar steen dat langzaam nat wordt.
Naar iets heel ouds en heel rustigs.
Het bootje glijdt langs een brug.
Heel langzaam.
De bogen zijn donker.
Het water eronder is stil.
Je ziet jezelf bijna niet.
Alleen een schim.
Alleen een vorm.
Alleen iemand die rust.
Aan de kant staat een boom.
De bladeren bewegen een beetje.
Niet veel.
Alleen een beetje.
Alsof de boom ook ademt.
Alsof de boom ook slaapt.
Alsof alles hier mag slapen.
Er is een lichtje in de verte.
Klein.
Geel.
Het komt niet dichterbij.
Het gaat niet weg.
Het blijft gewoon.
Net als jij.
Net als de rust.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zijn.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
Uit.
In.
Uit.
Het bootje doet de rest.
Het water doet de rest.
De nacht doet de rest.
De regen wordt zachter.
Of misschien word jij zachter.
Het maakt niet uit.
Het tikt nog.
Het wiegt nog.
Het houdt je nog vast.
Zacht.
Warm.
Veilig.
De nacht is lang.
Maar niet te lang.
De nacht is donker.
Maar niet te donker.
Er is altijd licht.
Ergens.
Een klein lampje.
Een ster.
Een glimp.
Net als het water.
Net als de rust.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag ze open laten.
Het maakt niet uit.
Het bootje gaat toch verder.
Het water wiegt toch.
De regen tikt toch.
De deken houdt je toch vast.
Alles is goed.
Alles is zacht.
Alles is rust.
Het bootje glijdt.
En jij glijdt mee.
Naar de plek waar je mag slapen.
Waar je mag dromen.
Waar je veilig bent.
Altijd.
Het water draagt je verder.
Zachtjes.
Zonder haast.
De grachten van Leiden zijn stil nu.
De huizen langs de kant staan met hun voeten in het water.
Hun ramen zijn donker.
Hun daken glanzen een beetje van de regen.
Je ziet een brug.
Laag.
Van steen.
Het bootje glijdt eronderdoor.
Even is het donkerder.
Even hoor je alleen het water tegen de stenen.
Dan komt het licht terug.
Zwak.
Grijs.
Vriendelijk.
Aan de kant staat een boom.
Zijn takken hangen over het water.
Druppels vallen eraf.
Een voor een.
Tik.
Tik.
Tik.
Ze raken het wateroppervlak.
Kleine kringen.
Ze verdwijnen meteen weer.
Net als gedachten.
Net als zorgen.
Ze komen.
Ze gaan.
Het water blijft.
Het bootje wiegt.
Jij wiegt mee.
Je voelt de deken om je heen.
Zacht.
Warm.
Hij houdt je vast.
Hij laat je niet los.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te zijn.
Je hoeft alleen maar te ademen.
In.
Uit.
In.
Uit.
De regen tikt nog.
Zachter nu.
Bijna een fluistering.
Bijna een liedje.
Het water klotst tegen de boot.
Zacht.
Regelmatig.
Als een hartslag.
Als een wiegelied.
Je ogen vallen bijna dicht.
Dat mag.
Dat is goed.
Ergens brandt een lampje.
Achter een raam.
Een klein geel licht.
Het weerkaatst in het water.
Een dunne streep.
Die beweegt mee met de golven.
Heen en weer.
Heen en weer.
Net als jij.
Net als de rust.
Je hoeft niet te kijken.
Je hoeft niet te denken.
Het licht is er gewoon.
Net als de nacht.
Net als de stilte.
Net als de deken.
Het is er.
Het blijft er.
Het gaat niet weg.
Het bootje glijdt verder.
Langzaam.
De gracht wordt smaller.
Of misschien wordt hij breder.
Het maakt niet uit.
Het water is overal.
De rust is overal.
Jij bent overal.
En nergens.
En dat is goed.
Je hoort een eend.
Zachtjes.
In de verte.
Ze slaapt bijna.
Net als jij.
Haar veren zijn nat.
Maar ze is warm.
Ze drijft.
Net als het bootje.
Net als jij.
De lucht boven je is grijs.
Zacht grijs.
Geen sterren.
Geen maan.
Alleen grijs.
En toch is het licht.
Een beetje.
Genoeg.
Er is altijd genoeg.
Er is altijd licht.
Ergens.
Een lampje.
Een glimp.
Een adem.
Je ademt.
In.
Uit.
In.
Uit.
De lucht is koel.
Maar niet koud.
Hij raakt je wangen.
Zacht.
Hij raakt je handen.
Zacht.
Hij raakt je hart.
Zacht.
Alles is zacht.
Alles is rustig.
Alles is veilig.
Het bootje raakt de kant.
Heel even.
Een klein tikje.
Dan drijft het weer verder.
Het water neemt het mee.
Het water neemt jou mee.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
Nu.
In deze boot.
In deze nacht.
In deze rust.
De regen stopt.
Of misschien stopt hij niet.
Het maakt niet uit.
Het tikt nog in je hoofd.
Zacht.
Regelmatig.
Als een klok.
Als een hartslag.
Als een belofte.
Je mag je ogen sluiten.
Je mag ze open laten.
Het maakt niet uit.
Het bootje gaat toch verder.
Het water wiegt toch.
De deken houdt je toch vast.
De nacht is toch zacht.
Alles is goed.
Alles is zacht.
Alles is rust.
Het bootje glijdt.
En jij glijdt mee.
Naar de plek waar je mag slapen.
Waar je mag dromen.
Waar je veilig bent.
Altijd.
Het water is stil nu.
Heel stil.
Het bootje beweegt nog.
Maar langzaam.
Heel langzaam.
De stad is ver weg.
De bruggen zijn ver weg.
De lichten zijn ver weg.
Alleen het water is dichtbij.
En de deken.
En jij.
Je ademt.
In.
En uit.
Dat is alles.
Dat is genoeg.
De regen is nu een fluistering.
Geen getik meer.
Alleen een zacht ruisen.
Als bladeren.
Als water.
Als adem.
Je hoofd wordt zwaar.
Zacht zwaar.
Alsof het langzaam volloopt met rust.
Je armen worden zwaar.
Je benen worden zwaar.
Alles wordt zacht en zwaar.
Dat is goed.
Dat is rust.
Het bootje deint.
Op en neer.
Heel klein.
Als een wieg.
Als een hartslag.
Als een liedje zonder woorden.
Je hoeft niet te luisteren.
Je hoort het toch.
Je hoeft niet te voelen.
Je voelt het toch.
De deken ligt op je.
Warm.
Zacht.
Hij houdt je vast.
Niet te strak.
Net genoeg.
Je bent hier.
Je bent veilig.
Je bent rustig.
De lucht boven je is donker.
Zacht donker.
Geen sterren.
Geen maan.
Alleen donker.
Zacht donker.
Dat is goed.
Donker is rust.
Donker is slapen.
Het water draagt je.
Het water weet de weg.
Het water brengt je naar een plek.
Een plek zonder haast.
Zonder geluid.
Zonder moeten.
Daar is het stil.
Daar is het zacht.
Daar mag je slapen.
Je ogen vallen bijna dicht.
Bijna.
Nog heel even.
Het bootje glijdt verder.
Langzaam.
Steeds langzamer.
De kant is dichtbij.
Of niet.
Het maakt niet uit.
Je hoeft niet te kijken.
Je hoeft niet te weten.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier.
Nu.
In deze boot.
In deze nacht.
In deze rust.
De regen is nu alleen nog een gevoel.
Een zacht gevoel op je huid.
Als een aai.
Als een zucht.
Als een laatste woord voor het slapen.
Je ademt nog een keer.
In.
En uit.
En nog een keer.
In.
En uit.
Het bootje wiegt.
Het water zingt.
De deken houdt je.
Alles is zacht.
Alles is rust.
Alles is goed.
Je mag gaan.
Je mag zakken.
Je mag slapen.
Het bootje glijdt nog een stukje.
Dan stopt het.
Niet plots.
Niet hard.
Het stopt gewoon.
Zoals alles stopt.
Zacht.
Het water wordt stil.
Heel stil.
De lucht wordt stil.
Heel stil.
Jij wordt stil.
Heel stil.
En dan is er niets meer te doen.
Niets meer te denken.
Niets meer te zijn.
Alleen rust.
Alleen zacht.
Alleen slaap.
Het bootje ligt stil.
Jij ligt stil.
De nacht ligt stil.
Alles is goed.
Slaap nu maar.
Slaap zacht.
Slaap.
Aanpassen
Tekst
Modus
Audio
Pauze