

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
RICK: Kijk naar buiten.
SOPHIE: Ja, het regent hard.
Het regent heel hard.
Het regent de hele dag.
DAAN: Het is nat en koud.
Ik vind het niet leuk.
Ik vind regen niet leuk.
RICK: Hoe is die regen?
Is het erg?
SOPHIE: Het is niet leuk.
Het is koud en nat.
Mijn jas is nat.
DAAN: Ik heb geen paraplu.
Heb jij een paraplu?
Een paraplu voor mij?
RICK: Ik wel.
Ik heb een paraplu.
Een grote paraplu.
Een grote, blauwe paraplu.
SOPHIE: Goed.
Jij bent slim.
Slim met een paraplu.
Slim en voorbereid.
DAAN: Maar de regen is nat.
Zelfs met een paraplu.
Mijn schoenen zijn nat.
RICK: Ja, water is nat.
Dat is waar.
Water is altijd nat.
SOPHIE: Lach je?
Het is grappig.
Jij maakt een grap.
Een grap over water.
DAAN: Ik drink bier.
Dat is warm.
Bier is niet koud.
Het bier is warm.
RICK: Bier is goed bij regen.
Bier en regen, dat is fijn.
Bier en regen, een goed team.
SOPHIE: Ja, bier is altijd goed.
Bier is mijn vriend.
Mijn beste vriend vandaag.
DAAN: Ga je naar huis?
Naar huis in de regen?
Naar huis met die regen?
RICK: Nee, ik blijf hier.
Hier is het droog.
Hier is het warm en droog.
SOPHIE: Ik ga ook niet.
Ik blijf bij jullie.
Bij jullie en het bier.
DAAN: De regen stopt niet.
Het regent de hele dag.
De hele dag en de hele nacht.
RICK: Het regent de hele dag.
Ja, dat klopt.
Het regent zonder stop.
SOPHIE: Dat is vervelend.
Vervelend, maar niet erg.
Vervelend, maar wij zijn binnen.
DAAN: Maar wij zijn binnen.
Binnen is het droog.
Binnen is het fijn.
RICK: Ja, hier is het droog.
Droog en warm.
Warm en gezellig.
SOPHIE: En het is gezellig.
Gezellig met bier.
Gezellig met jullie.
DAAN: Heb je een telefoon?
Een telefoon voor het weer?
Een telefoon voor de regen?
RICK: Ja, ik heb een telefoon.
Ik kijk naar het weer.
Ik kijk elke dag.
SOPHIE: Kijk naar het weer.
Wat zie je?
Zie je zon?
RICK: Het regent nog.
Het regent nog steeds.
Het regent nog steeds hard.
DAAN: Wat een dag.
Wat een natte dag.
Wat een natte, koude dag.
SOPHIE: Het is niet erg.
Wij hebben bier en elkaar.
Bier en elkaar, dat is genoeg.
RICK: Nee, wij hebben bier.
En wij hebben elkaar.
Wij hebben alles.
DAAN: En wij hebben elkaar.
Dat is fijn.
Dat is heel fijn.
SOPHIE: Dat is fijn.
Heel fijn.
Ik ben blij met jullie.
RICK: Ik bestel nog een bier.
Nog een bier voor mij.
Nog een bier voor ons.
DAAN: Goed idee.
Een goed idee.
Een heel goed idee.
SOPHIE: Ik wil ook bier.
Ook een bier, graag.
Ook een koud bier.
RICK: Drie bier, graag.
Drie bier voor ons.
Drie koude bier.
DAAN: De regen is slecht.
Slecht voor buiten.
Slecht voor de straat.
SOPHIE: Maar de kroeg is goed.
De kroeg is warm.
De kroeg is mijn thuis vandaag.
RICK: Ja, de kroeg is warm.
Warm en droog.
Warm en droog en gezellig.
DAAN: En het bier is koud.
Koud bier, dat is lekker.
Koud bier is het beste.
SOPHIE: Dat is raar.
Bier is koud, maar de kroeg is warm.
Raar, maar waar.
RICK: Haha, ja.
Raar, maar waar.
Raar en leuk.
DAAN: Bier is koud en goed.
Koud en goed.
Net als deze dag.
SOPHIE: Ik drink het graag.
Ik drink bier graag.
Ik drink het elke dag.
RICK: Ik ook.
Proost.
Proost op de regen.
DAAN: Proost.
Proost op het bier.
SOPHIE: Proost.
Proost op ons.
RICK: Tot de volgende.
Alle transcripten en meer Nederlandse verhalen op Dutch Fluency, dutchfluency.com slash transcripts.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze