

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
RICK: Hé, jongens.
Proost.
SOPHIE: Proost, Rick.
DAAN: Lekker, een biertje.
RICK: Ja, ik ben moe.
SOPHIE: Ik ook.
Het werk is druk.
DAAN: Wat doe je op je telefoon?
RICK: Ik kijk naar een filmpje.
SOPHIE: Een filmpje?
Laat zien.
RICK: Kijk, een kat.
DAAN: Haha, leuk.
SOPHIE: De kat is grappig.
RICK: Ja, de kat valt bijna.
DAAN: Hoe bedoel je?
RICK: De kat glijdt uit.
SOPHIE: Oh, ik zie het.
DAAN: De kat is niet boos.
RICK: Nee, de kat loopt weg.
SOPHIE: Ik hou van katten.
Katten zijn lief.
DAAN: Ik hou van honden.
Honden zijn vrolijk.
RICK: Honden zijn ook leuk.
SOPHIE: Maar katten zijn schattig.
Heel schattig.
DAAN: Heb je een kat?
RICK: Nee, ik heb geen kat.
Ik woon klein.
SOPHIE: Ik heb een hond.
De hond heet Max.
DAAN: Wat is de naam?
Max?
SOPHIE: Ja, Max.
Max is een leuke naam.
RICK: Max is een goede naam.
Ik ken een Max.
DAAN: Is Max lief?
SOPHIE: Ja, Max is heel lief.
Hij kwispelt veel.
DAAN: Mooi.
En wat doet Max nog meer?
SOPHIE: Max speelt graag met een bal.
Hij rent en rent.
RICK: Leuk.
Een hond die rent.
Mijn kat rent niet veel.
SOPHIE: Nee?
Wat doet jouw kat dan?
RICK: Mijn kat slaapt veel.
Hij slaapt op de bank.
DAAN: Haha, een luie kat.
RICK: Ja, een luie kat.
Maar hij is lief.
SOPHIE: Katten zijn lief, ja.
Mijn hond is ook lief.
DAAN: Ik heb geen dier.
Ik woon klein, zoals Rick.
RICK: Ja, klein wonen is niet groot.
SOPHIE: Maar een dier is leuk.
Een kat of een hond.
RICK: Ja, maar een dier heeft eten nodig.
En water.
DAAN: En een dier heeft een huis nodig.
SOPHIE: Ja, Max heeft een mand.
Een mand voor de hond.
RICK: Mooi.
Nog een biertje?
DAAN: Ja, graag.
Bier is lekker.
SOPHIE: Ik drink water.
Water is goed.
RICK: Water?
In de kroeg?
SOPHIE: Ja, ik ben moe.
Water is fris.
DAAN: Oké, ik neem bier.
RICK: Ik bestel.
Een bier en water.
SOPHIE: Dank je, Rick.
Jij bent lief.
DAAN: Je bent een goede vriend.
RICK: Ha, dat is normaal.
Vrienden helpen.
SOPHIE: Kijk, weer een filmpje?
RICK: Ja, dit is een hond.
De hond danst.
DAAN: De hond danst?
Leuk.
SOPHIE: Haha, grappig.
De hond is blij.
RICK: De hond is blij.
Hij kwispelt en danst.
DAAN: Hoe bedoel je?
Hij kwispelt?
RICK: Ja, kijk.
De hond is vrolijk.
SOPHIE: Ja, dat zie ik.
Dieren zijn leuk.
RICK: Ja, ik hou van dieren.
Katten en honden.
SOPHIE: Ik ook.
Maar ik werk veel.
Te veel.
DAAN: Werk is niet leuk.
Maar het is nodig.
RICK: Nee, maar het is nodig.
Voor geld.
SOPHIE: Ja, voor geld.
Geld is nodig.
DAAN: Geld is ook nodig.
Maar nu is het gezellig.
SOPHIE: Ja, dat is waar.
Gezellig met vrienden.
RICK: Ja, nu is het gezellig.
Proost, vrienden.
DAAN: Proost.
Tot de volgende.
Alle transcripten en meer Nederlandse verhalen op Dutch Fluency, dutchfluency.com slash transcripts.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze