

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Two colleagues, Lisa and Mark, are preparing for a weekly team meeting in a small office in Utrecht.
Lisa cannot find the printed agenda and starts to panic, while Mark tries to stay calm and help.
[Lisa]: Mark, heb jij de agenda gezien?
[Mark]: Welke agenda?
De papieren of de digitale?
[Lisa]: De papieren.
Ik had hem op mijn bureau gelegd.
[Mark]: Oh, die.
Ik zag hem liggen, maar nu niet meer.
[Lisa]: Het is belangrijk.
De baas komt zo.
[Mark]: Rustig.
Wanneer begint de meeting?
[Lisa]: Over tien minuten.
[Mark]: Oké.
Heb je hem in je tas gezocht?
[Lisa]: Ja, ik heb overal gezocht.
Hij is weg.
[Mark]: Misschien heeft iemand hem gepakt.
[Lisa]: Wie dan?
We zijn met z’n tweeën.
[Mark]: Nou, de schoonmaker was hier vanmorgen.
[Lisa]: Echt?
Die heeft hem vast opgeruimd.
[Mark]: Dat kan.
Laten we even kijken in de prullenbak.
[Lisa]: Goed idee.
Waar staat die?
[Mark]: Naast de koffieautomaat.
[Lisa]: Ik ga kijken.
[Mark]: Ik wacht hier.
Stuur me een berichtje.
[Lisa]: Oké.
Maar ik vind het niet leuk.
[Mark]: Het komt goed.
We hebben ook een digitale agenda.
[Lisa]: Ja, maar die staat niet op mijn scherm.
[Mark]: Weet je het zeker?
Heb je de map geopend?
[Lisa]: Welke map?
[Mark]: De map ‘Vergaderingen’ in je mailbox.
[Lisa]: Nee, die ken ik niet.
[Mark]: Kijk even.
Klik op het icoontje met de envelop.
[Lisa]: Oké, ik doe het nu.
[Mark]: En?
Zie je het?
[Lisa]: Ja, er staat een bestand. ‘Agenda week 12’.
[Mark]: Perfect.
Open het maar.
[Lisa]: Het is leeg.
Alleen een titel.
[Mark]: Wat?
Dat is raar.
[Lisa]: Zie je wel.
Het is een ramp.
[Mark]: Laten we even bellen met IT.
[Lisa]: Heb jij hun nummer?
[Mark]: Ja, ik bel nu.
[Lisa]: Dank je.
Ik voel me zo dom.
[Mark]: Niet doen.
Het overkomt iedereen.
[Lisa]: De schoonmaker gooit altijd alles weg.
[Mark]: Ja, dat is vervelend.
Maar we lossen het op.
[Lisa]: Hoi, met Lisa.
Help je even?
[Mark]: Wat zegt IT?
[Lisa]: Ze komen eraan.
Over vijf minuten.
[Mark]: Mooi.
Dan hebben we nog tijd.
[Lisa]: Ja, maar de baas is stipt.
[Mark]: We beginnen gewoon zonder agenda.
[Lisa]: Dat kan niet.
De baas wil een vaste structuur.
[Mark]: We improviseren een beetje.
[Lisa]: Maar ik heb geen notities.
[Mark]: Vertel gewoon de punten uit je hoofd.
De wekelijkse update.
[Lisa]: Dat is eng.
[Mark]: Je kent de punten.
De cijfers, het project, de nieuwe klant.
[Lisa]: Oké, dat klopt.
[Mark]: Zie je wel.
Je bent goed voorbereid.
[Lisa]: Dank je.
Je helpt me echt.
[Mark]: Graag gedaan.
We zijn een team.
[Lisa]: De IT-medewerker is er.
[Mark]: Mooi.
Dan fixen we het snel.
[Lisa]: Hoi, bedankt voor het komen.
[IT]: Geen probleem.
Waar is het bestand?
[Lisa]: In de map ‘Vergaderingen’.
Het is leeg.
[IT]: Laat me kijken.
Oh, ik zie het al.
[Mark]: Wat is er aan de hand?
[IT]: Het bestand is beschadigd.
Ik maak een nieuwe aan.
[Lisa]: Echt?
Dat is geweldig.
[IT]: Geef me twee minuten.
[Mark]: Perfect.
Dan zijn we klaar voor de meeting.
[Lisa]: Ja, nu voel ik me beter.
[Mark]: Zie je wel?
Het komt altijd goed.
[Lisa]: Ik moet vaker digitaal werken.
[Mark]: Ja, dat is handiger.
[Lisa]: De agenda is klaar.
Dank jullie wel.
[IT]: Graag gedaan.
Veel succes met de meeting.
[Mark]: Bedankt.
Laten we gaan.
[Lisa]: Ja, ik heb er zin in.
[Mark]: Mooi.
De baas komt eraan.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze