Vind mijn niveau
Inloggen
Play me!
Alle podcasts

Een wandeling op de pier van Scheveningen

De staat aan de begin van de pier, de planken liggen breet en stabiel onder je voeten.

De zee strekt zich uit voor je, blauw en grijs lopen door elkaar.

De lucht boven de horizon voelt groter dan anders.

Je haalt rustig adem.

De wind raakt je gezicht.

Het is fris hier, het is stil in je hoofd.

De pier loopt recht het water in.

Je begint langzaam te lopen, elke stap voelt stevig.

De zee ademt mee met je.

De wind draagt het geluid van golven.

Je jas zit dicht.

Je sjaal hangt warm om je nek.

Je bent hier.

De wereld wordt kleiner, alleen de zee, alleen de pier, alleen de wind.

De planken kraken zacht onder je schoenen.

Het geluid mengt met het ruisen van de zee.

Links van de pier beweegt het water in lange golven.

Rechts doet het hetzelfde.

De golven komen aan.

Ze trekken zich terug.

Ze komen weer.

Het ritme is eeuwenoud.

Je loopt langzaam verder.

De reling aan beide kanten glanst van het zout.

Je hand raakt het metaal, het voelt koud en een beetje nat.

Het zout laat witte vlekken achter op het ijzer.

De wind duwt zacht tegen je rug.

Hij helpt je vooruit.

Je adem gaat makkelijk.

De lucht smaakt naar zout.

Je tong proeft het, je lippen proeven het.

Alles hier ademt zout.

Boven je hoofd cirkelt een meeuw, hij zweeft op de wind.

Zijn vleugels bewegen nauwelijks.

Hij kijkt naar beneden, naar de golven, naar de pier, naar jou.

Zijn kreet klinkt scherp, maar niet luid.

Het is een geluid dat bij de zee hoort.

Een tweede meeuw voegt zich bij hem.

Ze draaien samen in de lucht.

Hun witte buiken vangen het licht.

Hun grijze ruggen versmelten met de wolken.

Je kijkt naar ze, ze glijden, ze dansen op lucht, ze roepen.

Dan duikt één van hen naar het water.

Hij raakt het oppervlak.

Hij komt weer omhoog met iets kleins in zijn snavel.

De andere meeuw volgt.

Ze stijgen samen op.

De wind draagt ze weg naar de horizon.

Je loopt verder over de pier.

De planken zijn nu natter.

Druppels zitten op het hout.

Misschien van de golven.

Misschien van de lucht.

Alles hier is een beetje nat.

Je sjaal wappert zacht naast je wang.

De wind speelt ermee.

Je trekt de sjaal iets vaster.

Het voelt goed.

Warm en beschermd.

Je jas maakt een zacht geluid als de wind erin blaast.

De mouwen wapperen licht.

Je rits zit dicht.

Je voelt de kou niet echt.

Je voelt de frisheid.

Het is niet koud genoeg om te rillen.

Het is fris genoeg om wakker te zijn.

Om alles te voelen.

Aan de linkerkant van de pier ligt een verzameling stenen.

Ze liggen in het water tegen de palen.

Grote stenen.

Grijs en bruin en groen van het zeewier.

De golven spoelen eroverheen.

Het water trekt zich terug.

Dan zie je tussen de stenen iets bewegen, een krab, klein en bruin.

Hij loopt zijwaarts over een natte steen.

Zijn scharen hoog in de lucht.

Hij zoekt iets.

Misschien voedsel.

Misschien een betere plek.

Hij verdwijnt in een spleet tussen twee stenen.

Het water komt weer.

De steen verdwijnt onder schuim.

De krab is veilig in zijn schuilplaats.

Je blijft even staan bij de reling.

Je handen rusten op het metaal.

De zee rolt verder.

Golf na golf.

Het water is donker hier.

Diep.

Onder de pier zwemt leven dat je niet ziet.

Vissen misschien.

Krabben tussen de stenen.

Wieren die zachtjes wuiven in de stroming.

Het is een wereld apart.

Je kijkt naar de horizon.

De lijn waar zee en lucht elkaar raken.

Het is niet helemaal recht.

Het golft mee.

Het beweegt.

Niets hier staat stil.

Alles ademt.

Alles leeft.

Achter je klinkt een zacht geluid.

Poten op hout.

Een hond.

Je draait je hoofd.

Een oude man loopt over de pier.

Naast hem loopt een hond.

Groot en bruin met lange oren.

De hond draagt zijn neus laag bij de grond.

Hij snuffelt.

Hij trekt aan de riem.

De man houdt de riem stevig, maar vriendelijk.

Hij glimlacht als hij je ziet.

Je knikt naar hem.

Hij knikt terug.

Dat is genoeg.

Geen woorden nodig.

De hond snuffelt bij de reling.

Hij ruikt het zout.

Hij ruikt de zee.

Hij ruikt alles wat hier langs is gekomen.

De man wacht geduldig.

Zijn jas is oud maar goed.

Zijn sjaal zit losjes.

De wind laat hem wapperen.

Hij lijkt de wind niet te voelen.

Hij is hier vaak.

Dat zie je.

De hond gaat verder.

Hij trekt zacht.

De man volgt.

Ze lopen langs je heen.

De hond kijkt kort naar je.

Zijn ogen zijn donker en vriendelijk.

Zijn staart beweegt een beetje.

Geen grote beweging.

Gewoon een kleine groet.

Je glimlacht.

De man en de hond lopen verder de pier op.

Hun silhouetten worden kleiner tegen het licht van de zee.

De riem tussen hen verbindt ze.

De man loopt langzaam.

De hond snuffelt bij elke plank.

Ze hebben tijd.

Ze hebben elkaar.

Ze hebben de zee.

Je begint ook weer te lopen.

De pier loopt nog verder het water in.

Je bent nu ver van het strand.

Als je achterom kijkt zie je de kustlijn.

Gebouwen.

Mensen als kleine stipjes.

Maar hier ben je omringd door water.

De zee aan alle kanten.

Het geluid van de golven komt van links.

Van rechts.

Van onder de planken.

Het water klotst tegen de palen.

Het zuigt en duwt.

Het is een ritme dat nooit stopt.

Dag en nacht.

Winter en zomer.

De zee blijft bewegen.

Een nieuwe meeuw landt op de reling voor je.

Hij zit stil.

Zijn poten grijpen het metaal stevig.

Zijn veren liggen glad tegen zijn lichaam.

De wind blaast, maar hij beweegt niet.

Hij kijkt naar het water.

Wachtend.

Zijn kop draait snel naar links.

Naar rechts.

Zijn ogen missen niets.

Dan ziet hij iets.

Hij spreidt zijn vleugels.

Een moment later is hij in de lucht.

Hij duikt.

Hij verdwijnt achter een golf.

Als hij opkomt, heeft hij niets.

Hij probeert het opnieuw.

Deze keer wel.

Hij vliegt weg met zijn vangst.

Zijn kreet klinkt als een overwinning.

Je handen rusten weer op de reling.

Het zout kriebelt een beetje op je huid.

Je vingers zijn fris, maar niet koud.

De zee rolt verder.

Je adem volgt het ritme van de golven.

In als een golf komt.

Uit als een golf zich terugtrekt.

Het gaat vanzelf.

Je hoeft niet na te denken.

Je lichaam weet het.

De zee leert je.

De wind leert je.

Alles hier is eenvoudig.

Alles hier is langzaam.

In de verte zie je de oude man en zijn hond.

Ze zijn gestopt.

De hond snuffelt bij een hoek van de pier.

Zijn neus zit tussen twee planken.

Hij heeft iets gevonden.

De man bukt een beetje.

Hij kijkt wat de hond ziet.

Hij glimlacht.

Hij aait de hond over zijn kop.

De hond kwispelt.

Zijn hele achterlijf beweegt.

Blijdschap in beweging.

Dan gaan ze verder.

De riem tussen hen blijft slap.

Vertrouwen.

De man fluit zacht.

De hond komt dichterbij hem lopen.

Ze bewegen samen.

Twee lichamen.

Een ritme.

Je loopt ook verder.

De planken onder je voeten voelen vertrouwd nu.

Je lichaam kent het gevoel.

Het lichte schommelen van de pier.

De wind die steeds van richting verandert.

De zilte lucht in je longen.

Je jas voelt lichter nu.

Of misschien ben je gewend aan het gewicht.

Je sjaal hangt stil.

Geen gewapper meer.

De wind is gedraaid.

Hij komt nu van voren.

Recht van de horizon.

Hij brengt koudere lucht.

Maar het is oké.

Het is goed.

Het maakt je alerter.

Het maakt je aanwezig.

Links van de pier zie je weer stenen in het water.

Deze zijn groter.

Ze steken boven het water uit.

Zeewier kleeft eraan.

Groen en bruin en glanzend.

Een golf slaat ertegen.

Schuim spat op.

Het water stroomt van de steen.

En daar nog een krab.

Deze is groter dan de eerste.

Bijna zo groot als je hand.

Hij zit stil op de hoogste steen.

Zijn scharen wijzen naar de lucht.

Hij lijkt te wachten.

Misschien wacht hij tot het water lager komt.

Misschien wacht hij gewoon.

Krabben hebben tijd.

Zij haasten zich niet.

Een meeuw cirkelt boven de steen.

De krab ziet hem.

De krab beweegt niet.

Hij weet dat stilzitten veilig is.

De meeuw vliegt verder.

De krab blijft.

Je bent nu bij het einde van de pier.

Hier is een breder platform.

De reling maakt een cirkel.

Je kunt helemaal rondom kijken.

De zee aan alle kanten.

Je staat in het water.

Omringd maar niet nat.

De golven rollen aan van de horizon.

Ze breken tegen de palen onder je.

Je voelt de trillingen in je voeten.

De pier leeft.

Hij ademt met de zee.

Hij beweegt mee.

Niet veel.

Net genoeg om te voelen dat hij niet van steen is.

Hij is van hout en metaal en tijd.

De oude man en zijn hond zijn ook bij het einde aangekomen.

Ze staan aan de andere kant van het platform.

De hond heeft zijn voorpoten op de onderste lat van de reling.

Hij kijkt naar het water.

Zijn oren wapperen in de wind.

Zijn staart beweegt zacht.

De man staat naast hem.

Zijn hand rust op de rug van de hond.

Ze kijken samen naar de zee.

naar de horizon.

naar de meeuwen die boven het water zweven.

Het is een beeld van rust van verbinding.

De man zegt iets zacht tegen de hond.

De hond draait zijn kop.

Hij kijkt de man aan.

De man glimlacht.

De hond.

Kwispelt.

Je loopt langzaam naar de andere kant van het platform.

Je wilt niet storen, maar de man kijkt op.

Hij groet je met een kleine beweging van zijn hoofd.

Je groet terug.

De hond snuffelt in jouw richting.

Zijn neus beweegt snel.

Hij ruikt je.

Hij ruikt je jas.

Je schoenen.

Alles waar je vandaag bent geweest.

De man trekt zacht aan de riem.

Niet streng.

Gewoon een herinnering.

De hond komt terug naar zijn kant.

Hij gaat zitten.

Zijn tong hangt een beetje uit zijn bek.

Hij hijgt licht.

Blij van de wandeling.

Blij van de wind.

Blij van alles.

Een grote golf rolt aan.

Groter dan de andere.

Hij komt van ver.

Hij groeit terwijl hij nadert.

Hij breekt tegen de pier.

Het geluid is dieper.

Vol.

Het water spat hoog op.

Druppels vallen op de planken.

Een paar raken je gezicht.

Koud en zout.

Je likt je lippen.

Het zout blijft hangen.

De golf trekt zich terug.

Het water kolkt.

Schuim blijft achter op de steen.

Langzaam verdwijnt het.

De zee wordt weer glad.

Tot de volgende golf komt.

De man kijkt naar de lucht.

Hij kijkt naar de wolken die vanuit zee komen.

Grijs en dik.

Misschien komt er regen.

Misschien niet.

Hij lijkt het niet erg te vinden.

Hij trekt zijn sjaal iets rechter.

De hond schudt zijn vacht.

Zijn oren klapperen.

De man lacht zacht.

Hij bukt en aait de hond over zijn kop.

Over zijn rug.

De hond leunt tegen zijn been.

Vertrouwen.

Liefde.

Simpel en puur.

Je draait je naar de horizon.

De lijn is nu onduidelijker.

De lucht en de zee lopen in elkaar.

Grijs op grijs.

Maar het is mooi.

Het is vredig.

De meeuwen zijn stiller nu.

Ze zitten op de reling verderop.

Hun koppen zijn naar binnen gedraaid.

Rust.

Zelfs de vogels voelen dat de dag rustiger wordt.

Dat de tijd langzamer gaat.

Dat er niets moet.

Alleen zijn.

De man begint terug te lopen.

De hond staat op.

Hij schudt nog een keer.

Zijn riem raakt de planken met een zacht geluid.

De man zegt iets tegen je.

Fijne dag nog.

Zijn stem is laag en vriendelijk.

Je glimlacht.

Jij ook.

Dat is alles.

Hij loopt verder.

De hond naast hem.

De riem losjes tussen hen.

Ze worden kleiner.

Ze lopen terug naar het strand.

Naar huis misschien.

Naar warmte en eten en een plek om te liggen.

Je blijft nog even.

Je handen op de reling.

Je gezicht naar de wind.

Je ogen half dicht.

De zee ruist.

De golven komen.

De golven gaan.

De pier wiegt nauwelijks merkbaar.

Je adem gaat diep.

De lucht vult je longen.

Zout en fris en schoon.

Je voelt je lichaam.

Je voeten op de planken.

Je handen op het metaal.

Je jas om je schouders.

Je sjaal om je nek.

Alles klopt.

Alles is zoals het moet zijn.

Een krab loopt over een steen vlakbij.

Je ziet hem nu duidelijk.

Zijn poten bewegen snel.

Hij gaat van steen naar steen.

Zoekend.

Levend.

Een meeuw landt op de reling naast je.

Dicht bij.

Je beweegt niet.

Hij kijkt naar je.

Zijn oog is helder en zwart.

Hij draait zijn kop.

Hij kijkt naar de zee.

Hij kijkt weer naar jou.

Dan spreidt hij zijn vleugels en vliegt weg.

Geen haast.

Gewoon verder.

Naar waar meeuwen heen gaan.

Je begint ook terug te lopen.

Langzaam.

Stap voor stap.

De planken kraken onder je.

Het geluid is bekend nu.

De reling glijdt langs je hand.

Het zout voelt ruw.

De wind duwt tegen je zij.

De golven rollen verder.

Links en rechts.

Altijd in beweging.

De horizon blijft stil aan de rand van alles.

Een grens die je niet kunt bereiken.

Die je niet hoeft te bereiken.

Halverwege de pier stop je nog een keer.

Je kijkt naar de steen in het water.

Drie krabben nu.

Een grote.

En twee kleine.

Ze klimmen over elkaar heen.

Geen strijd.

Gewoon beweging.

Leven zoekt zijn weg.

Het water spoelt over hen.

Ze houden zich vast.

Het water trekt zich terug.

Ze blijven.

Sterk en klein tegelijk.

Boven je cirkelen nog steeds meeuwen.

Minder nu.

De meeste zijn weg.

Naar het strand.

Naar de haven.

Naar plaatsen waar mensen zijn.

Waar eten is.

Maar een paar blijven.

Ze zweven op de wind.

Hun vleugels wijd.

Hun kreten zacht.

Ze horen hier.

Bij de zee.

Bij de wind.

Het zout.

Je jas wappert nu meer.

De wind is sterker geworden.

Of misschien merk je het meer op.

Je sjaal danst naast je gezicht.

Je trekt hem vast.

Je rits is nog steeds dicht.

Je bent warm genoeg.

Fris.

Maar niet koud.

Levend en aanwezig.

Het strand komt dichterbij.

Je ziet de eerste gebouwen.

Auto's in de verte.

Mensen die kleine stipjes zijn.

Maar je bent nog op de pier.

Nog omringd door water.

Nog in deze wereld van wind en golven en zout.

Je haast je niet.

Elke stap is rustig.

Elke ademhaling is vol.

Een laatste krab verschijnt tussen de stenen.

Hij is klein.

Heel klein.

Misschien jong.

Hij beweegt snel over het zeewier.

Zijn scharen zijn niet groter dan je nagel.

Hij verdwijnt in een spleet.

Veilig.

Het water komt.

Het water gaat.

Hij blijft waar hij is.

Je voeten raken het einde van de pier.

De planken maken plaats voor steen.

Voor zand.

Voor het strand.

Je draait je om.

Je kijkt terug.

De pier strekt zich uit in de zee.

Lang en smal en sterk.

De golven rollen tegen de palen.

De wind blaast langs de reling.

De meeuwen cirkelen boven het water.

Alles gaat door.

Alles blijft bewegen.

Je glimlacht.

Je voelt de wind nog op je gezicht.

Het zout nog op je lippen.

De frisheid nog in je longen.

Je jas zit nog dicht.

Je sjaal hangt nog warm.

Je bent hier geweest.

Op de pier.

In de wind bij de zee.

De zee ademt nog steeds.

Golf na golf.

De stenen blijven waar ze zijn.

De krabben leven hun leven.

De meeuwen vliegen hun rondjes.

De hond en de man zijn naar huis.

Jij bent hier.

Jij voelt dit.

Jij bent onderdeel van dit moment.

De lucht wordt zachter nu.

Het licht verandert.

De horizon vervaagt.

Alles wordt stiller in je hoofd.

De beelden blijven.

De pier, de zee.

De wind.

De hond die snuffelt.

De krab tussen de stenen.

De meeuw die zweeft.

De man die glimlacht.

Het zout op je tong.

De reling onder je handen.

De sjaal die wappert.

Je adem wordt langzamer.

Dieper.

Je lichaam wordt zwaarder.

Je ogen willen dicht.

Dat is goed.

Dat mag.

De pier is er nog.

De zee rolt verder.

De wind blaast.

Maar jij mag rusten.

Je mag zinken.

Je mag loslaten.

De planken onder je voeten worden zachter.

De wind wordt een fluistering.

De golven worden een ver geruis.

Alles vervaagt.

Alles wordt wazig.

Licht en donker lopen door elkaar.

Net als de zee en de lucht op de horizon.

Je gezicht ontspant.

Je schouders zakken.

Je handen liggen stil.

Je adem gaat vanzelf.

In en uit.

Zoals de golven.

Zo was de zee.

Alles hier ademt met je mee.

Kust is er.

De pier is er.

De zee ademt.

Jij ademt.

Alles is verbonden.

Alles is rustig.

Je mag slapen.

Je mag dromen van zout en wind en water.

Van meeuwen en krabben.

En een hond die snuffelt.

Van een man die glimlacht.

Van een pier die het water in loopt.

Slaap zacht.

De zee waakt.

De wind zingt.

Alles is goed.

Welterusten.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze