

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Je bent op een zolde kamer.
Het is een kleine ruimte onder het dak van een oud huis.
De avond valt zacht en grijs door het dakraam boven je hoofd.
Alles hier voelt rustig en veilig.
De lucht is warm, niet te heet, gewoon aangenaam.
Je zit op een laag bed met een dikke deken over je benen.
De deken is zacht en zwaar, een beetje als een warme arm om je heen.
De regen begint te tikken op het dakraam.
Eerst zacht, dan iets meer.
Het geluid is zacht en ritmisch.
De zolder ruikt naar oud hout en naar kaarsvet.
Je kunt de balken zien die het dak dragen.
Ze zijn donker en glad.
Een beetje gebogen van de jaren.
Je haalt adem, langzaam in en langzaam uit.
De regen tikt verder.
Je bent hier veilig.
De zolderkamer is niet groot.
Misschien vier of vijf stappen van de ene kant naar de andere.
De vloer is van hout, oud en een beetje ongelijk.
Als je eroverheen loopt, kan de vloer kraken.
Nu lig je stil, dus je hoort alleen de regen.
Het dakraam is recht boven het bed.
Het glas is een beetje beslagen door de warmte binnen en de koude lucht buiten.
Regendruppels lopen langzaam over het glas.
Ze maken kleine kronkelige wegen, als riviertjes op een landkaart.
Je kijkt naar die riviertjes en je adem wordt langzamer.
Naast het bed staat een klein tafeltje.
Op het tafeltje brandt een kaars.
Het licht van de kaars is geel en trilt een beetje.
Schaduwen bewegen zacht over de balken en over de schuine wand.
De kaars geurt naar was en naar iets zoets.
Misschien honing?
Je kijkt naar het vlammetje. Het danst rustig.
Je knippert langzaam met je ogen.
Op je schoot ligt een boek.
Het is een oud boek met een zachte kaft.
De bladzijden zijn een beetje geel en ruiken naar tijd.
Je bladert er af en toe doorheen,
maar je hoeft niet echt te lezen.
Het is fijn om het boek gewoon vast te houden, om de textuur te voelen.
De letters zijn klein en netjes.
Soms lees je een halve zin en droom je dan alweer weg.
Dat is ook goed.
De regen tikt door, regelmatig en kalm.
Het geluid is als een lied zonder woorden, alleen ritme en zacht getik.
Het dakraam vangt alle druppels op.
Sommige tikken hard, andere zacht.
Samen maken ze een patroon dat nooit precies hetzelfde is,
maar altijd rustgevend.
Je hebt een trui aan.
Het is een dikke wollen trui, een beetje te groot misschien.
Met lange mouwen die over je handen vallen.
De trui is warm en zacht.
De kleur is donkergroen of misschien donkerblauw.
Het is moeilijk te zien in het kaarslicht.
Aan je voeten heb je dikke kousen.
Ze zijn grijs of bruin, handgebreid misschien.
De kousen zijn warm en zacht.
Je tenen voelen behaaglijk.
Onder de deken is alles knus.
De deken ligt over je benen.
En over het boek.
Hij is dik en zwaar.
Gevuld met iets zachts.
Misschien wol.
Misschien veren.
Je voelt het gewicht en het troost je.
Je adem gaat in en uit.
Rustig en diep.
Naast de kaars op het tafeltje staat een klein kopje thee.
De thee is nog warm.
Je kunt de stoom een beetje zien in het kaarslicht.
De geur van de thee is kruiden.
En een beetje zoet.
Misschien kamille.
Misschien citroen.
Je tilt het kopje op en neemt een klein slokje.
De thee is warm en zacht.
Hij glijdt door je keel en verspreidt warmte in je borst.
Je zet het kopje terug.
De thee dampjes dansen in de lucht.
Alles voelt langzaam.
De regen tikt nog steeds.
Je hoort geen andere geluiden.
Geen auto's.
Geen stemmen.
Niets.
Alleen de regen.
En het zachte kraken van het hout.
Als het huis zich settelt in de avond.
In de hoek van de zolderkamer hangt een klein spinnenweb.
Het zit tussen twee balken.
Bijna onzichtbaar.
In het kaarslicht zie je het soms glanzen.
Het web is netjes.
Met perfecte lijnen en cirkels.
Het ziet eruit als kant.
Er zit geen spin.
Of misschien slaapt ze ergens anders.
Het web beweegt niet.
Het hangt gewoon stil.
Een klein kunstwerkje van draad.
Naast het web hangt een oud gordijn voor een klein raampje.
Het raampje kijkt uit op het dak van de buren.
Het gordijn is van linnen.
Dun en een beetje versleten.
Het is dichtgetrokken.
De kleur is wit.
Maar in het kaarslicht lijkt het goudachtig.
Het gordijn hangt stil.
Geen wind beweegt het.
Alles is rustig.
Je kijkt weer naar het dakraam.
De regen tikt zachter nu.
Of misschien went je er gewoon aan.
De druppels lopen over het glas.
Sommige smelten samen.
En worden grote, dikke druppels.
Die snel naar beneden glijden.
Andere blijven hangen.
En trillen een beetje bij elke nieuwe tik.
Het is hypnotiserend om naar te kijken.
Je ogen volgen de druppels zonder te denken.
Je hoofd ligt op een kussen.
Het kussen is zacht en een beetje plat.
Het ruikt naar wasmiddel en naar slaap.
Je gezicht rust tegen de stof.
Je wang is warm.
De deken ligt nog steeds over je heen.
Zwaar en geruststellend.
Het boek op je schoot beweegt zachtjes met je ademhaling.
Je leest niet meer.
Je kijkt alleen.
Je wegdromen begint zachtjes.
De balken boven je hoofd zijn donker en sterk.
Ze lopen van de ene kant van de zolder naar de andere.
Sommige balken zijn dik, andere dunner.
Ze zijn niet geschuurd of gelakt.
Gewoon rauw hout.
Je ziet de nerven van het hout.
De lijnen die jarenlang gegroeid zijn.
Er zitten kleine putjes en knoesten in.
De balken houden het dak omhoog.
Stil en sterk.
Ze kraken soms een beetje.
Heel zacht.
Als het huis verschuift.
Dat kraken is niet eng.
Het is vertrouwd.
Zoals een oude vriend die zijn keel schraapt.
De balken zijn deel van deze plek.
Ze waren hier al lang voordat jij kwam.
En ze zullen er zijn lang nadat je weg bent.
Dat idee is rustgevend.
Je bent een gast in deze warme plek.
Veilig en klein.
De kaars brandt verder.
De vlam is stabiel.
Het was smelt langzaam en loopt in kleine stroompjes langs de zijkant van de kaars.
Het was is bleek en zacht.
Het licht flakkert niet veel.
Alleen af en toe.
Als er ergens een klein zuchtje lucht is.
De schaduwen op de muur bewegen mee.
Het is een langzame dans.
Je kijkt naar de kaars en je ogen worden zwaar.
Knipperen voelt goed.
Je laat je ogen dicht voor een moment.
En dan open je ze weer.
De kamer is er nog steeds.
De regen is er nog steeds.
Alles is hetzelfde.
Rustig en warm.
Je haalt diep adem.
De lucht ruikt naar kaars.
Naar thee.
Naar hout.
En naar regen buiten.
Je denkt aan niets speciaals.
Misschien komen er beelden in je hoofd.
Zacht en zonder rand.
Je ziet misschien een tuin of een weg of een gezicht.
Maar de beelden komen en gaan als wolken.
Ze blijven niet hangen.
Dat is fijn.
Je hoeft niets vast te houden.
De regen op het dakraam neemt je mee.
Het tikken is een kleine reis.
Steeds weer opnieuw.
Elke druppel is een stap.
Je volgt het geluid en je drijft erop.
Je lichaam ligt stil onder de deken.
Maar je geest drijft zachtjes.
Je bent half hier, half ergens anders.
Het is een plek tussen waken en dromen.
Een zachte overgang.
De vloer onder het bed is stil.
Eerder vandaag ben je over de vloer gelopen.
Toen kraakte hij onder je voeten.
Nu is hij stil.
Misschien slaapt de vloer ook.
Het hout rust.
De planken liggen naast elkaar.
Oud en versleten.
Er liggen hier en daar kleine stofjes in de kieren.
Dat geeft niet.
Het hoort erbij.
De vloer is niet perfect.
En dat maakt hem mooi.
Je kunt de textuur bijna voelen.
Ook al lig je op het bed.
Je voeten in de kousen rusten op de deken.
Ze zijn warm en ontspannen.
Je tenen bewegen niet.
Alles is stil.
Je pakt het boek weer vast.
De bladzijden ruizen zacht als je erin omdraait.
Het ruizen is als het geluid van bladeren.
Of van zacht papier in de wind.
Je leest een paar woorden.
Ze gaan over een tuin of over een reis.
Het is niet helemaal duidelijk.
Het maakt ook niet uit.
De woorden zijn gewoon gezelschap.
Het boek ligt zwaar en warm op je schoot.
De deken ligt er overheen.
Je hand rust op de bladzijden.
Het papier is glad en koel onder je vingers.
Je draait nog een bladzijde om.
Het ruizen komt weer.
Zacht als een zucht.
Dan leg je het boek opzij.
Op het tafeltje naast de kaars.
Het ligt daar netjes.
Kaft naar boven.
Je hoeft nu niet meer te lezen.
Je kunt gewoon zijn.
De thee in het kopje is nu minder warm, maar nog steeds aangenaam.
Je neemt nog een slokje.
Het smaakt mild en een beetje zoet.
Het kopje is klein en past precies in je hand.
De warmte van de thee verspreidt zich in je vingers.
Je zet het kopje terug.
De stoom is bijna weg.
Dat is goed.
Alles vertraagt.
De avond wordt dieper.
Buiten wordt het donkerder.
Door het dakraam zie je de lucht veranderen van lichtgrijs naar donkergrijs.
De regen tikt door.
Onvermoeibaar en zacht.
Het is een geruststellend geluid.
Als een hartslag van het huis.
Je ogen dwalen weer naar het spinnenweb in de hoek.
Het is zo fijn gemaakt.
Elke draad heeft een plek en een doel.
Het web hangt daar rustig.
Wachtend op niets.
Het is gewoon.
De balken ernaast zijn stevig en donker.
Je ziet hoe het web eraan vastzit.
Met kleine ankerpunten.
Het web beweegt niet.
Zelfs niet een beetje.
De lucht in de kamer is stil.
Geen wind.
Geen tocht.
Het gordijn bij het kleine raam hangt ook stil.
Alles is in rust.
Je voelt hoe je eigen lichaam ook tot rust komt.
Je schouders zakken.
Je nek ontspant.
Je adem wordt dieper en langzamer.
Elke uitademing duurt langer dan de vorige.
Dat is fijn.
Je kijkt weer omhoog naar het dakraam.
De druppels tikken en glijden.
Het glas is nu helemaal beslagen.
Je ziet de wereld buiten niet meer scherp.
Alleen vormen en schaduwen.
Dat is genoeg.
Je hoeft niet te zien wat er buiten is.
Hier binnen is alles wat je nodig hebt.
De warmte van de deken.
Het licht van de kaars.
Het tikken van de regen.
Je laat je hoofd dieper in het kussen zakken.
Het kussen past zich aan je vorm aan.
Het omhult je wang.
En je oor.
Je hoort de regen nu een beetje anders.
Een beetje zachter.
Omdat je oor bedekt is.
Alles wordt gedempt.
Je ogen vallen dicht.
En je laat ze dicht.
Je opent ze niet meteen.
Je rust gewoon.
De kaars brandt langzaam op.
De vlam wordt misschien iets kleiner.
Maar hij brandt nog steeds stabiel.
Het licht wordt misschien iets zwakker, maar het is er nog.
De schaduwen worden misschien iets dieper, maar ze zijn zacht.
Niets voelt bedreigend.
Alles voelt als een omhelzing.
De zolder omhult je.
De balken houden het dak vast.
Het dak houdt de regen buiten, maar laat het geluid door.
Het is perfect.
Je bent beschermd, maar verbonden.
Je voelt de regen zonder nat te worden.
Je hoort de wind zonder kou te voelen.
Je bent binnen, veilig en warm.
De trui om je lichaam voelt zwaar en zacht.
De mouwen zijn lang en bedekken je handen bijna helemaal.
Je vingers steken er een beetje uit.
Je handen liggen rustig op de deken.
Je handpalmen zijn warm, je vingers zijn ontspannen.
De kousen aan je voeten zijn dik en zacht.
Je voeten voelen geen kou van de vloer, alleen warmte en zachtheid.
De deken over je benen is als een wolk, zwaar maar zacht.
Je voelt het gewicht en het geeft je rust.
Onder de deken ben je helemaal warm, je lichaam ontspant verder.
Elke spier wordt zwaar, je armen zijn zwaar, je benen zijn zwaar.
Je hoofd is zwaar op het kussen, alles zinkt.
Je inbedden in deze warme plek is moeiteloos.
Je hoeft niets te doen, de zolder doet het werk.
De deken trekt je naar binnen, het kussen houdt je vast, de warmte omgeeft je.
Je laat je inbedden, stap voor stap.
Eerst je voeten, dan je benen, dan je rug, dan je schouders, dan je hoofd.
Alles wordt zacht ontvangen, de regen helpt.
Elke tik op het dakraam is een kleine uitnodiging om dieper te zakken.
Je volgt de uitnodiging, je adem gaat mee, in en uit, langzaam en vol.
Je borst beweegt zacht, je buik beweegt mee, alles stroomt.
Het boek op het tafeltje ligt stil, het wacht op niets.
Het is gewoon een boek, met verhalen erin, maar nu slaapt het ook.
De thee in het kopje is nu bijna koud, dat geeft niet.
Je hebt genoeg gedronken, de warmte zit nu in je.
Het kopje staat stil, een kleine getuige van de avond.
De kaars brandt door, het was wordt minder, de vlam houdt stand, het licht blijft, klein, maar helder.
Je kijkt ernaar zonder te focussen, het is een vlek van geel in het donker.
Het is mooi, het gordijn aan de zijkant beweegt nog steeds niet.
Het linnen hangt zacht, de kleur is warm in het kaarslicht, alles in deze kamer heeft een plek.
Het spinnenweb in de hoek, de balken boven je hoofd, de vloer onder je bed.
Alles hoort erbij, jij hoort erbij.
Je bent deel van deze stille avond, van deze warme zolder, van dit zachte moment.
De regen tikt en jij luistert, dat is alles wat er is, geen verleden, geen toekomst.
Alleen nu alleen dit, alleen de regen en de warmte en de stilte.
Je wegdromen is nu bijna compleet, je bent niet meer helemaal wakker, maar ook niet helemaal in slaap.
Je drijft ertussenin, beelden komen voorbij, een oude straat met keien, een boom met dikke wortels.
Een kat die loopt, een lamp die brandt in een verre kamer, de beelden zijn zacht en hebben geen scherpe randen.
Ze vloeien in elkaar over, je volgt ze zonder inspanning, ze nemen je mee.
De regen tikt verder en het geluid wordt deel van de beelden, het wordt de soundtrack van je dromen.
Elke tik is een woord in een verhaal dat je niet hoeft te begrijpen, de zolder ademt met je mee.
Het hout van de balken kraakt soms, heel zacht.
Een klein geluid als een zucht, het is alsof het huis ook rust vindt.
De vloer onder je bed is stil en stevig, alles draagt je.
Je rust op het bed, het bed rust op de vloer, de vloer rust op de balken, de balken rusten op de muren.
Alles is verbonden en alles houdt stand, je bent veilig.
De deken over je heen is een cocon, je bent erin ingebed en het voelt als thuiskomen.
Je hoeft nergens heen, je mag hier zijn, zo lang als je wilt.
De kaars wordt steeds kleiner, het licht flakkert, één keer, twee keer, maar dan stabiliseert het weer.
Het is een dapper, klein vlammetje, het blijft branden voor jou.
De schaduwen op de balken bewegen zacht, ze zijn je vrienden, ze houden je gezelschap.
De regen op het dakraam is nu misschien iets zachter.
Of misschien ben je er gewoon zo aan gewend, dat het voelt als stilte.
Het tikken is er nog, maar het wordt deel van de achtergrond, het wordt deel van je ademhaling.
Je ademt in met de regen, je ademt uit met de stilte, in en uit, tikken en stilte.
Alles is ritme.
Je ogen zijn nu gesloten, je opent ze niet meer, het is niet nodig.
Je weet hoe de kamer eruitziet, je voelt de deken, je ruikt de kaars, je hoort de regen, dat is genoeg.
Je zintuigen werken rustig, ze brengen je kleine berichten, maar je hoeft er niets mee te doen.
Je ontvangt ze alleen, warm, zacht, stil, veilig.
De woorden komen en gaan, je lichaam is zwaar en ontspannen, je hart klopt rustig.
Je adem is diep en langzaam, je bent bijna weg, bijna in slaap, maar nog niet helemaal, je zweeft.
De nacht valt buiten, de lucht wordt zwart, de regen tikt door.
Binnen blijft het warm, de zolder houdt je vast, de balken boven je hoofd zijn sterk en stil.
Het dakraam vangt de regen op, het gordijn hangt rustig, het spinnenweb glanst in het laatste licht, de vloer draagt alles.
Je ligt onder de deken, in de trui, met de kousen aan je voeten, je bent helemaal omhuld.
Het kussen onder je hoofd is zacht, het boek op het tafeltje wacht, de thee in het kopje is koud, maar het geeft niet.
De kaars brandt bijna op, maar het licht is er nog, alles is zoals het moet zijn.
Je adem wordt steeds langzamer, elke ademhaling is een golf, je drijft erop, de regen op het dakraam tikt en tikt.
Het is eindeloos en troostend, je laat je meenemen, je verzet je niet, je laat los, de warmte omhult je, de stilte omringt je, de duisternis neemt je op.
Alles lost op in zachtheid, de zolder blijft, de balken blijven, de regen blijft, maar jij drijft weg, langzaam en zacht.
Je wegdromen is compleet, de nacht is diep en stil, de regen tikt zacht op het dakraam, je ligt warm onder de deken, veilig op de zolder.
Je adem is langzaam en diep, je lichaam rust helemaal, de kaars brandt zijn laatste licht, de schaduwen zijn zacht.
Alles is vrede, je hoeft niets meer te doen, je mag slapen, de zolder waakt over je, de balken houden stand, de regen zingt je toe, je ogen blijven dicht, je adem vertraagt, je zinkt dieper en dieper, welterusten, slaap zacht, Nederlandse nacht, houdt je vast.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze