

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het is maandagochtend.
De lucht is grijs.
Het regent een beetje.
De klok op het station zegt 8 uur en 5 minuten.
Het perron is nat.
Er staat een groot geel bord.
Trein naar Utrecht.
8 uur 12.
Mensen staan te wachten.
Ze kijken op een telefoon.
Ze zuchten.
Het ruikt naar natte jassen en koffie.
Ik heet Mark.
Ik sta ook op het perron.
Mijn tas is zwaar.
Ik moet naar mijn werk in Utrecht.
Vandaag is een belangrijke dag.
Ik heb een vergadering om 9 uur.
Mijn baas is streng.
Ik mag niet te laat komen.
Naast mij staat een vrouw.
Ze heeft een rode paraplu.
Ze kijkt boos.
Ze zegt: Wat duurt het lang, hè?
Ik knik.
Ja, zegt ik.
De trein is altijd te laat.
Maar vandaag is hij extra laat.
Op het bord staat 8 uur 12.
Maar het is al 8 uur 20.
De trein is er niet.
Dan hoor ik een stem door de speakers.
De stem zegt, beste reizigers.
De trein naar Utrecht van 8:12 heeft een vertraging van tien minuten.
Herhaal, 10 minuten.
De vrouw met de paraplu zucht hard.
Ze zegt, 10 minuten, dat is niet normaal.
Ik heb ook een afspraak.
Ik kijk op mijn horloge.
Het is 8 uur 25.
De trein is nog niet.
Andere mensen worden onrustig.
Een man in een grijs pak loopt heen en weer.
Een meisje met een rugzak speelt op haar telefoon.
Een oude mevrouw zit op een bankje.
Ze eet een broodje.
Het broodje ruikt naar kaas.
Dan komt er weer een stem.
De stem zegt, beste reizigers.
De trein naar Utrecht van 8:12 is helaas uitgevallen.
Herhaal, uitgevallen.
Er komt een vervangende trein om 8 uur 45.
Onze excuses voor het ongemak.
De vrouw met de paraplu gooit haar handen in de lucht.
Uitgevallen, zegt ze, dat meen je niet.
Ik moet om 9 uur op mijn werk zijn.
Ik kan niet wachten tot 8 uur 45.
Dat is te laat.
Ik voel mijn maag.
Het is een naar gevoel.
Ik denk aan mijn baas.
Hij wordt boos als ik te laat kom.
Ik kijk op mijn telefoon.
Ik stuur een bericht naar mijn baas.
Sorry, de trein is uitgevallen.
Ik kom later.
Mijn baas stuurt terug.
Niet weer, Mark.
Dit is de derde keer deze maand.
Ik zucht.
De man in het grijze pak zegt.
Ik neem de bus.
De bus stopt hier buiten.
Wie gaat mee?
De vrouw met de paraplu zegt.
Ja, ik ga mee.
Ik ook.
Even tussendoor.
Bedankt voor het luisteren.
Reageer onder deze aflevering.
Of stuur me een DM op Instagram.
Dan stuur ik je een speciale kortingskode
voor de interactieve versie van deze aflevering.
Veel plezier verder met het verhaal.
Zegt het meisje met de rugzak.
De oude mevrouw staat op.
Ze zegt, ik ga ook mee.
Mijn benen doen pijn, maar ik moet naar mijn dochter in Utrecht.
We lopen met een groep naar buiten.
De bushalte is vlakbij.
De regen valt zacht.
De bus komt na vijf minuten.
Het is een blauwe bus.
De deur gaat open.
De chauffeur zegt, naar Utrecht?
Ja, zegt de man in het pak.
De chauffeur knikt.
We stappen in.
De bus is warm.
Het ruikt naar leer en natte kleren.
Ik zoek een plek bij het raam.
De vrouw met de paraplu zit naast mij.
Ze glimlacht.
Eindelijk, zegt ze.
We gaan.
De bus rijdt langzaam.
De weg is nat.
De regen tikt op het raam.
Ik kijk naar buiten.
Ik zie huizen en bomen.
De vrouw zegt, ik heet Karin.
Ik werk in een ziekenhuis.
Ik ben verpleegkundige.
Ik zeg, ik heet Mark.
Ik werk op een kantoor.
We praten over het weer en over de trein.
Karin zegt, de treinen zijn nooit op tijd.
Ik lach.
Ja, zegt ik.
Dat is waar.
Om 9 uur zijn we nog niet in Utrecht.
De bus staat in de file.
Ik kijk op mijn telefoon.
Mijn baas heeft weer een bericht gestuurd.
Waar blijf je?
Ik typ: Nog in de bus.
Het spijt me.
Hij antwoordt niet.
Ik voel me niet goed.
Om 9 uur en 20 minuten komt de bus aan in Utrecht.
Ik stap uit.
De lucht is nog steeds grijs.
Ik loop snel naar mijn werk.
Het is een groot gebouw.
Ik ga naar binnen.
Mijn baas staat bij de deur.
Hij kijkt boos.
Mark, zegt hij.
Je bent te laat.
Ik zeg, sorry.
De trein viel uit.
Ik moest de bus nemen.
Hij zucht.
Ga maar naar de vergadering.
Maar dit is de laatste keer.
Ik loop naar de vergaderruimte.
De vergadering is al begonnen.
Iedereen kijkt naar mij.
Ik ga zitten.
Mijn gezicht is rood.
Ik voel me dom.
Maar dan denk ik aan Karin in de bus.
Ze was aardig.
We hebben samen gelachen.
En de oude mevrouw met het broodje.
Ze was ook lief.
Soms is een slechte dag niet zo slecht.
Na de vergadering ga ik naar huis.
De trein terug is wel op tijd.
Ik zit in de trein.
De trein rijdt door het land.
Ik kijk naar buiten.
De lucht wordt een beetje blauw.
Morgen is een nieuwe dag.
En wie weet, misschien zie ik Karin weer in de bus.
Of niet.
Maar dat is oké.
Tot de volgende.
Open de interactieve speler op Dutchfluency.com slash transcripts.
Tik op een woord als je vastloopt.
Bedankt voor het luisteren naar Dutch fluency.
Op Dutchfluency.com vind je de transcript en oefeningen.
Spreek Nederlandse zelfs als je stottert.
Tot de volgende keer.
Aanpassen
Tekst
Modus
Audio
Pauze