

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben Rick.
Ik ben leraar.
Ik kom uit Den Haag.
Vandaag ben ik in Rijen.
Rijen is klein.
Rijen is rustig.
Ik ben met twaalf kinderen.
Noor is er.
Sem is er.
Mila is er.
Tess is er.
Wij hebben een dag met bal.
De bal is rood.
De bal is rond.
De kinderen spelen veel.
Ik kijk naar hen.
De zon is geel.
Mijn jas is bruin.
Mijn tas is zwart.
In mijn tas is brood.
In mijn tas is water.
Sem kijkt in mijn tas.
Hij ziet een banaan.
Sem zegt: 'De banaan kijkt boos.' Mila lacht hard.
Ik lach ook.
De dag begint fijn.
Wij lopen naar het park.
Het park is groot.
Er zijn veel bomen.
Ik hoor een vogel.
Ik ruik brood.
Ik drink water.
Noor drinkt water.
Sem eet brood.
Tess leest een boek.
Het boek is blauw.
Mila speelt met de bal.
De bal gaat naar Rick.
Dat ben ik.
Ik doe een stap.
De bal komt bij mijn schoen.
Ik speel de bal terug.
Sem zegt: 'Rick is snel.' Ik zeg: 'Nee, ik ben oud.' De kinderen lachen.
Dan loopt Noor naar een boom.
Sem loopt met haar mee.
Mila gaat ook mee.
Ik zie Noor.
Ik loop naar Noor.
Bij de boom is een man.
De man heeft een blauwe jas.
De man is heel stil.
De man praat niet.
De man kijkt niet.
Noor zegt: 'Rick, kom snel.' Ik zeg: 'Kom bij mij.' Mijn stem is rustig.
Ik kijk naar de kinderen.
Ik zeg: 'Blijf hier bij mij.' De kinderen komen bij mij.
Ik bel 112.
Een vrouw hoort mij.
Zij zegt: 'Waar bent u?' Ik zeg: 'In Rijen, bij het park.' Zij zegt: 'Blijf rustig.' Ik zeg: 'Ja, ik ben rustig.' Noor houdt mijn hand.
Sem houdt zijn banaan.
De banaan is nu krom.
Sem zegt: 'Mijn banaan helpt ook.' Mila lacht een beetje.
Noor lacht een beetje.
Ik lach een beetje.
Daarna zijn wij stil.
Wij horen een auto.
Een witte auto komt.
Mensen van 112 komen.
Een arts komt naar mij.
De arts zegt: 'Wie belt?' Ik zeg: 'Ik ben Rick.' De arts kijkt naar de man.
Wij kijken niet.
Wij kijken naar de bal.
De bal is rood.
De bal is rond.
Dat helpt een beetje.
De arts komt terug.
De arts praat met mij.
De arts zegt: 'De man leeft niet meer.' Ik ben stil.
De kinderen zijn stil.
Noor heeft natte ogen.
Ik heb ook natte ogen.
Ik zeg: 'Dat mag.' Ik zeg: 'Wij zijn samen.' Sem zegt: 'De banaan is ook samen.' Tess lacht heel klein.
Ik zeg: 'Dank je, Sem.' Wij gaan naar de bus.
De bus is geel.
In de bus is het warm.
Wij drinken water.
Wij eten brood.
Noor zit naast Mila.
Sem zit naast Tess.
Ik zit voorin.
Ik kijk naar de kinderen.
Ze zijn stil.
Ze zijn ook lief.
Ik zeg: 'Jullie doen het goed.' Mila zegt: 'Ik denk aan de man.' Ik zeg: 'Ik ook.' De bus gaat naar Den Haag.
De dag is lang.
De dag is niet fijn.
Maar wij zijn samen.
Thuis drink ik thee.
Ik eet brood.
Ik kijk naar mijn hond.
Mijn hond kijkt naar mij.
Hij heeft mijn sok.
Ik zeg: 'Niet mijn sok.' De hond loopt weg.
Ik lach heel klein.
Ik denk aan Rijen.
Ik denk aan Noor.
Ik denk aan Sem.
Ik denk aan de man.
Mijn hart is warm.
Morgen ben ik weer leraar.
Ik ben er voor kinderen.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze