

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik heet Rick, ik kom uit Den Haag, en als leraar zeg ik vaak tegen mijn cursisten dat taal overal is.
In de supermarkt, in de tram, en zelfs op een koude ochtend voor een flat in Ridderkerk.
Die ochtend was ik daar om mijn tante Nel te helpen met haar nieuwe telefoon.
Volgens haar had het toestel een eigen wil, omdat het steeds foto’s maakte van haar oor.
Ik had net koffie gekregen, sterk genoeg om een lepel rechtop te laten staan, toen er een hard piepend geluid door de gang ging.
Tante Nel keek naar het plafond. ‘Is dat jouw telefoon?’ vroeg ze. ‘Als mijn telefoon zo klonk, zou ik hem meteen inleveren bij de politie,’ zei ik.
Een paar seconden later werd er op de deur geklopt.
Niet boos, maar wel snel.
Voor de deur stond buurvrouw Fatima van de vierde etage, met een grijze jas over haar pyjama.
Achter haar hield haar dochter Yara een knuffel vast, een konijn met één oor. ‘We moeten naar beneden,’ zei Fatima. ‘Er is koolmonoxide gemeten.
De brandweer is onderweg.’ Het woord koolmonoxide maakt een ruimte meteen kleiner.
Je ruikt niets, je ziet niets, maar toch kan het gevaarlijk zijn.
Tante Nel pakte eerst haar tas, daarna haar bril, en toen toch weer haar tas, omdat ze dacht dat ze die vergeten was.
In de gang stonden meer bewoners.
Een man met nat haar had nog shampoo achter zijn oor.
Iemand droeg twee verschillende schoenen.
Een kleine jongen vroeg of hij zijn pannenkoek mee mocht nemen, want die was volgens hem ook bewoner van de flat.
De vierde en vijfde etage werden naar buiten gestuurd.
Dat gebeurde rustig, al waren sommige mensen duidelijk geschrokken.
Ben, een oudere buurman met een rode sjaal, mopperde dat hij net zijn krant had opengeslagen. ‘Altijd als ik bij de sportpagina ben, gebeurt er iets,’ zei hij. ‘Misschien is dat een teken dat ik minder sport moet lezen.’ Ben liep langzaam, dus ik bleef naast hem.
Als hij alleen was geweest, zou hij misschien te lang in zijn woning zijn gebleven.
Nu werd hij geholpen door Fatima, die zijn arm vasthield alsof ze dat elke dag deed.
In het trappenhuis rook het naar vochtige jassen, schoonmaakmiddel en ergens ook naar aangebrande toast.
Ben keek naar de muren. ‘Raar hè,’ zei hij zacht. ‘Je woont naast elkaar, maar je weet vaak niet eens wie er een sleutel van de berging heeft.’ Buiten was de lucht lichtgrijs.
De wind kwam vanaf de rivier en kroop onder mijn jas.
Op de stoep stonden bewoners in kleine groepjes.
Sommigen belden familie, anderen staarden naar de ramen van hun eigen huis, alsof hun bank en planten elk moment iets konden zeggen.
De brandweer kwam met blauwe lichten de straat in.
Het geluid vulde de hele buurt.
Zelfs de duiven op het dak leken beledigd weg te vliegen.
Een brandweerman vroeg aan de bewoners wie klachten had.
Hoofdpijn, misselijk gevoel, duizeligheid.
Een jonge vrouw stak haar hand op.
Ze zei dat ze zich al sinds de avond ervoor niet lekker voelde.
Ze had gedacht dat het door te weinig slaap kwam.
Een andere bewoner vertelde dat zijn koolmonoxidemelder was afgegaan.
Hij had eerst gedacht dat het apparaat kapot was, omdat het ding al eerder had gepiept toen hij zijn tosti had laten verbranden.
Toch had hij gebeld. ‘Goed dat u dat gedaan heeft,’ zei de brandweerman. ‘Bij twijfel altijd bellen.’ Ik merkte dat de bewoners anders naar die man keken.
Niet als held uit een film, maar als iemand die gewone woorden gebruikte op het juiste moment.
Dat helpt.
Als mensen bang zijn, hebben ze geen lange uitleg nodig, maar heldere zinnen.
Dat zeg ik ook in mijn lessen.
Een zin kan een deur openzetten, maar ook een hoofd rustig maken.
Na een tijdje werd verteld dat er in een deel van de flat een te hoge waarde was gemeten.
De oorzaak moest nog worden gezocht.
Mogelijk lag het aan een apparaat in een woning of aan een probleem met de afvoer van lucht.
De bewoners mochten niet terug voordat alles was nagekeken.
Een paar mensen zuchtten.
Iemand maakte een grap dat zijn kamerplant nu eindelijk eens rust had.
Tante Nel zei dat haar koffie koud zou worden, alsof dat op dat moment de grootste ramp was.
Toch glimlachten mensen.
Humor is soms gewoon een jas die je aantrekt als het koud is.
Fatima deelde koekjes uit die ze snel had meegenomen.
Yara gaf het konijn met één oor aan Ben. ‘Voor als u bang bent,’ zei ze.
Ben keek ernstig naar het konijn. ‘Dank je.
Hij ziet eruit alsof hij al meer heeft meegemaakt dan ik.’ Toen lachte het groepje.
Niet hard, maar warm.
Ik zag hoe buren namen leerden.
De man met de twee schoenen bleek Arno te heten.
De jonge vrouw heette Melissa.
Tante Nel hoorde dat Fatima op vrijdag vaak soep maakte, en binnen vijf minuten had ze zichzelf bijna uitgenodigd.
Als de situatie niet zo vervelend was geweest, zou het bijna op een buurtfeest hebben geleken, alleen dan zonder muziek en met veel te veel pantoffels.
Na meer dan een uur mochten sommige bewoners onder begeleiding kort naar binnen om medicijnen of belangrijke spullen te halen.
Later werd bekend dat de lucht weer goed was op een aantal plekken, maar dat enkele woningen langer dicht bleven voor extra onderzoek.
Er werd geregeld dat mensen tijdelijk bij familie, vrienden of in een opvangruimte konden wachten.
Niemand vond dat leuk, maar de meeste bewoners begrepen het.
Je kunt boos zijn op een piepend apparaat, maar soms redt juist dat kleine lawaai je dag.
Aan het einde van de middag bracht ik tante Nel naar haar zus in Barendrecht.
In de auto was ze stil.
Daarna zei ze: ‘Weet je, Rick, ik dacht altijd dat ik hier bijna niemand kende.
Maar vandaag kende iedereen ineens iedereen.’ Ik knikte.
Buiten kleurde de lucht zacht oranje.
Mijn jas rook nog naar rook van de brandweerwagen en naar Fatima’s koekjes, een vreemde combinatie, maar niet onaangenaam.
Ik dacht aan de flat, aan de open ramen, aan de mensen op de stoep.
Soms word je uit je huis gehaald door iets wat je niet kunt zien.
En soms zie je daardoor juist beter wie er naast je woont.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze