

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Mijn naam is Rick.
Ik woon in Den Haag.
Ik ben leraar Nederlands.
Vandaag is het maandag.
Het is koud.
De wind is koud.
De wind waait hard.
Ik loop naar de supermarkt.
Ik wil brood kopen.
De supermarkt is dichtbij mijn huis.
Het is een kleine winkel.
De winkel heeft een rode deur.
Het rood is mooi.
Ik zie de deur.
Er is een man bij de deur.
Hij heeft een grote telefoon.
De telefoon is rood.
Het rood is fel.
Het is een fel rood.
De man kijkt naar zijn telefoon.
Hij is stil.
De straat is stil.
Dan hoor ik een geluid.
Het geluid is raar.
Het klinkt als een baby.
Het geluid is zacht.
Het is een zacht geluid.
Maar er is geen baby.
Er is geen baby op straat.
Het geluid komt van de man.
Of van zijn telefoon.
De man kijkt naar mij.
Hij zegt: 'Sorry, mijn telefoon huilt.' Ik kijk raar.
'Huilt uw telefoon?' vraag ik.
De man lacht.
Hij lacht zacht.
Hij zegt: 'Ja, mijn telefoon huilt.
Het is een app.
Mijn telefoon huilt als ik een bericht krijg.' Ik lach ook.
'Waarom?' vraag ik.
De man zegt: 'Omdat ik het grappig vind.
Mijn vrienden vinden het niet grappig.
Maar ik wel.' De man laat mij de telefoon zien.
De telefoon is groot en rood.
Er is een klein icoon.
Het is een baby.
De baby huilt.
De baby is klein en wit.
De baby heeft een wit gezicht.
De man zegt: 'Kijk, ik krijg een bericht.' De telefoon maakt een geluid.
Het klinkt echt als een baby.
Het geluid is hoog.
Het is een hoog geluid.
De man lacht hard.
Hij lacht met zijn mond open.
Ik lach ook.
Maar ik denk: 'Wat raar.' De man zegt: 'Mijn vrouw vindt het niet leuk.
Zij zegt: zet het uit.
Maar ik vind het leuk.
Het is grappig.' Ik kijk naar de telefoon.
De telefoon is rood en groot.
Het rood is fel in de zon.
De man is blij.
Hij zegt: 'Ik vind het leuk.
Het is een grap.' Ik denk aan mijn telefoon.
Mijn telefoon is wit.
Mijn telefoon huilt niet.
Mijn telefoon is stil.
Ik koop mijn brood.
Het brood is vers.
Het ruikt lekker.
Het brood ruikt naar warm graan.
Ik betaal met geld.
De man bij de deur kijkt nog naar zijn telefoon.
Hij lacht weer.
Ik loop naar huis.
De wind is koud.
De wind blaast in mijn gezicht.
Ik denk aan de huilende telefoon.
Het is raar.
Maar het is ook grappig.
Thuis eet ik mijn brood.
Het brood is warm.
Het brood smaakt goed.
Mijn telefoon is stil.
Mijn telefoon huilt niet.
Ik vind dat goed.
Maar ik denk aan de man.
Hij is blij met zijn huilende telefoon.
Iedereen is anders.
Dat is leuk.
Ik denk: 'Mijn telefoon is stil.
Maar de man is blij.
Dat is oké.' De man heeft een raar geluid.
Maar hij lacht veel.
Ik denk: 'Mensen zijn grappig.' Ik drink koffie bij mijn brood.
De koffie is warm.
Mijn telefoon is stil.
Ik ben blij.
De man is ook blij.
Dat is goed.
Tot de volgende.
Alle transcripten op dutchfluency.com slash transcripts.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze