Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

De geheime tuin: een vergeten meisje, een dichte deur en een tuin die alles geneest

Stel je voor. Je bent 9 jaar oud. Je woont in een groot huis in India. Je hebt nooit iets hoeverdoen. Je bedoende doen alles voor je.

Ze kleden je aan, ze geven je te eten, ze dragen je zelfs als je geen zin hebt om te lopen.

En dan, op een dag is iedereen weg. Iedereen die je kenden is gestorven aan een ziekte. Je bent helemaal alleen.

Wat zou jij doen? Dit is precies wat er gebeurt met Mary Lennex. Het meisje in het boek De Geheimetuin, van Francis, Hutchison Burnett.

Het boek komt uit 1911, maar het verhaal voelt nog steeds heel dichtbij.

Want het gaat over iets wat iedereen herkent. Je alleen voelen. En dan iemand vinden die je begrijpt.

Vandaag neem ik je mee naar het Engelse platteland, naar een groot huis met honderd kamers en een tuin die al tien jaar op slot zit.

Ik ben Rick van Dutch Fluency en dit is Boekisodes. Mary Lennox wordt geboren in India.

Haar vader werkt daar voor de Engelse regering. Haar moeder is een mooie vrouw die alleen maar feesten wil vieren.

Ze heeft geen tijd voor Mary. Dus wordt Mary opgevoerd door bedoende. Die bedoende doen alles wat ze zegt.

Als er boos wordt kunnen ze problemen krijgen. Mary leert nooit om vriendelijk te zijn. Ze leert nooit om dank je wel te zeggen.

Ze is altijd chagrijnig. Ze is mager met een bleek gezicht en kort zwart haar.

Als iemand iets aardigs tegen haar zegt, draait ze haar hoofd weg.

De andere kinderen in India noemen haar Mistress Mary Quite Contrary. Dat betekent zoiets als juffrouw Mary de dwarskop.

Mary is niet aardig, maar ze is ook niet gelukkig. Ze is gewoon vergeten. Niemand speelt met haar.

Niemand lees haar een verhaal voor. Ze zit alleen in haar kamer. Ze kijk naar buiten. Ze ziet andere kinderen lachen.

Zij lacht nooit. De bedienden blijven uit haar buurt. Ze zijn bang voor haar boze buien.

Haar moeder komt alleen langs als er gasten zijn. Dan moet Mary netjes doen.

Daarna gaat haar moeder weer weg. Mary blijft achter. Ze weet niet beter. Dit is haar leven.

Ze is alleen, maar ze kent niets anders. Dan komt de ziekte. Een erge ziekte, cholera. Verspreidt zich door het huis.

Eerst worden de bedienden ziek. Dan hoest haar moeder. Binnen een paar dagen zijn Mary's ouders dood. De bedienden zijn dood.

Mary is alleen in het grote huis. Ze weet niet eens dat haar ouders dood zijn. Ze slaapt, ze wordt wakker, ze zoekt eten.

De kamers zijn stil. Er is niemand om haar aan te kleden. Er is niemand om haar te eten te geven.

Ze loopt door de gangen. Ze roept, maar niemand antwoordt. Ze vindt wat brood in de keuken. Ze eet het alleen op.

Ze is bang, maar ze begrijpt niet wat er is gebeurd. Uiteindelijk vinden de soldaten haar. Ze tillen haar op.

Ze brengen haar naar een huis van een dominee. Daar hoort ze pas dat haar ouders dood zijn. Ze huilt niet.

Ze voelt bijna niets. De soldaten regelen een schip. Ze sturen haar naar Engeland, naar haar oom, meneer Craven.

Mary heeft haar oom nooit ontmoet. Ze weet alleen dat hij in een groot huis woont op de hei, in Yorkshire.

Dat huis heet Misselthwaite Manor. Het is een oud, donker gebouw met honderd kamers.

De meeste kamers zijn op slot en haar oom wil niemand zien. Mary stapt op de boot. Ze kijkt niet om.

Als Mary in Misselthwaite aankomt, is het winter. De wind waait hard over de hei. Het huis is stil.

Overal hangen donkere gordijnen. Een oude vrouw brengt haar naar een kamer. Mary krijgt een kamer met een groot bed.

Aan de muur hangt een schilderij van een meisje met een groene jurk. Het meisje op het schilderij lacht.

Mary kijkt naar het schilderij. Ze voelt zich nog eenzamer dan in India. Buiten huilt de wind.

Binnen is het donker. Ze kruipt in het grote bed. Ze trekt de deken over zich heen. Ze is helemaal alleen.

Maar dan ontmoet ze Martha. Martha is een dienstmeisje, ongeveer veertien jaar oud. Ze komt uit een arm gezin met twaalf kinderen.

Martha praat veel. Ze lacht veel. Ze is niet bang voor Mary. Ze zegt gewoon wat ze denkt.

Martha vertelt Mary over de tuinen rond het huis. Er is een grote tuin, een moestuin, een boomgaard.

En er is nog een tuin, zegt Martha. Een tuin die al tien jaar op slot is. Niemand mag erin.

De deur is dichtgemetseld. De sleutel is begraven. Mary's oren gaan rechtop staan. Een tuin die niemand mag zien.

Dat is wel heel interessant. Mary vergeet even dat ze alleen is. Ze wil meer weten. Mary begint buiten te wandelen.

Elke dag gaat ze met Martha's hulp naar de tuinen. Ze ziet de kale bomen, de bruine grond, de grijze lucht.

Maar ze voelt iets nieuws. Frisse lucht. Ze beweegt. Ze wordt sterker. Op een dag ziet ze een oude man in de tuin.

Het is Ben Weatherstaff, de tuinman. Hij is oud en knorrig, maar hij vertelt Mary over de rozen.

En over een roodborstje dat hem volgt. Het roodborstje is nieuwsgierig. Het kijkt naar Mary. Mary kijkt terug.

Voor het eerst in haar leven voelt ze iets als vriendschap. Met een vogel. Het is een klein begin, maar het is een begin.

Het roodborstje blijft bij Mary in de buurt. Als ze in de tuin loopt, fluit hij naar haar.

Op een dag zit hij op een hoopje aarde. Mary gaat kijken. Ze ziet iets glinsteren in de grond. Ze graaft met haar handen.

En dan vindt ze het. Een oude sleutel. De sleutel is bruin van roest. Maar hij is nog heel. Mary weet meteen.

Dit is de sleutel van de geheime tuin. Ze stopt hem in haar zak. Die nacht kan ze niet slapen.

Ze denkt aan de deur. Waar is de deur? Ze zoekt en zoekt. Dan ziet ze een stuk klimop tegen de muur. De wind blaast de bladeren opzij.

En daar, achter de klimop, is een deur. Mary steekt de sleutel in het slot. Ze draait. De deur gaat open. Mary stapt naar binnen.

Ze ziet een tuin die al tien jaar geen mens heeft gezien. Bedankt voor het luisteren. Reageer onder deze aflevering of stuur me een DM op Instagram.

Dan stuur ik je een speciale kortingscode voor de interactieve versie van deze aflevering. Veel plezier verder met het verhaal.

Een tuin die al tien jaar geen mens heeft gezien. Overal staan dode planten. Takken hangen in de war.

Maar tussen de dode bladeren ziet ze kleine groene puntjes. De rozen leven nog. De tuin is niet dood. Hij slaapt alleen. Mary is blij.

Ze besluit: dit is mijn tuin. Ik ga hem verzorgen. Ik ga hem geheimhouden. Ze gaat elke dag naar de tuin.

Ze trekt onkruid weg. Ze geeft water. Ze praat tegen de planten. En langzaam wordt Mary zelf ook sterker.

Haar wangen krijgen kleur. Ze eet beter. Ze lacht voor het eerst. Martha zit op de rand van Mary's bed.

Ze vertelt over haar broer Dickon. Dickon is twaalf jaar. Hij is altijd buiten. Hij kent alle dieren. Vogels eten uit zijn hand.

Een vosje volgt hem. Een kraai zit op zijn schouder. Mary luistert naar Martha. Ze wil Dickon graag ontmoeten.

Op een dag komt Dickon naar het huis. Mary is eerst verlegen. Ze durft bijna niets te zeggen.

Maar Dickon lacht vriendelijk naar haar. Hij zegt: ik ruik de tuin. Hij leeft. Mary kijkt hem aan.

Ze neemt hem mee naar binnen. Samen lopen ze door de geheime deur. Mary en Dickon werken samen in de tuin.

Dickon laat zien hoe je planten verzorgt. Hij trekt voorzichtig het onkruid weg. Hij geeft water aan de rozen.

Hij zegt, de natuur doet het werk. Wij helpen alleen. Mary knikt. Ze begrijpt wat hij bedoelt. Elke dag komen ze terug.

Ze zien de groene puntjes groter worden. De tuin wordt langzaam sterker. En Mary wordt ook sterker.

Ze voelt zich niet meer alleen. Ze heeft nu een echte vriend. Op een nacht hoort Mary iets vreemds.

Ze ligt in bed en luistert. Er komt een geluid uit de gang. Het klinkt als iemand die huilt. Mary gaat rechtop zitten.

Ze vraagt aan Martha: wie huilt er? Martha wordt bleek. Ze zegt: er is niemand. Dat is de wind.

Maar Mary gelooft daar niet. Ze wacht tot iedereen slaapt. Dan gaat ze de gang op. Het is donker.

Ze volgt het geluid. Ze loopt door de koude gangen. Ze opent een deur. En daar ligt een jongen in bed.

De jongen is mager. Zijn gezicht is bleek. Hij heeft donkere ogen. Hij ziet er ziek uit. Hij heet Colin. Hij is Mary's neef.

Hij is de zoon van meneer Craven. Colin huilt omdat hij alleen is. Hij denkt dat hij ziek is. Hij denkt dat hij snel zal sterven.

Mary gaat naast zijn bed staan. Ze zegt: nee, dat is niet waar. Je moet naar buiten. Je moet bewegen. Colin kijkt haar verbaasd aan.

Niemand heeft ooit zo tegen hem gepraat. Mary komt elke dag bij Colin. Ze vertelt hem over de tuin. Ze vertelt over de rozen en de vogels.

Colin luistert met grote ogen. Hij wil de tuin graag zien. Maar hij kan niet lopen. Denkt hij. Hij ligt al jaren in bed.

Mary en Dickon maken een plan. Ze duwen Colin in een rolstoel. Ze nemen hem mee naar buiten. Ze gaan door de geheime deur.

Als Colin de tuin ziet, begint hij te stralen. Hij ziet de rozen. Hij ziet de vlinders. Hij ziet de vogels. Hij ruikt de aarde. Hij zegt: ik wil hier blijven.

Ik wil leven. Langzaam probeert Colin te staan. Eerst trilt hij. Dan zet hij een stap. Dan nog een. Elke dag loopt hij in de tuin. De tuin geneest hem.

Zijn wangen worden rood. Zijn benen worden sterk. Hij lacht. Hij speelt. Hij is niet meer ziek. Mary kijkt naar hem. Ze is trots.

Ze is niet meer het zagreinige meisje. Ze heeft een vriend. En Colin heeft een vriend. Samen zijn ze niet meer alleen.

Ondertussen is Meneer Craven op reis. Hij is verdrietig omdat zijn vrouw is overleden. Ze hield van de tuin.

Na haar dood deed hij de tuin op slot. Hij kon dan niet meer naar kijken. Maar op een dag komt hij terug. Hij lopen naar de tuin. Hij hoort stemmen. Hij ziet kinderen rennen. En dan ziet hij Colin.

Colin rend naar hem toe. Vader, ik ben beter. Meneer Craven kan het niet geloven. Hij hield. Hij omarmt zijn zoon. De tuin is weer open. Het huis is weer vol leven.

Mary kijkt toe. Ze is niet meer het zagreinige meisje. Ze is een meisje met vrienden. Een meisje dat heeft geleerd om van iets te houden.

Wat maakt dit boek zo bijzonder? Het gaat niet alleen over een tuin. Het gaat over wat er gebeurt als je iemand een beetje aanlacht geeft.

Mary was vergeten. Colin was vergeten. De tuin was vergeten. En alle drie komen ze weer tot leven. De natuur doet dat. Maar ook vriendschap.

Dicken laat zien dat je niet rijk of belangrijk hoeft te zijn om iets goed te doen. Hij is arm, maar hij is vrij. Hij kent de dieren. Hij kent de planten. Hij is gelukkig.

En Mary en Colin leren van hem. Het boek zegt, je hebt geen medicijnen nodig om beter te worden. Soms heb je frisse lucht nodig. En iemand die in je geloofd.

Als je dit boek leest, voel je de wind op de hei. Je ruikt de rozen. Je hoort het roodporschevluiten. Het is een verhaal dat je meenemt naar een plek waar het goed komt.

Niet omdat er magie is, maar omdat mensen elkaar helpen. Mary, Colin en Dicken zijn geen helden. Het zijn kinderen. Maar ze veranderen een tuin. En daardoor veranderen ze zichzelf.

Dat is de kracht van dit verhaal. Het is al meer dan 100 jaar oud. Maar het blijft waar. Natuur en vriendschap kunnen genezen. Wil je het boek in het Nederlands lezen? Dat kan.

En als je woorden tegenkomt die je niet kent, kun je naar dutchfluency.com slash transcripts gaan. Daar kun je op elk woord tikken en de vertaling zien.

Transcript en quiz · gratis

De quiz is gratis. Log in voor flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00
Lees

Tekst

Modus

Audio

Pauze