Dutch Fluency
Find my level
Login
Play me!

De Club en de Appels

Hallo.

Ik ben Rick.

Ik ben leraar.

Ik woon in Den Haag.

Vandaag vertel ik een verhaal.

Het is een mooi verhaal.

Luister goed.

Kijk naar het park.

Het park is in Utrecht.

Het is een groot park.

Het gras is heel groen.

De bomen zijn hoog.

De zon schijnt.

Het is warm vandaag.

De lucht is blauw.

Ik hoor vogels.

De vogels zingen.

Het is een mooie dag.

Ik zie drie mensen.

Ik zie een man.

De man heet Sam.

Sam komt uit Amerika.

Sam is groot.

Sam heeft een hoed.

De hoed is wit.

Sam praat veel.

Sam praat hard.

Ik zie nog een man.

De man heet Mark.

Mark komt uit Nederland.

Mark is lang.

Mark heeft een fiets.

De fiets is blauw.

De fiets is mooi.

Mark fietst graag.

Ik zie een vrouw.

De vrouw heet Emma.

Emma komt uit Frankrijk.

Emma heeft een boek.

Het boek is rood.

Het boek is dik.

Emma leest graag.

Sam, Mark en Emma zijn vrienden.

Zij zijn een groep.

De groep heet de club.

De club is heel belangrijk.

Zij praten over de club.

Sam kijkt naar Mark.

Sam kijkt naar Emma.

Sam staat op.

Sam zegt iets.

"Wij hebben een club," zegt Sam.

"De club heeft appels nodig." Mark kijkt naar Sam.

Mark pakt zijn tas.

Mark zoekt in zijn tas.

Mark heeft een appel.

De appel is groen.

"Ik heb een appel," zegt Mark.

"Kijk, een groene appel." Emma kijkt naar Sam.

Emma pakt haar tas.

Emma zoekt in haar tas.

Emma heeft ook een appel.

De appel is geel.

"Ik heb een appel," zegt Emma.

"Kijk, een gele appel." Sam kijkt naar de appels.

Sam is niet blij.

Sam wil meer appels.

"Een appel is niet goed," zegt Sam.

"Twee appels is niet goed.

Wij hebben tien appels nodig." Mark snapt het niet.

Mark kijkt naar zijn fiets.

"Waarom tien appels?" vraagt Mark.

"Voor de club," zegt Sam.

"De club is groot.

Wij moeten veel eten.

Wij moeten sterk zijn." Emma kijkt naar haar boek.

Emma leest niet.

Emma luistert naar Sam.

"Ik heb geen tien appels," zegt Emma.

"Ik heb maar één appel." Sam wijst naar de straat.

Sam wijst naar de winkel.

De winkel is ver.

"Jullie moeten naar de winkel," zegt Sam.

"Jullie moeten appels halen.

Veel appels." Mark en Emma lopen.

Zij lopen naar de winkel.

Zij lopen op de straat.

De zon is warm.

Het is een lange weg.

Zij praten niet.

Zij zijn bij de winkel.

De winkel is heel groot.

Zij zien veel fruit.

Zij zien veel appels.

Rode appels.

Groene appels.

Gele appels.

Mark pakt een mand.

Mark koopt vijf appels.

Emma koopt vijf appels.

Zij betalen.

Zij hebben nu tien appels.

Zij lopen terug.

Zij lopen weer op de straat.

Zij lopen naar het park.

Sam is in het park.

Sam zit op het gras.

Sam kijkt naar de vogels.

Mark en Emma zijn in het park.

"Hebben jullie de appels?" vraagt Sam.

"Ja," zegt Mark.

"Hier zijn vijf appels." "Ja," zegt Emma.

"Hier zijn vijf appels." Sam kijkt naar de tien appels.

Sam is nu blij.

Sam lacht.

"Goed zo," zegt Sam.

"Jullie zijn goede vrienden.

De club is nu sterk.

Wij hebben veel appels." Zij zitten op het gras.

Zij eten de appels.

De appels zijn zoet.

De appels zijn heel lekker.

Sam eet een appel.

Mark eet een appel.

Emma eet een appel.

Zij praten over de club.

Zij lachen veel.

Het is een goede dag.

De zon schijnt nog steeds.

De lucht is nog blauw.

De club heeft nu veel appels.

Sam wil morgen peren.

Maar dat is voor morgen.

Vandaag eten zij appels.

Vandaag zijn zij blij.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze