

Audio1x
Speed
Pause
PracticeRead
Mode
Woordenschat
Stel je voor.
Je bent 18 jaar en je wilt niets liever dan schilderen.
Maar iedereen om je heen zegt dat je je moet gedragen, dat je moet werken, dat je je
moet aanpassen.
Wat doe je dan?
Als het aan Jan Kramer ligt, gooien je alles om ver.
In zijn boek, ik Jan Kramer uit 1964 vertelte hij het verhaal van een jonge man die wijger
zich te voegen naar de regels van de maatschappij.
Het boek werd een sensatie.
Niet alleen omdat het zo openheartig was, maar ook omdat het een generatie aanspraak die
genoeg had van de braven jaren 50.
Vandaag neem ik je mee in dit wilde, rauwe en soms schokkende verhaal.
Ik ben Rick en dit is Boekie Zoets.
Het is vroeg in de ochtend in Hengelo, vlak na de Tweede Wereldoorlog.
De jonge Jan zit aan de keukentafel en kijk naar buiten.
Zijn moeder zet een bord papp voor een neer en zucht.
Ze zegt zacht, eet nou door, je moet naar school.
Zijn vader staat bij de deur en kijk het streng.
Hij zegt, je leert maar één vak, tekenen is geen werk.
Jan zegt niet terug.
Hij klemt zijn kaken op elkaar en kijk naar zijn handen.
Op school zit hij achterin en let niet op.
De meester zegt, Jan, kijk naar het bord.
Jan tekent ondertussen poppetjes in zijn schrift.
Buiten ziet hij mensen lopen die precies doen wat er van hen verwacht wordt.
Dat maakt hem woedend van binnen.
Hij wil vrijheid, avontuur en kunst.
De volgende dag gaat het weermis op school.
De meester pakt zijn schrift af en houdt het omhoog voor de klas.
Hij zegt, dit is geen les, dit is rummel.
Jan staat op en loopt naar de deur.
De meester roept, blijf hier staan, maar Jan gaat weg.
Tuis zegt zijn vader dat hij zich moet gedragen.
Zijn moeder probeert te susse en zegt, hij is nog jong.
Jan trekt zich terug op zijn kamer en pakt een potloot.
Hij teken de straat, de mensen, het lawai, hij voelt dat hij anders is dan de rest.
Hij wil niet leven zoals iedereen om hen heen.
Hij is bereid om daarvoor te vechten.
Jan blijkt goed te kunnen tekenen.
Zijn tekeningen vallen op bij een buurman.
Die zegt, die jongen heeft talent.
Maar talent alleen is niet genoeg.
Nederland is nog aan het bijkomen van de oorlog.
Er is weinig geld en er is weinig werk.
Zijn ouders hebben geen geld voor een kunstopleiding.
Zijn vader zegt, dat kunnen we niet betalen.
Dus gaat Jan aan het werk.
Hij schouwd kisten bij een winkel.
Hij veeg de vloer bij een baas.
Bij de ene baas is hij te eigen wijs.
Bij de andere baas is hij te luien.
Geen enkele baan houd hij lang vol.
Hij dromt van een leven als schilder, maar de werkelijkheid is hart.
Na een paar weken wordt hij weer weggestuurd.
De baas zegt, jij luistert niet naar mij.
Jan houdt zijn schouders op en loopt naar buiten.
Zijn moeder vraagt thuis wat er nu weer gebeurt is.
Jan zegt, die man snapt er niets van.
Zijn vader wordt boos en zegt, je moet gewoon doen wat je gezegd wordt.
Jan voelt dat hij moet vechten om te overleven.
Hij doet dat op zijn eigen manier.
Hij praat veel en praat over thuygend.
Hij gebruikt zijn charme en hij heeft een flinke dozeeslev.
Zo red hij zich vandaag tot dag.
Op een dag besluit Jan dat hij weg moet uit Hengelo.
Hij wil naar Amsterdam.
Daar gebeurt alles, denk hij.
Daar wonen de kunstenhuis.
Daar zijn de galerie en de cafés.
Hij pakt zijn spullen in een oude tas.
Hij heeft weinig geld en geen duidelijk plan.
Zijn moeder kijkt bezorgd als hij de deur uit gaat.
Ze zegt, bel je wel?
Jan knikt en loopt naar het station.
In de trein kijkt hij uit het raam.
De wij landen schuiven voorbij en hij voelt zich lichter worden.
Hij stapt uit op het centraal station in Amsterdam.
Overal om een heen is La Waai en beweging.
Hij voelt zich eindelijk thuis.
Als snel beland hij in een wereld van jonge kunstenhuis, schrijvers en muzikanten.
Ze wonen in krapen kamers en brinken te veel.
Ze praten de hele nacht over kunst en vrijheid.
Jan luistert en praten mee.
Maar ook hier zijn regels.
Ook hier moet hij vechten om serieus genomen te worden.
Mensen kijken naar zijn werk en halen hun schouders op.
Iemand zegt, dit is nog niet goed genoeg.
Jan slikt en zegt niet terug.
Hij weet dat hij moet doorzetten.
Hij pakt zijn potlood en begint opnieuw.
Jan loopt door de smannenstraten van Amsterdam en kijkt naar de lege panden.
Hij heeft bijna geen geld op zak.
Hij ziet een oud gebouw met dichtgespijker de ramen.
Hij wingt zijn vrienden en wijst naar de deur.
Hier, zegt hij.
Dit wordt ons atelier.
Ze vrikken de deur open en stoppen naar binnen.
Het ruikt er naar stof en vocht.
De muuren zijn kaal en de vloer is fies.
Jan pakt een pot verf en begint meteen te schilderen.
Zijn vrienden lachen en pakken ook een kwast.
Ze maken muziek op een oude gitaar en blijven de hele nachtwakker.
Buiten is het still, maar binnen bruist het van leven.
De volgende ochtend is het koud in het pand.
Jan heeft honger en zijn maag knort.
Een vriend biedt hem een half brood aan.
Jan neemt het aan zonder iets te zeggen.
Hij weet dat dit het leven is dat hij wil.
Zijn vrienden bewonderen zijn durf, maar één van hen schudt zijn hoofd.
Je gaat te ver, zegt hij.
Jan had zijn schouders op.
Als iemand hem uitdaagd, doet hij altijd nog een schepje bovenop.
Hij wijgert om terug te gaan naar hangelo.
Daar is het veilig, maar ook zai.
Hier is het koud en leeg, maar hij voelt zich vrij.
Op een middag zit Jan in een café aan de rand van de stad.
Hij ziet een meisje aan een tafeltje zitten.
Ze heeft een boek in haar hand en kijkt af en toe op.
Jan loopt naar haar toe en begint te praten.
Hij vertelt over zijn schilderijen en over zijn plannen.
Ze luistert, maar ze lacht niet naar hem.
Je praten veel, zegt ze.
Maar wat heb je echt gemaakt?
Jan voelt zijn wangen warm worden.
Hij had een foto van één van zijn werken tevoren.
Ze kijkt ernaar en schudt dan haar hoofd.
Dit is nog niet af, zegt ze.
Je moet nog veel leren.
Ze staat op en loopt weg.
Jan blijft alleen achter met zijn foto.
Die avond kan Jan niet slapen.
Hij denkt aan wat het meisje zij.
Hij beseft dat hij niet alleen tegen de buiten wereld vergt, maar ook tegen zichzelf.
Zijn trots zitten minder weg.
Hij wil haar laten zien dat hij een echte kunstenaar is.
De volgende dag zoekt hij haar weer op.
Hij neemt een nieuwschilderij mee.
Ze kijkt er lang naar en zegt dan, beter.
Jan glim lacht.
Hij voelt dat hij iets kan verliezen en dat maakt een vastberadener dan ooit.
Jan loopt door de stad en stapt een gallery binnen.
Een man achter een bureau kijkt op.
Wat wil je?
Vraagt hij.
Jan laat zijn werk zien.
De man schudt zijn hoofd.
Dit is de ruw, zegt hij.
Jan loopt naar buiten en probeert het bij een andere gallery.
Daar wordt hij uitgelachen.
Dit is geen kunst, zegt een vrouw.
Jan zegt niet terug.
Hij loopt door naar de volgende deur.
Hij klopt aan en wacht.
Soms gaat de deur open, soms niet, maar hij blijft kloppen.
Naweke krijgt Jan een klein plekje in een groepstentoonstelling.
Een kriticus schrijft dat zijn werk te wild is.
Een ander noemt het agressief.
Jan leest het en ligt de krant weg.
Hij pakt zijn kwast en begint aan een nieuw doek.
Hij schilderkt de stad, de mensen en het lawai.
Zijn werk is ruw, net als hij zelf.
Langzaam komen er meer mensen kijken.
Sommige blijven staan.
Jan trekt zich niets aan van de kritiek.
Hij schildert voor zichzelf, niet voor hen.
Jan zit op de rand van zijn bed in Amsterdam en hoort van een vriend over een tentoonstelling in Parijs.
Jonge kunstenaars mogen daar hun werk laten zien.
Jan springt meteen overeind.
Dit is zijn kans.
Hij roept naar zijn vrienden dat ze mee moeten gaan.
Ze hebben bijna geen geld, maar dat maakt Jan niets uit.
Ze pakken hun spullen en gaan de deur uit.
Onderweg liften ze van auto naar auto.
Soms moeten ze uren wachten langs de kant van de weg.
Ze slapen in goedkope hotels en eten weinig.
Jan zegt dat het avontuur belangrijker is dan een volle maag.
Na dagen reizen komen ze aan in Parijs.
Jan ziet meteen dat deze stad nog vrijer en kleurrijker is dan Amsterdam.
De cafés zitten vol schrijvers en schilders.
Niemand kijkt raar op als je de hele nacht door werkt.
Jan voelt zich als een vis in het water.
Hij bezoekt musea en praat met kunstenaars.
Hij leert nieuwe technieken en probeert ze meteen uit.
Maar ook hier moet hij vechten om op te vallen.
Even tussendoor, bedankt voor het luisteren.
Reageer onder deze aflevering of stuur me een DM op Instagram.
Dan stuur ik je een speciale kortingscode voor de interactieve versie van deze aflevering.
Veel plezier verder met het verhaal.
De concurrentie is groot en het geld is nog steeds een probleem.
Toch geeft Jan niet op.
Hij blijft schilderen en zoeken naar een plek tussen al die andere kunstenaars.
Terug in Nederland pakt Jan zijn schilderwerk weer op.
Maar er komt iets bij.
Hij begint zijn herinneringen op te schrijven.
Eerst zijn het losse stukken.
Later wordt het een boek.
Hij wil laten zien hoe het echt is.
Zonder mooi schrijverij.
Hij schrijft over zijn jeugd in Hengelo.
Hij schrijft over zijn driftbuien en over de meisjes.
Ook de kunst komt steeds terug in zijn verhalen.
Zijn vrienden lezen de stukken en schrikken.
Ze zeggen dat hij het niet moet publiceren.
Het is te persoonlijk.
Te schokkend.
Maar Jan luistert niet naar hen.
Jan stuurt het manuscript naar een uitgever en wacht af.
Het antwoord komt snel.
De uitgever wil het boek graag uitgeven.
Maar niet alle passages zijn even makkelijk, zegt hij.
Jan moet schrappen.
Sommige stukken zijn te ruw voor het publiek.
Jan leest de brief en legt hem weg.
Hij weigert.
Hij wil het boek precies zo publiceren zoals hij het geschreven heeft.
Geen woord gaat eruit.
De uitgever zucht en geeft uiteindelijk toe.
Het boek gaat de drukker op zoals Jan het wil.
Jan wacht gespannen op de reacties.
Dan is het zo ver.
Ik, Jan Cremer, verschijnt in 1964.
Meteen is het een schandaal.
Recensenten noemen het boek grof en opzienbarend.
Ze vinden het aanstootgevend, maar het publiek is gefascineerd.
Jongeren verslinden het boek.
Ze herkennen zich in Jans verzet tegen de brave burgerlijkheid.
Het boek vliegt de winkels uit.
Het wordt een bestseller.
En Jan Cremer wordt een beroemdheid.
Overal waar hij komt wordt hij herkend.
Mensen wijzen naar hem op straat.
Sommige mensen vinden hem een genie.
Anderen een opschepper.
Jan zelf geniet van de aandacht.
Hij laat zich graag zien en praat met iedereen die naar hem luistert.
Maar hij blijft ook wantrouwig.
Hij weet dat roem tijdelijk is.
Vandaag ben je beroemd, morgen ben je vergeten.
Daarom blijft hij werken.
Hij schildert door en schrijft door.
Hij wil serieus genomen worden.
Niet alleen als schandalschrijver, maar ook als kunstenaar.
De reacties van kritici laten hem koud.
Hij luistert liever naar zijn eigen gevoel.
En dat gevoel zegt hem dat hij pas net begonnen is.
Het is 1954 in een nieuwbouwwijk ergens in Nederland.
Een man in een grijs pak fietst naar zijn werk.
Naast hem rijdt zijn vrouw met een tas boodschappen.
Voor hun huis staat een klein hekje en achter het raam hangen witte gordijnen.
Binnen zit een jongen van 17 aan tafel.
Hij tekent op de rand van een krant.
Zijn moeder zegt, doe dat niet, daar is de krant voor.
De vader kijkt op van zijn bord en zegt, later zoek je een baan met een vast salaris.
De jongen legt zijn potlood neer en kijkt naar buiten.
Op straat speelt een kind met een bal.
Alles is netjes en stil.
Maar in de kamer ernaast liggen tekeningen onder het bed.
Daar staan woeste figuren op, met dikke lijnen en felle kleuren.
De jongen zegt niets, maar zijn handen trillen.
Hij wil schreeuwen, maar hij houdt zijn mond.
Hij weet dat zijn vader het niet snapt en hij weet dat hij hier weg moet.
Die avond gaat hij naar zijn kamer en pakt een schrift.
Hij schrijft op de eerste pagina, ik wil geen huisje, geen tuintje, geen baan.
Hij schrijft over de stad die hij haat en over de vrijheid die hij zoekt.
Zijn vrienden lachen hem uit als hij het voorleest.
Een van hen zegt, dat durf je nooit te publiceren.
De jongen antwoordt, wacht maar.
Hij bewaart het schrift onder zijn matras.
Elke nacht schrijft hij een stukje verder.
Zijn ouders merken niets.
Op school gaat het slecht, maar dat kan hem niet schelen.
Hij heeft een plan.
Hij wil laten zien hoe het echt is.
Geen mooie woorden, geen nette verhalen, alleen de waarheid, hoe hard die ook is.
En hij is van plan om die waarheid aan iedereen te laten lezen.
Het is 1964 in een klein kantoor in Amsterdam.
Een uitgever zit achter een bureau vol papieren.
Voor hem ligt een stapel manuscripten.
Hij slaat het eerste blad om en leest de eerste zin.
Dan leest hij verder.
Hij fronst, hij lacht, hij schudt zijn hoofd.
Zijn assistent komt binnen en vraagt, is het iets?
De uitgever zegt, dit is niet netjes.
Dit is niet braaf, maar dit is echt.
Hij belt de schrijver op.
Aan de telefoon zegt hij, ik wil het uitgeven, maar je moet schrappen.
De schrijver antwoordt, nee, alles blijft.
De uitgever zucht en kijkt naar de stapel.
Hij weet dat dit boek moeilijk wordt.
Maar hij weet ook dat hij het niet kan laten liggen.
Dit is geen gewoon boek.
Dit is een bom.
En hij wil hem laten ontploffen.
Een paar weken later ligt het boek in de winkel.
Een recensent leest het thuis en gooit het bijna weg.
Hij schrijft grof, opzettelijk aanstootgevend.
Maar op straat ziet hij jongeren met het boek onder hun arm.
In de trein leest een meisje het en ze lacht hard op.
In een café praten twee studenten erover.
Een van hen zegt, eindelijk iemand die niet doet alsof.
Het boek verkoopt snel.
De schrijver wordt gebeld door kranten en tijdschriften.
Overal waar hij komt, wordt hij herkend.
Een oude man schudt zijn hoofd en zegt,
dit is geen literatuur.
Een jonge vrouw zegt, dit is mijn leven.
De schrijver zegt niets terug.
Hij kijkt naar de menigte en denkt aan Hengelo.
Aan zijn vader, die zei dat hij een baan moest zoeken.
En hij glimlacht.
Het is nacht in een kleine kamer ergens in Nederland.
Jan zit achter een tafel met een leeg vel papier voor zich.
Naast hem staat een halfvolle fles.
Hij heeft net zijn boek gepubliceerd en zijn schilderijen verkocht.
Maar hij zit niet stil.
Hij krabbelt wat op het papier en gooit het weg.
Hij staat op en loopt naar het raam.
Buiten is het donker en stil.
Hij denkt aan Parijs, aan Amsterdam, aan alle mensen die hij heeft ontmoet.
Hij denkt aan de vrienden die hij heeft verloren en aan de meisjes die hij heeft gekust.
Hij pakt zijn jas en gaat naar buiten.
Op straat loopt hij alleen.
Hij weet niet waar hij heen gaat, maar dat maakt niet uit.
Hij wil bewegen, hij wil leven en hij wil meer, altijd meer.
De volgende ochtend komt hij thuis met verf aan zijn handen.
Hij heeft de hele nacht doorgewerkt aan een nieuwschilderij.
Zijn vrienden vragen waar hij is geweest.
Hij zegt buiten, ze lachen en schudden hun hoofd.
Ze weten dat hij nooit lang blijft zitten.
Hij pakt zijn spullen en begint weer te schrijven.
Het verhaal gaat verder, ook al is het boek af.
Hij maakt fouten, hij verliest mensen, hij valt en staat weer op.
Maar hij blijft zichzelf.
En dat is het enige wat hij echt wil.
Niet het geld, niet de roem, maar de vrijheid om te zijn wie hij is.
Hij kijkt naar zijn handen en ziet de verf.
Hij glim lacht en begint opnieuw.
Op een ochtend zit een jonge laser in een bibliotheek.
Hij heeft het boek net dicht geslagen en kijkt naar de kraft.
Zijn handen liggen still op tafel.
Hij denkt aan zijn eigen vader, die zegt dat hij moet studeren.
Hij denkt aan zijn moeder, die wil dat hij een nette vriendin zoekt.
Hij denkt aan de woorden van Jan.
Ik doe het op mijn manier.
De laser staat op en loopt naar buiten.
Op straat kijkt hij naar de mensen om zich heen.
Ze lopen snel, ze kijken niet op.
Hij wil iets doen, maar hij weet niet wat.
Hij voelt iets in zijn borst, iets dat hij niet kan benoemen.
Het is geen woede, het is geen verdriet, het is een hommer.
Hij wil ook vrij zijn, hij wil ook vechten.
En hij weet nu dat hij niet de enige is.
Als je dit boek leest of beluistert, zullen je soms ergeren aan Jan.
Hij is arrogant, hij is egoistisch, hij denkt alleen aan zichzelf.
Maar tegelijkertijd is hij ook kwetsbaar en eerlijk.
Hij verbert niets, en dat maakt hem menselijk.
Ik, Jan Cremer, is geen braaf boek.
Maar wel een boek dat je aan het denken zet.
Het is een uitnodiging om je eigen grenzen te verkennen
en om niets zomaar alles aan te nemen wat andere zeggen.
Of je nu een kunstenaar bent of niet?
Er zit een beetje Jan Kramer in ons allemaal.
Ik hoop dat je genoten hebt van dit verhaal over een van de meest rebelse figuren
uit de Nederlandse literatuur.
Als je de tekst wilt meelezen en woorden wilt opzoeken,
ga dan naar Dutchfluency.com slash transcripts.
Daar kun je op elk woord ticken en de vertaling zien.
Settings
Text
Mode
Audio
Pause