

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Er is een man, de man is op zoek, hij zoekt een sportschool.
De sportschool is hier in de buurt, hij heeft een auto, met de auto gaat hij naar de sportschool.
De man is goed, hij gaat vaak naar de sportschool.
Maar nu heeft hij een vraag, hij ziet iets op zijn computer.
Het is een vraag, de vraag is raar, de man is verbast, de vraag is, draag je je onderbroek langer dan een dag?
De man is in shock, hij begrijpt het niet, hij denkt, is dit echt?
De man drinkt een kop koffie, hij denkt na over de vraag, hij vindt het vreemd, hij gaat naar een café, hij vertelt over de vraag.
De mensen in het café zijn ook verbast, ze zeggen, dat is raar, de man gaat naar huis.
Hij denkt nog steeds aan de vraag, hij vindt het jammer, hij wil het niet begrijpen, de man heeft een vrouw.
Hij vertelt de vraag aan de vrouw, de vrouw lacht, ze zegt dat is grappig, de man is nog steeds in shock.
Hij denkt, zijn er mensen die dat doen, hij vindt het niet leuk, hij vindt het niet goed, het is avond, de man gaat naar bed.
Hij denkt aan de vraag, hij lacht, de vraag is raar, maar de vraag is ook grappig, de man denkt, het is goed, het is een grapp, de man slaapt.
Hij dromt over de vraag, in de droom is hij in de sportschool, hij draagt zijn onderbroek, de onderbroek is schoon, de man wordt wakker, hij lacht, de vraag is nog steeds raar, maar nu is de vraag ook leuk, de man gaat naar de sportschool.
Hij draagt een schone onderbroek, hij denkt, ik ben goed, de man is blij, hij heeft een goed gevoel, de vraag is raar, maar de vraag is ook leuk.
De man heeft een leuke dag.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze