

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Op een natte donderdagavond kwam ik, Rick uit Den Haag, iets te laat mijn lokaal binnen.
Mijn jas rook naar regen en tramremmen.
In de hoek pruttelde het koffiezetapparaat alsof het ook een mening had over het weer.
Op het bord had ik al geschreven: verleden tijd, voltooide tijd, toekomende tijd.
Het was dus de bedoeling dat we rustig werkwoorden zouden oefenen.
Maar op mijn bureau lag een bericht dat de les een andere kant op duwde.
Hasso Herschel was overleden.
Niet iedereen kende zijn naam, maar zijn daden hoorden bij een tijd die je niet met één jaartal kunt uitleggen.
Hij had mensen geholpen om uit Oost-Berlijn naar West-Berlijn te komen, soms onder de Berlijnse Muur door, via tunnels die in het geheim werden gegraven.
Ik keek naar mijn groep.
Amir draaide zijn pen tussen zijn vingers.
Eleni blies in haar thee.
Mevrouw Van der Meer, die altijd vooraan zat, zette haar bril recht.
'Vandaag oefenen we tijden,' zei ik, 'maar we doen dat met een man die vond dat een muur niet het laatste woord mocht hebben.' Amir grijnsde.
'Dus grammatica met spanning?' 'Precies,' zei ik.
'Beter dan grammatica met alleen spruitjes.' Er werd gelachen, en dat hielp.
Daarna vertelde ik over Berlijn in de jaren zestig.
Families waren van elkaar gescheiden.
Straten die vroeger gewoon doorliepen, stopten ineens bij beton, prikkeldraad en wachters met geweren.
Als je aan de verkeerde kant woonde, kon een bezoek aan je zus veranderen in een plan dat maanden duurde.
Hasso Herschel was zelf uit het oosten gekomen.
Later hielp hij anderen.
Er werd gegraven vanuit kelders, winkels en huizen.
De aarde werd in emmers naar boven gehaald.
Het zand zat in haren, sokken en mouwen.
Boven de grond reden auto’s, blaften honden en deden buren alsof zij niets hoorden.
In mijn verhaal gaf ik één vluchteling een naam: Karin.
Zij was niet letterlijk uit het bericht gehaald, maar zij had kunnen bestaan.
Karin werkte overdag in een kantoor in Oost-Berlijn.
Haar broer woonde aan de andere kant.
Elke avond keek zij naar de muur, niet lang, want te lang kijken was al verdacht.
Op een dag kreeg zij via een vriend een briefje.
Er stond alleen een tijd, een straat en de woorden: neem niets mee dat geluid maakt.
'Waarom geen koffer?' vroeg Eleni.
'Omdat een koffer een verhaal vertelt,' zei ik.
'En soms wil je juist dat niemand een verhaal ziet.' In de nacht liep Karin naar het adres.
De lucht rook naar kolenrook en natte steen.
In een kleine kamer stonden drie mensen te wachten.
Een van hen was Hasso.
Hij sprak zacht en snel.
Er werd uitgelegd wat er zou gebeuren.
Eerst een luik, daarna een lage gang, dan stilte.
Als iemand bang werd, moest hij niet roepen, maar tegen de wand tikken.
Karin knikte, hoewel haar handen trilden.
Als zij was teruggelopen, zou niemand haar laf hebben mogen noemen.
Toch bleef zij staan.
Ik liet de klas even stil zijn.
Buiten reed een scooter voorbij.
Het geluid leek ineens veel te vrolijk voor het onderwerp.
Mevrouw Van der Meer zei: 'Je vraagt je af wat je zelf zou doen.' Dat was precies de zin waarop ik had gehoopt.
Ik schreef op het bord: Wat zou jij doen als vrijheid aan de andere kant van een tunnel lag?
Daarna moesten de cursisten antwoorden in de voorwaardelijke wijs.
Amir zei: 'Ik zou kruipen, maar ik zou eerst klagen over mijn rug.' 'Heel Nederlands,' zei ik.
'Eerst klagen, dan held zijn.' Eleni zei zachter: 'Ik zou bang zijn dat mijn adem te hard klinkt.' Dat vond ik een mooie zin.
Ik schreef hem op.
In de tunnel was de lucht warm en vies.
De muren voelden vochtig.
Iemand voor Karin schoof langzaam vooruit.
Achter haar kwam een man die telkens zijn schoen verloor.
Zelfs in angst kan iets komisch zitten, vertelde ik, al is het een soort humor waar je pas jaren later om kunt lachen.
Hasso en zijn helpers hadden van tevoren berekend hoe lang de gang moest zijn.
Toch kon niemand zeker weten of de uitgang veilig zou zijn.
Als de tunnel ontdekt was, zouden de helpers zijn opgepakt.
De mensen in de gang hadden misschien nooit het westen bereikt.
Maar die nacht ging het goed.
Karin zag eerst een hand, daarna een lamp, daarna een gezicht dat glimlachte.
Zij werd omhoog geholpen.
In het westen rook de kamer naar soep.
Iemand gaf haar een deken.
Ze zei niets.
Pas toen ze een klok hoorde slaan, begon ze te huilen.
Niet omdat alles voorbij was, maar omdat er nu een nieuw leven begon en niemand haar had geleerd hoe je daarmee start.
We spraken daarna over Hasso zelf.
Was hij een held?
Veel mensen vonden van wel.
Anderen stelden vragen, want bij sommige acties werd geld gevraagd.
Dat maakt het verhaal minder netjes, maar ook menselijker.
Geschiedenis is zelden een schoon bord waarop alleen goede of slechte mensen staan.
Soms doet iemand iets groots met handen die ook fouten hebben gemaakt.
Als leraar vind ik dat belangrijk om te zeggen.
Anders wordt het verleden een museumkast, mooi verlicht, maar zonder stof, zweet en twijfel.
Aan het einde van de les keek ik naar het bord.
Er stonden werkwoorden, namen en pijlen door elkaar.
De koffie was koud geworden.
Amir maakte een foto van de aantekeningen.
'Meneer Rick,' zei hij, 'dit was eigenlijk geen grammaticeles.' 'Jawel,' zei ik.
'We hebben alle tijden gehad.
Verleden: er was een muur.
Voltooide tijd: mensen zijn ontsnapt.
Toekomst: wij moeten opletten welke muren wij zelf bouwen, soms van beton, soms van formulieren, soms gewoon van gemak.' Niemand lachte meteen, en dat was goed.
Buiten glansden de straatstenen.
Ik deed het licht uit en dacht aan Hasso Herschel, aan Karin, en aan iedereen die ooit door het donker kroop om ergens vrijer adem te halen.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze