

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Mijn naam is Rick.
Ik woon in Den Haag, maar vandaag lees ik een artikel over Venezuela.
Het gaat over aardbevingen.
De mensen daar hebben geen schoon water.
Ze hebben ook geen goede toiletten.
Dat vind ik heel erg.
Het artikel staat op mijn telefoon.
Ik zie foto's van kapotte huizen en vieze straten.
De kleuren zijn grijs en bruin.
Het maakt me stil.
Ik kijk naar de foto's en zie stof in de lucht.
De lucht is niet blauw, maar grijs.
Het ruikt naar stof en vuil, denk ik.
Ik lees de woorden langzaam.
Het artikel is kort, maar de woorden zijn zwaar.
Ik vertel het aan mijn buurvrouw Maria.
Zij komt uit Venezuela.
Ze woont nu in Den Haag.
Ze werkt in een restaurant.
Ik bel haar op.
De telefoon gaat drie keer.
Dan hoor ik haar stem.
Haar stem is zacht en een beetje moe.
'Maria, heb je het nieuws gehoord?' vraag ik.
'Ja, Rick,' zegt ze.
'Ik maak me zorgen om mijn familie.' Haar stem klinkt zacht.
'Waar wonen ze?' vraag ik.
'Mijn moeder en broer wonen in Caracas,' zegt Maria.
'Daar was de aardbeving.' Ik hoor haar zuchten.
De zucht is diep.
'Wat is er gebeurd?' vraag ik.
'De huizen zijn beschadigd,' zegt ze.
'Er is geen water uit de kraan.
Mijn moeder moet lopen naar een rivier.
Maar het water is vies.
Het ruikt niet goed.
Het ruikt naar modder en afval.' 'Dat is gevaarlijk,' zeg ik.
'Ja,' zegt Maria.
'Mensen worden ziek omdat het water vies is.
Mijn tante was al ziek, maar nu is ze nog zieker.
Ze heeft koorts en hoest.' Ik denk na.
'Kan ik helpen?' vraag ik.
Maria lacht een beetje.
'Je bent lief, Rick.
Maar het is ver weg.' 'Toch wil ik iets doen,' zeg ik.
'Ik kan geld geven aan een hulporganisatie.' 'Dat is een goed idee,' zegt Maria.
'Ik doe dat ook.
Samen kunnen we meer doen.' We praten nog wat.
Maria vertelt over haar jeugd in Venezuela.
Ze vertelt over de warme zon en de leuke markt.
Ik hoor hoe ze lacht als ze over de gele bloemen praat.
De gele bloemen, zegt ze, groeien overal.
Ze ruiken zoet.
Maar nu is alles anders.
De aardbeving heeft veel kapotgemaakt.
De straten zijn stil, zegt ze.
Geen muziek meer.
Geen kinderen die spelen.
'Wat hebben de mensen nu nodig?' vraag ik.
'Water,' zegt Maria.
'Schoon water om te drinken.
En zeep om handen te wassen.
En medicijnen voor zieke mensen.' 'En toiletten?' vraag ik.
'Ja, ook,' zegt ze.
'Want zonder toiletten wordt het nog viezer.
Mijn broer zegt dat de straten stinken.
Ze stinken naar afval en vuil water.' Ik kijk naar mijn eigen huis.
Ik heb water uit de kraan.
Het water is helder.
Ik heb een schoon toilet.
De tegels zijn wit.
Ik voel me dankbaar.
Maar ik voel me ook verdrietig voor de mensen in Venezuela.
Het verschil is groot, denk ik.
Ik kijk naar de kraan en hoor het water stromen.
Het geluid is zacht.
In Caracas is dat geluid er niet meer.
Na het gesprek ga ik naar de computer.
Ik zoek een hulporganisatie.
De website is eenvoudig.
Ik geef wat geld.
Het is niet veel, maar het helpt een beetje.
Ik stuur een bericht naar Maria.
'Ik heb gedoneerd,' schrijf ik.
Maria stuurt terug: 'Dank je wel, Rick.
Je bent een goede vriend.' Ik voel me blij dat ik kan helpen.
Het is klein, maar samen met anderen maakt het verschil.
Ik denk aan de mensen in Venezuela.
Ik hoop dat ze snel hulp krijgen.
Ik denk ook aan Maria.
Ze is sterk, maar ik zie dat ze zich zorgen maakt.
Misschien bel ik haar morgen weer.
Ik denk aan haar stem en de zucht.
Het was een zware dag voor haar.
Maar we zijn vrienden, en vrienden helpen elkaar.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze