

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Je zit bij een raam in een oud-café aan de oude gracht in uw terecht.
Buiten valt de regen.
De regen tikt zacht op de kade.
Het geluid is rustig en ver weg.
Binnen is het warm.
Het licht is zacht geel.
De lucht ruikt naar koffie en hout.
Je hebt een koffiekop in je handen.
De koffiekop is warm.
Je voelt de warmte door het porselein.
Je adem wordt langzamer.
Je kijkt naar buiten.
De druppels glijden over het raam.
Ze laten kleine strepen achter.
De strepen glinsteren.
Je hoeft niets te doen.
Je blijft gewoon zitten.
De regen valt.
De tijd wordt langzaam.
Je sluit je ogen half.
Je luistert.
Het tikken van de regen is overal.
Het is als een zacht lied.
Je schouders zakken naar beneden.
Je adem vult je borst.
De lucht gaat naar binnen.
De lucht gaat naar buiten.
Alles is rustig.
Het café is oud en klein.
De muren zijn donker hout.
Er hangt een grote kast achter de bar.
De kast heeft glazen deuren.
Binnen staan kopjes en glazen.
Op de kast staat een kandelaar.
De kandelaar is van koper.
Het koper glanst een beetje in het licht.
Naast de kandelaar staat nog een kandelaar.
De kaarsen branden niet nu, maar je ziet de was.
De was is zacht wit.
Het café heeft tafels van donker hout.
De tafels zijn glad en oud.
Bij het raam staan stoelen met kussens.
De kussens zijn rood en een beetje versleten.
Naast je staat een kleine stoof.
De stoof verwarmt de ruimte.
De warmte komt langzaam omhoog.
Je voelt de warmte op je benen.
Het is aangenaam.
Je voeten rusten op de grond.
De vloer is van oude stenen.
De stenen zijn koel, maar de stoof verwarmt alles.
Je handen houden nog steeds de koffiekop vast.
De koffie is heet.
Boven de koffie zie je stoom.
De stoom stijgt op in kleine slierten.
De stoom verdwijnt in de lucht.
Je brengt de kop naar je mond.
Je drinkt een slok.
De koffie is bitter en zoet tegelijk.
Je voelt de warmte in je keel.
Je zet de kop neer op de tafel.
De tafel voelt glad aan.
Buiten valt de regen verder.
De regen valt op de kade en op de gracht.
De kade is nat.
Overal liggen plassen.
Een plas ligt voor het café.
De plas weerkaatst het licht van de lantaarns.
Het water in de plas beweegt als iemand langsloopt.
De druppels vallen in de plas.
Ze maken kleine cirkels.
De cirkels worden groter en verdwijnen.
Weer vallen druppels.
Weer worden er cirkels.
Het is een zacht patroon.
Je kijkt ernaar.
Je wegdromen wordt makkelijker.
Je ogen volgen een druppel op het raam.
De druppel glijdt langzaam naar beneden.
Hij ontmoet een andere druppel.
Ze worden een grotere druppel.
De grotere druppel glijdt verder.
Hij verdwijnt uit je zicht.
Je knippert langzaam met je ogen.
Je adem is diep en rustig.
Een fietser komt voorbij.
De fietser draagt een donkere cape.
De cape glimt van de regen.
De regen druipt van de cape af.
De fietser rijdt langzaam over de kade.
De wielen rijden door een plas.
Het water klotst op.
Het geluid is zacht en vol.
De fietser verdwijnt om de hoek.
Je hoort een fietsbel in de verte.
De fietsbel klinkt helder en licht.
Ding ding. Dan is het stil.
Alleen de regen tikt verder.
Het tikken is als een klok zonder wijzers.
Het meet geen tijd.
Het is gewoon daar.
Je luistert.
Je voelt hoe je lichaam zwaarder wordt in de stoel.
Je rug rust tegen de leuning.
Je schouders zijn ontspannen.
Je handen liggen los op de tafel.
De stoof verwarmt je voeten.
Alles is zoals het moet zijn.
Er komt een vrouw het café binnen.
Ze heeft een paraplu bij zich.
De paraplu is nat.
Ze schudt de paraplu uit bij de deur.
De druppels vallen op de mat.
Ze zet de paraplu in een standaard.
De standaard is van metaal.
Er staan al twee andere paraplu's.
De paraplu's zijn zwart en groen.
De vrouw loopt naar de bar.
Ze bestelt iets.
Je hoort haar stem niet goed.
De stem is zacht en ver weg.
De man achter de bar knikt.
Hij pakt een koffiekop.
Hij vult de kop met koffie uit een grote kan.
De stoom stijgt op uit de kan.
De vrouw loopt naar een tafel aan de andere kant van het café.
Ze gaat zitten.
Ze kijkt ook naar buiten.
Iedereen kijkt naar de regen.
De regen verbindt alles.
Je sluit je ogen helemaal.
Je luistert alleen naar het tikken.
De regen tikt op het raam.
De regen tikt op de luifel boven de deur.
De luifel is van groen canvas.
De regen maakt een zacht geratel op de luifel.
Het is een dieper geluid dan op het raam.
Je hoort beide geluiden.
Ze lopen door elkaar.
Het is als muziek zonder melodie.
Je opent je ogen weer langzaam.
Je kijkt naar de gevel aan de overkant van de gracht.
De gevel is oud en smal.
De stenen zijn rood en bruin.
De ramen van de gevel zijn hoog.
Achter de ramen hangen gordijnen.
De gordijnen zijn wit en dicht.
Je ziet de regen langs de gevel druipen.
Het water zoekt zijn weg naar beneden.
Het water volgt de voegen tussen de stenen.
Het glanst.
De gevel heeft een kleine luifel boven de voordeur.
De luifel beschermt de deur tegen de regen.
Onder de luifel is het droog.
Een kat zit daar.
De kat is grijs en wit.
De kat zit heel stil.
De kat kijkt naar de regen.
Misschien wacht de kat tot de regen stopt.
Of misschien kijkt de kat gewoon.
Zoals jij ook kijkt.
Je glimlacht een beetje.
Je pakt je koffiekop weer.
De koffie is nu minder heet.
Je drinkt nog een slok.
Je zet de kop neer.
De stoom is bijna weg.
Alleen een dun sliertje stijgt nog op.
Je adem wordt nog langzamer.
Er loopt weer een fietser voorbij.
Deze fietser heeft een grote paraplu boven zijn hoofd.
De paraplu is blauw.
De fietser houdt de paraplu met een hand vast.
Met de andere hand stuurt hij.
Hij rijdt langzaam.
De wielen draaien door de plassen.
Het water klotst weer.
Het is hetzelfde geluid als daarnet.
Het water klotst en valt terug.
De fietser verdwijnt.
Je hoort de fietsbel.
Ding.
Het geluid blijft hangen in de lucht.
Dan lost het op.
De regen neemt het geluid mee.
Alles wordt weer zacht.
Je kijkt naar de druppels op het raam.
Ze zijn overal.
Sommige druppels zijn groot.
Andere zijn klein.
Ze hangen aan het glas.
Ze wachten.
Dan glijdt er een naar beneden.
En nog een.
Het is een dans zonder haast.
Binnen is het warm en stil.
Het café heeft weinig mensen.
Naast de vrouw zit er een man bij de bar.
Hij leest een krant.
De krant ritselt zacht als hij de pagina omslaat.
De man heeft ook een koffiekop.
Hij drinkt af en toe.
Hij zet de kop neer.
Zonder geluid.
Alles gebeurt langzaam hier.
De tijd strekt zich uit.
Je voelt hoe je lichaam rust.
Je voeten zijn warm van de stoof.
Je rug is ontspannen tegen de stoel.
Je handen liggen stil.
Je kijkt naar de kast achter de bar.
De kast heeft veel planken.
Op de planken staan kopjes en schaaltjes.
Er staat ook een oude klok.
De klok tikt zacht.
Je hoort het tikken als je goed luistert.
Het tikken van de klok en het tikken van de regen zijn samen.
Ze maken een patroon.
Het patroon heeft geen begin en geen einde.
Het is gewoon daar.
Je voelt hoe je wegdromen verdergaat.
Je ogen worden zwaarder.
Je knippert langzaam.
Alles is rustig.
De lucht in het café is dik en warm.
Het ruikt naar koffie en oude boeken.
Misschien liggen er boeken ergens op een plank.
Je ziet ze niet, maar je ruikt het papier.
Het is een goed gevoel.
Het is een gevoel van thuis.
Je bent hier veilig.
Buiten is het nat.
Buiten is de regen.
Maar hier ben je warm.
De stoof verwarmt je.
Koffie verwarmt je.
Het licht verwarmt je.
Alles is zacht, geel en bruin.
De kleuren zijn als herfst, als oude foto's.
Je laat je schouders nog verder zakken.
Je adem vult je buik.
De lucht is warm als hij naar binnen gaat.
De lucht is zacht als hij naar buiten gaat.
Je hoeft nergens aan te denken.
De regen doet het werk.
De regen neemt alles mee.
Je sluit je ogen weer.
Je hoort de regen op de kade.
Je hoort de regen op de luifel.
Je hoort het water in de gracht.
Het water klotst zacht tegen de kant.
Een boot vaart voorbij.
De boot is klein.
Het is een bootje met een motor.
De motor bromt, laag en traag.
Het bootje gaat langzaam door de gracht.
Het maakt golven.
De golven klotsen tegen de kade.
Het geluid is zacht en ritmisch.
Klots, klots, klots.
Dan is het bootje weg.
De golven worden kleiner.
Het water wordt weer vlak.
De regen tikt verder.
Je luistert.
Je voelt hoe je lichaam wegglijdt in de stoel.
Je bent er nog, maar ook niet echt.
Je bent ergens tussen wakker en slapen.
Deze goede plek.
Een zachte plek.
Er komt weer iemand het café binnen.
Het is een jonge vrouw met een fiets.
Ze zet haar fiets tegen de muur buiten onder de luifel.
De luifel beschermt de fiets een beetje.
Ze komt naar binnen.
Ze heeft geen paraplu.
haar jas is nat.
haar haar heeft donkere plekken van de regen.
Ze schudt haar hoofd een beetje.
De druppels vallen op de grond.
Ze loopt naar de bar en bestelt.
De man achter de bar glimlacht.
Hij vult een koffiekop voor haar.
De stoom stijgt op. Ze pakt de kop en gaat bij het raam zitten.
Niet ver van jou.
Ze blaast op de koffie.
De stoom beweegt.
Ze drinkt.
Ze zucht.
Zacht.
Het is een tevreden zucht.
Ze kijkt naar buiten.
naar de regen.
naar de kade.
naar de gracht.
Iedereen hier doet hetzelfde.
Iedereen kijkt.
Iedereen rust.
Het is de manier van het café.
Het is de manier van de regen.
Je kijkt weer naar de kandelaar op de kast.
De kandelaar staat stil.
Hij vangt het licht.
Het koper heeft een warme kleur.
Het lijkt alsof het licht van binnenuit komt.
Maar het is alleen de weerspiegeling.
Naast de kast hangt een spiegel.
De spiegel is oud.
Het glas is een beetje vlekkerig.
In de spiegel zie je de reflectie van het raam.
Je ziet de regen in de spiegel.
Het is alsof de regen twee keer valt.
Eén keer echt.
Eén keer in de spiegel.
Je vindt het mooi.
Je wegdromen wordt dieper.
Je ogen vallen bijna dicht.
Je laat ze sluiten.
Het is goed.
Je hoeft niet te kijken.
Je kunt alleen luisteren.
De regen tikt.
De stoof verwarmt.
De koffiekop staat op de tafel.
Alles is op zijn plek.
Je adem is nu heel langzaam.
In en uit.
De lucht gaat door je neus.
De lucht vult je longen.
Je voelt je borst bewegen.
Het is een klein beetje beweging.
Het is genoeg.
Je lichaam weet wat het moet doen.
Je hoeft er niet over na te denken.
De regen helpt.
De regen tikt en tikt.
Het geluid is constant.
Het is als een anker.
Je drijft.
Maar de regen houdt je vast.
Je bent veilig.
Je voeten zijn warm.
De stoof verwarmt ze.
Je handen zijn warm van de koffiekop.
Ook al houd je hem niet meer vast.
De warmte blijft.
Je gezicht is ontspannen.
Je kaak is los.
Je voorhoofd is glad.
Alles is zacht.
Buiten wordt het een beetje donkerder.
De middag gaat over in de avond.
De lucht is grijs en dik.
De regen valt nog steeds.
Misschien valt de regen de hele nacht.
Dat geeft niet.
Je bent binnen.
Je bent warm.
De lantaarns langs de kade gaan aan.
Het licht is gel en warm.
Het licht weer kaatst in de plassen.
De plassen worden goudenspiegels.
De druppels vallen in de plassen.
Het goud beweegt.
Het danst.
Je kijkt ernaar door de draam.
Je hoofd rust tegen iets.
Misschien tegen je hand.
Misschien tegen de stoel.
Het geeft niet.
Je bent comfortabel.
Je ogen zijn dicht.
Je hoort de regen.
Je hoort het ticken.
Je hoort het druipen.
Alles stromt.
Ervaart nog een bootje door de gracht.
Dit bootje is still.
Het heeft geen motor.
Iemand roeiespane.
De spane gaan in en uit het water.
Plons.
Plons.
Het water klotst zacht.
Het bootje glijdt voorbij.
Je hoort het.
Maar je opent je ogen niet.
Je ziet het in je hoofd.
Het bootje is donker.
Het water is grijs.
De regen valt erop.
De druppels maken cirkels op het water.
Het bootje verdwijnt.
Het geluid verdwijnt.
Alleen de regen blijft.
De regen is altijd daar.
Het tickt op het raam.
Het tickt op de kade.
Het tickt op de luifel.
Het tickt op de gevel aan de overkant.
Het tikt overal.
Het vult de wereld.
Het vult je oren.
Het vult je hoofd.
Er is geen ruimte voor iets anders.
Alleen de regen.
Alleen het tikken.
Alleen de rust.
Je voelt hoe je wegzakt.
Je lichaam wordt zwaarder.
De stoel houdt je vast.
De warmte van de stof houdt je vast.
Het geluid van de regen houdt je vast.
Je bent omringd.
Je bent veilig.
Er is niets om bang voor te zijn.
Er is niets om te doen.
Je hoeft alleen maar te zijn.
Hier in dit café.
Bij dit raam.
Met deze regen.
Je adem is bijna onzichtbaar.
Hij komt en gaat.
Zo zacht.
Zo langzaam.
Je hart klopt rustig in je borst.
Het klopt in hetzelfde ritme als de regen.
Als het tikken.
Alles is verbonden.
Alles is één.
Je glimlacht van binnen.
Het is een kleine glimlach.
Een zachte glimlach.
Niemand ziet het.
Het is alleen voor jou.
De vrouw aan de andere tafel staat op.
Ze pakt haar lege koffiekop.
Ze brengt hem naar de bar.
Ze zegt iets tegen de man.
Dank je wel, misschien.
De man knikt.
Ze loopt naar de deur.
Ze pakt haar paraplu uit de standaard.
Ze opent de paraplu binnen een beetje om te testen.
Dan doet ze hem weer dicht.
Ze opent de deur.
De regen komt naar binnen.
Het geluid wordt harder voor een moment.
Dan sluit ze de deur.
Ze is weg.
De regen wordt weer zachter.
Alles is zoals het was.
Het café is stil.
Jij zit bij het raam.
De regen valt.
De tijd strandt.
Je bent bijna weg.
Bijna in slaap.
Bijna verdwenen.
In de warmte.
En het geluid.
Het is goed.
Het is perfect.
Je hoort nog een fietsbel.
Ding, ding, ding.
Het geluid is ver weg.
Het komt en gaat.
Een fietser met een paraplu misschien.
Of een fietser met een cape.
Het maakt niet uit.
Je ziet het niet.
Je hoort alleen.
En wat je hoort is mooi.
Het past in het patroon.
In het tikken.
In het klotsen.
In het druipen.
Alles is muziek.
Langzaam.
Zacht.
Muziek.
Muziek zonder noten.
Muziek van water.
En tijd.
Je lichaam luistert.
Je geest luistert.
Alles in jou luistert.
En terwijl je luistert.
Val je weg.
Je glijdt.
Je zakt.
Je drijft.
De regen draagt je.
Het café houdt je.
De warmte wikkelt je in.
Je bent bijna niet meer wakker.
Je bent bijna niet meer hier.
Maar het is goed.
Het is veilig.
Je kunt loslaten.
De regen blijft vallen.
De regen valt op de kade.
Op de gracht.
Op de daken.
Op de straten.
De regen valt overal.
Hij verwarmt niets, maar hij troost alles.
Hij wast alles schoon.
Hij maakt alles nieuw.
En jij ligt in de warmte van het café.
Veilig voor de regen.
En je luistert.
Je luistert.
Terwijl je verdwijnt.
Terwijl je wegdroomt.
Terwijl je gaat slapen.
De regen zingt je in slaap.
Het tikken is een slaaplied.
De druppels zijn een deken.
Je bent warm.
Je bent veilig.
Je bent thuis.
Hier.
Nu.
In dit moment.
In deze stilte.
In deze regen.
En langzaam.
Heel langzaam.
Sluiten je ogen zich.
Helemaal.
Ze worden te zwaar om open te houden.
Het geeft niet.
Je hoeft niet te kijken.
De regen is er nog.
Het tikken is er nog.
De warmte is er nog.
Alles wat je nodig hebt is er.
Je adem wordt zo zacht dat je hem bijna niet meer voelt.
Hij komt.
Hij gaat.
Dat is alles.
Dat is genoeg.
Je lichaam rust volledig in de stoel.
Je voeten.
Je benen.
Je rug.
Je schouders.
Je armen.
Je handen.
Je hoofd.
Alles rust.
Alles laat los.
De regen neemt alles mee.
De zorgen.
De gedachten.
De spanning.
Alles spoelt weg in de regen.
Alles verdwijnt in het water.
En wat overblijft.
Ben jij.
Stil.
Zacht.
Rustend.
Slapend.
Het café wordt stiller.
De man achter de bar veegt een tafel schoon.
Hij doet het zacht.
Hij maakt geen geluid.
De kast staat stil in het licht.
De kandelaar glanst.
De klok tikt.
Maar jij hoort het niet meer echt.
Je hoort alleen de regen.
De regen is alles.
Het tikt.
En tikt.
Het druipt.
Het klotst.
Het vult de wereld.
Het vult jou.
En je laat het toe.
Je laat de regen binnen.
Je laat de regen je meenemen.
Je drijft op het geluid.
Je drijft op het water.
Je drijft naar de slaap.
En terwijl je drijft.
Terwijl je zakt.
Terwijl je verdwijnt in de warmte en de regen.
Voel je hoe alles goed is.
Hoe alles klopt.
Hoe alles past.
De wereld is nat buiten.
Maar jij bent warm binnen.
De regen valt.
Maar jij rust.
De tijd gaat verder.
Maar jij blijft hier.
In dit moment.
In deze stilte.
In deze slaap.
Het raam is beslagen van de stoom.
Je ziet het niet meer.
Maar je weet het.
De druppels glijden aan de andere kant.
aan de buitenkant.
Jij bent binnen.
Jij bent veilig.
De stoof verwarmt.
De koffiekop staat leeg op de tafel.
De dag is bijna voorbij.
Maar het geeft niet.
Er komt een nieuwe dag.
Er komt meer regen.
Er komt meer warmte.
Er komt meer rust.
Maar nu?
Nu is het tijd om te slapen.
Om los te laten.
Om weg te zakken in de nacht.
In de regen.
In de stilte.
Laat je ogen zwaar worden.
Laat je lichaam zinken.
Laat de regen je dragen.
Het tikken gaat verder.
Het zal de hele nacht doorgaan.
Het zal er zijn als je slaapt.
Het zal er zijn als je droomt.
Het is een zachte aanwezigheid.
Een zacht geluid.
Een zachte omhelzing.
De regen houdt je vast.
Het café houdt je vast.
De warmte houdt je vast.
En jij laat los.
Je laat alles los.
Je adem wordt nog zachter.
Je lichaam wordt nog stiller.
En dan.
Heel langzaam.
Val je in slaap.
Helemaal.
Compleet.
Diep.
Zacht.
Veilig.
Welterusten.
Slaap lekker.
De regen waakt over je.
Het café beschermt je.
Alles is goed.
Alles is stil.
Alles is zoals het moet zijn.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze