Vind mijn niveau
Inloggen
Play me!
Alle podcasts

Een zomernacht op het platteland

De avond valt zacht over het platte land.

Je ademhaling wordt rustig.

De warmte van de dag blijft hangen in de lucht, maar het is nu zachter, vriendelijker.

De schemering kleurt de hemel roze en oranje.

Het licht wordt langzaam minder.

Overal om je heen hoor je kleine geluiden.

Een krekel begint te zingen in het hoge gras.

Dan nog een krekel.

En nog een.

Hun liedje vult de stilte.

Je adem gaat mee met het ritme van de krekels.

In, uit. Langzaam.

Heel langzaam.

De wereld wordt zachter.

Het dorp achter de heuvel is stil.

Hier, op dit erf, is alles rustig.

De dag glijdt weg.

De nacht komt eraan.

Je hoeft niets te doen.

Je mag alleen luisteren.

Je mag alleen zijn.

De schemering neemt je mee.

Het erf ligt breed en open voor je.

De grond is droog en warm onder je voeten.

Overdag heeft de zon hier geschenen.

Nu geeft de aarde die warmte terug.

Langzaam.

Zacht.

Je loopt een paar stappen.

Het gras aan de rand van het erf is hoog.

Daar zitten de krekels.

Hun zang wordt luider als je dichterbij komt.

Dan zachter weer als je blijft staan.

Je kijkt naar de schuur.

De oude schuur staat aan de kant van het erf.

Het hout is grijs en warm.

De deur staat een beetje open.

Binnen zie je hooi liggen.

Grote balen hooi.

Opgestapeld.

Het hooi ruikt zoet.

Het ruikt naar zomer.

Naar gras.

Naar lange dagen.

Je ademt diep in.

De geur van hooi vult je neus.

Je schouders zakken een beetje naar beneden.

Alles is goed.

Naast de schuur staat een hek.

Het hek is laag en wit.

De verf bladdert een beetje.

Het hek scheidt het erf van de wei.

In de wei groeit klaver.

Witte bloemetjes op groene stengels.

De klaver ruikt fris.

Een beetje zoet.

Een beetje groen.

Je legt je hand op het hek.

Het hout voelt glad.

Een beetje ruw op sommige plekken.

De warmte van de dag zit nog in het hout.

Je vingers rusten daar.

Je hoeft nergens heen.

Je mag hier blijven staan.

Zo lang je wilt.

De hemel wordt donkerder.

Niet snel.

Maar heel geleidelijk.

De kleuren veranderen.

Roze wordt paars.

Oranje wordt rood.

Dan diep blauw.

De schemering doet zijn werk.

Op het erf staat een tuinstoel.

Een oude tuinstoel van metaal.

Groen geverfd.

Lang geleden.

Nu is de kleur zachter.

Een beetje verbleekt.

Je loopt erheen.

De krekel in het gras zingt door.

Je gaat zitten.

De tuinstoel voelt stevig aan.

Je laat je gewicht zakken.

De stoel kraakt een klein beetje.

Het is een vriendelijk geluid.

Je handen rusten op de armleuningen.

Het metaal is nog warm.

Je kijkt naar de wei.

naar de schuur.

naar de lange schaduwen.

Alles wordt rustiger.

Zelfs de lucht lijkt te zuchten.

Een zachte wind streelt door het gras.

De klaver beweegt een beetje.

Het hek staat stil.

De wereld ademt mee met jou.

Verderop.

Naast de schuur.

Zie je een oude schoorsteen.

De schoorsteen hoort bij een klein huisje.

Het huisje is van steen.

Met een laag dak.

Uit de schoorsteen komt geen rook.

Het vuur binnen is uit.

Het is te warm voor vuur.

De schoorsteen steekt omhoog in de lucht.

Donker tegen de hemel.

Je kijkt ernaar.

Het geeft een gevoel van veiligheid.

Een plek waar mensen wonen.

Waar ze slapen.

Waar ze dromen.

De schemering maakt alles zachter.

De randen van de schoorsteen worden minder scherp.

Alles vervaagt een beetje.

Je ogen worden zwaar.

Niet te zwaar, maar je voelt het.

Een zachte moeheid.

Je verzet je er niet tegen.

Je laat het komen.

Op het erf, in de buurt van het hek, staat een oude sproeier.

De sproeier heeft vandaag gewerkt.

Het gras eromheen is nat geweest.

Nu is het droog, maar de grond is nog een beetje donker.

Je ruikt het water in de aarde.

Het is een goede geur.

Aarde en water en gras.

De sproeier staat stil.

Zijn werk is klaar voor vandaag.

Misschien morgen weer.

Nu rust hij.

Net als jij.

Je adem wordt dieper.

De krekel zingt.

Een tweede krekel antwoordt.

Hun stemmen weven door elkaar.

Het is geen haast.

Het is geen zorgen.

Het is alleen maar zang.

Je luistert.

Je hoeft niets anders te doen.

De zon is nu bijna weg.

Alleen een dun streepje licht aan de horizon.

De hemel boven je is donkerblauw.

De eerste sterren komen tevoorschijn.

Kleine lichtpuntjes.

Heel ver weg.

maar helder. Je kijkt omhoog.

De sterren knipperen niet.

Ze staan stil en rustig.

De lucht om je heen wordt koeler.

Niet koud, maar aangenaam.

De warmte van de dag trekt langzaam weg.

Je huid voelt het verschil.

Het is prettig.

Je sluit je ogen even.

Als je ze opent, is de wereld weer hetzelfde.

Rustig.

Langzaam.

De schemering is nu bijna nacht.

Maar het is een zachte nacht.

Een nacht zonder zorgen.

In de wei ligt hooi.

Niet in balen, maar los.

In kleine plukken.

Het is hooi dat is gevallen.

Of hooi dat iemand heeft laten liggen.

Het ligt daar.

Rustig.

Stil.

Je kunt het zien als je goed kijkt.

Kleine hoopjes.

Hier en daar.

Het hooi lijkt zilver in het late licht.

Het contrasteert met de groene klaver.

Groen en zilver.

Zacht en stil.

Alles past bij elkaar.

Niets is te veel.

Je adem volgt het ritme van de wereld om je heen.

Langzaam in.

Langzaam uit.

Je lichaam wordt zwaarder in de tuinstoel.

Dat is goed.

Je mag zwaar zijn.

Je mag wegzakken in de rust.

Ergens in de verte bij de rand van het erf zie je een paardenbloem.

Hij is groot en wit.

Niet geel, maar wit met al die kleine zaadjes.

De wind kan ze meenemen, maar nu is er geen wind.

De paardenbloem staat stil.

Perfect.

Stil.

Hij wacht.

Misschien morgen.

Misschien overmorgen.

Hij heeft geen haast.

Jij ook niet.

Je kijkt naar de paardenbloem.

Je ziet hoe hij glanst in het laatste licht.

Wit en zacht.

Als een klein wolkje op een stengel.

Het is mooi.

Simpel en mooi.

Je hart wordt rustiger.

Er is niets om te doen.

Er is alleen maar dit moment.

Op het dak van de schuur zit iets.

Je kijkt goed.

Het is een vogel.

Nee.

Geen vogel.

Het is een vleermuis.

De vleermuis zit stil.

Heel stil.

Zijn vleugels zijn gevouwen.

Hij rust.

Straks als het helemaal donker is, gaat hij vliegen.

Maar nu wacht hij.

Net als jij wacht.

Wachten.

Op de nacht.

Wachten.

Op de slaap.

De vleermuis beweegt niet.

Je ziet alleen zijn silhouet.

Klein en donker tegen de hemel.

Het is gezelschap op een stille manier.

Je bent niet alleen.

De vleermuis is er.

De krekels zijn er.

Het erf is er.

Alles is er.

Rustig.

En zacht.

Langzaam sta je op uit de tuinstoel.

Je benen dragen je.

Het is geen moeite.

Je loopt een paar stappen over het erf.

Het gras aan de rand voelt zacht onder je voeten.

Je blijft staan bij het hek.

Je legt je handen weer op het hout.

De klaver in de wei is nu bijna onzichtbaar.

Je ziet alleen nog de vorm, de vage omtrek.

De nacht neemt de tijd weg.

Maar dat is niet erg.

Je hoeft niet alles te zien.

Je voelt het.

De rust.

De warmte die langzaam wegtrekt.

De koelte die komt.

Alles in zijn eigen tijd.

Niet gehaast.

Je zucht komt vanzelf.

Een zachte zucht.

Niet van vermoeidheid.

Maar van tevredenheid.

Het is goed zo.

Achter je, bij het huisje.

Hoor je een geluid.

Heel zacht.

Je draait je hoofd.

Er staat een haan.

De haan loopt langzaam over het erf.

Hij zoekt een plek om te slapen.

Zijn stappen zijn voorzichtig.

Hij kraait niet.

Het is avond.

Geen ochtend.

De haan is stil.

Hij sluipt naar de schuur.

Daar vindt hij een plek.

Je ziet hem verdwijnen in de schaduw.

De deur van de schuur staat nog open.

Binnen is het donker en veilig.

Het hooi ligt daar.

Zacht en droog.

De haan weet waar hij moet zijn.

Jij weet het ook.

Je plek is waar je nu bent.

Hier.

Op dit erf.

In deze stilte.

De lucht is nu echt donker.

Geen schemering meer, maar nacht.

De sterren zijn helderder geworden.

Er zijn er zoveel.

Te veel om te tellen.

Je kijkt omhoog.

Je nek rust achterover.

Het is een goed gevoel.

De sterren bewegen niet.

Ze staan daar, ver weg en geven licht.

Klein licht, maar het is genoeg.

Je ogen wennen aan het donker.

Je ziet meer nu.

De vorm van de schoorsteen, de lijn van het hek.

De wei achter het hek.

Groot en open.

De klaver die je niet meer ziet, maar waarvan je weet dat hij er is.

Alles is er nog.

Alleen het licht is anders.

Op het erf staat een kan.

Een oude, metalen kan.

Misschien voor water, misschien voor iets anders.

Je loopt erheen.

Als je dichterbij komt, zie je dat er limonade in zit.

Gele limonade gemaakt vandaag.

Het glas naast de kan is nog half vol.

De limonade is niet meer koud, maar dat is niet erg.

Je tilt het glas op.

Het voelt zwaar in je hand.

Je drinkt.

De smaak is zoet en een beetje zuur.

Citroen en suiker.

Het is verfrissend.

Ook al is het niet koud.

Je slikt.

Je voelt het door je keel gaan.

Je zet het glas weer neer.

De limonade is goed.

Alles is goed.

De vleermuis op het dak van de schuur beweegt.

Je ziet het vanuit je ooghoek.

De vleermuis spreidt zijn vleugels.

Ze zijn groter dan je had gedacht.

Breed en dun.

De vleermuis laat zich vallen.

Hij begint te fladderen.

zijn vleugels slaan zacht door de lucht.

Hij vliegt laag over het erf.

Dan omhoog.

Dan in een cirkel.

Het is geen rechte lijn.

Het is dansen in de lucht.

De vleermuis fladdert verder.

Hij verdwijnt in het donker boven de wei.

Je hoort hem niet meer.

Maar je weet dat hij daar is.

Ergens.

Vliegend door de nacht.

Je glimlacht een beetje.

De nacht is vol leven.

Klein leven.

Stil leven.

Maar het is er.

Je loopt terug naar de tuinstoel.

Je gaat weer zitten.

De stoel voelt nu kouder aan.

Het metaal heeft zijn warmte verloren.

Maar het is prettig.

Een koele stoel op een warme avond.

Je lichaam past zich aan.

Je voelt de temperatuur.

En dan voel je het niet meer.

Het wordt normaal.

Je handen rusten op de armleuningen.

Je voeten staan plat op de grond.

Je rug leunt tegen de rugleuning.

De tuinstoel draagt je gewicht.

Je hoeft niets vast te houden.

Je mag wegzakken.

Je ogen vallen dicht.

Je opent ze weer.

Het erf is er nog.

De schuur.

Het hek.

De sterren.

Alles is er nog.

Het wacht op je.

Het heeft alle tijd.

In de wei begint de dauw te vallen.

Je ziet het niet.

Maar je weet het.

De nacht brengt dauw.

Kleine druppeltjes water op het gras.

Op de klaver.

Op de paardenbloem.

De dauw maakt alles een beetje nat.

Een beetje glanzend.

Morgenochtend.

Als de zon opkomt.

Zal de dauw glanzen als kleine diamanten.

Maar nu is het onzichtbaar.

Het gebeurt stilletjes.

Zonder geluid.

De natuur doet haar werk.

Jij doet niets.

Je zit.

De krekel.

Zingt nog steeds.

Of is het een andere krekel?

Het lied is hetzelfde.

Rustig.

Je denkt aan de sproeier.

Hij heeft vandaag water gegeven.

Het gras dronk.

Geeft de nacht terug.

Dau komt.

Het is een cyclus.

Water.

En aarde.

Je bent ook verbonden.

Je blote voeten raken de aarde.

Je huid de dauw.

Je bent onderdeel van dit alles.

Van het erf.

De nacht, de rust.

Het is een goed gevoel.

Een gevoel van.

Thuiskomen.

Niet naar een huis.

Maar naar een gevoel.

Een gevoel van veiligheid.

Van zachtheid.

Van slapen.

Die komt.

De paardenbloem in de verte.

Staat nog steeds stil.

Geen wind om zijn zaadjes weg te nemen.

Hij wacht tot morgen.

Hij heeft geduld.

Jij hebt ook geduld.

Je hoeft nergens heen.

Je hoeft niets te worden.

Je bent al genoeg.

De nacht houdt je vast.

Het erf houdt je vast.

De tuinstoel onder je.

Houdt je vast.

Je gewicht.

Zakt.

Dieper.

Je ademhaling wordt nog langzamer.

De krekel zingt.

De sterren schijnen.

De schemering is voorbij.

De nacht is hier, precies waar je moet zijn.

De haan in de schuur slaapt nu.

Hij heeft zijn plek gevonden.

Tussen het hooi.

warm en veilig.

De vleermuis vladdacht ergens boven de velden.

Opzoek naar kleine insecten.

Bij jij hoeft nergens naar te zoeken.

Alles is hier.

Om je heen teelt de zachte geluiden van de nacht.

Krekel.

Een zucht van de wind.

Ake van houdt in de schuur.

Alles zo klein.

Zo zacht.

Je oren vangen het op.

Je lichaam ontspand.

Je schouders zakken.

Je handen worden zwaar.

Je voeten ook.

Alles wordt zwaar.

En licht tegelijk.

Je begint weg te zakken.

Niet in slaap.

Nog niet.

Maar richting slaap.

Richting dromen.

Richting rust.

Je sluit je ogen.

Het erf verdwijnt.

Maar je voelt het nog.

De warmte van de grond onder je.

De koolte van de lucht om je heen.

Het met taal van de tuinstoel.

Het geluid van de krekel.

Alles is en nog.

Achter je ogenleden.

Je hoeft niet te kijken om te weten.

Je weet het gewoon.

Het erf slaapt bijna.

De schuur slaapt bijna.

De wij met de klaver slaapt bijna.

En jij slaapt bijna.

Maar heel even.

De nacht heeft je.

De nacht draagt je.

Je mag gaan.

Je mag wegzakken.

Dieper.

En dieper.

In de warmte.

In de stilte.

In de slaap.

De wereld schommelt zacht.

Alsof het erf een boot is op een kalme zee.

Een zachte beweging.

Heen.

En weer.

Hier rust.

Je voelt het.

Je lichaam schommelt mee.

Het is prettig.

Het is.

Geruststellend.

En wieg je.

Een zachte hand.

Nacht.

Wiegt je.

In slaap.

De tuinstoel schommelt niet echt.

Maar je voelt het toch.

Het gevoel zit van binnen.

Je hoofd schommelt.

Je gedachten schommelen.

Ze worden langzamer.

Minder scherp.

Zachter.

Krekel zingt.

De nacht ademt.

Jij.

Alles ademt samen.

In.

Zo langzaam.

Zo zacht.

De dauw valt nu overal.

Op het gras.

Op de klaver.

Op de paardenbloem.

Op het hek.

Op het dak van de schuur.

Misschien zelfs.

Op jou.

Een klein druppeltje.

Op je hand.

Je voelt het niet.

Maar het zou kunnen.

De nacht raakt alles aan.

Zacht.

Vriendelijk.

Geen haast.

Geen geweld.

Alleen maar zachtheid.

Alleen maar rust.

Je bent omringd door deze zachtheid.

Het erf is zacht.

De lucht is zacht.

Je gedachten zijn zacht.

Je adem is zacht.

Alles.

Smelt.

Samen.

Alles.

Wordt een.

Jij.

En de nacht.

Jij.

En het erf.

Jij.

De slaap.

Nog één keer open je je ogen.

Heel even.

De sterren schijnen.

De schuur staat donker en stil.

Het hek tekent een lijn in het donker.

De schoorsteen steekt omhoog.

De vleermuis is ergens ver weg.

En slaap.

De krekels zingen.

En jij zit hier.

Op deze tuinstoel.

Op dit erf.

In deze warme

Zomernacht.

Het is volmaakt.

Het is precies.

Zoals het moet zijn.

Je sluit je ogen weer.

Dit keer blijven ze dicht.

Dat is goed.

Dat is wat hoort.

De nacht neemt je mee.

Het erf.

Laat je los.

Je zakt weg.

Diep.

Dieper.

Helemaal.

Je adem wordt een fluistering.

De krekel zingt verder.

De nacht duurt voort.

Maar jij bent er bijna niet meer.

Je bent aan het wegglijden.

In de warmte.

In het hooi.

In de droom.

Het erf zal er morgen weer zijn.

De schuur.

Het hek.

De klaver.

De paardenbloem.

Alles wacht op je.

Maar nu niet.

Nu is het tijd om te gaan.

Tijd om te zakken.

Tijd om te slapen.

De zomernacht houdt je vast.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

Je bent aan het wegzakken.

Zacht en stil.

Het laatste wat je hoort is de krekel.

Zijn liedje gaat door.

Het stopt nooit.

Het is er altijd.

Ook als jij slaapt.

Ook als jij droomt.

De krekel zingt voor het erf.

Voor de nacht.

Voor jou.

Het is een lied zonder einde.

Een lied van zomer.

Van warmte.

Van rust.

Je luistert.

Je hoort het.

En dan hoor je het niet meer.

Je bent weg.

Je slaapt.

Welterusten.

Slaap zacht.

De nacht is van jou.

Het erf ook.

En morgen is er weer een dag.

Maar nu is er alleen slaap.

Zachte.

Diepe.

Warme.

Slaap.

Welterusten.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze