Vind mijn niveau
Inloggen
Play me!
Alle podcasts

Het strand van Zandvoort in de herfst

Je staat aan de rand van het strand van Zandvoort, de lucht is grijs en breet.

Het is oktober en het strand is leeg.

De wind blaast zacht maar stevig over het zand.

Je draagt een warme jas en een dikke sjaal om je nek.

De sjaal wappert een beetje in de wind.

Je voelt de wind op je wangen.

Hij is koel maar niet te koud.

Je haalt rustig adem, de zee ligt voor je, grijs en kalm.

De golven komen langzaam naar het strand.

Ze maken een zacht geluid.

Je hoort het water, je hoort de wind.

Ergens boven je vliegt een meeuw.

Het geluid van de meeuw is hoog en helder.

Het krijsen klinkt ver weg.

Je sluit je ogen even.

Je voelt de ruimte om je heen.

Alles is wijd en stil.

Je bent hier alleen.

Dat voelt goed.

De grond onder je voeten is stevig.

Het is vaste grond.

Nat zand dat een beetje hard is.

Je begint langzaam te lopen, richting het water.

De golven rollen over het strand.

Elke golf laat een dun laagje schuim achter.

Het schuim is wit en licht.

Het verdwijnt snel in het zand.

Je loopt dichterbij.

Je ziet kleine kiezels liggen tussen het zand.

De kiezels zijn nat en glanzend.

Sommige zijn grijs.

Andere zijn bruin of bijna zwart.

Je bukt en pakt een kiezel op.

Hij is glad en koel in je hand.

Je legt hem weer terug.

De wind blaast zand over je schoenen.

Het zand stoft een beetje.

Het beweegt zacht over de grond.

Je trekt je sjaal wat strakker.

De sjaal wappert minder nu.

Je voelt de warmte van je adem in de stof.

Verderop zie je een meeuw op het strand staan.

De meeuw kijkt naar het water.

Hij beweegt zijn kop langzaam.

Dan vliegt hij op.

Z'n vleugels klappen één keer, twee keer.

Hij stijgt en zweeft dan.

Hij krijst zacht.

Het geluid mengt zich met het ruisen van de golven.

Je blijft staan en kijkt naar de meeuw.

Hij vliegt laag over het water, draait en komt terug.

Je ademt diep in.

De lucht is zout.

Je proeft het zout op je lippen.

Het zout plakt een beetje aan je huid.

Het voelt fris en schoon.

Je loopt verder langs de waterlijn.

Het water komt dichterbij, trekt zich terug, komt weer dichterbij.

De golven zijn klein en regelmatig.

Ze maken een ritme.

Het ritme is kalmerend.

Je hoort niets anders dan het water en de wind.

Af en toe een meeuw.

Verder is het stil.

Je kijkt naar de horizon.

De horizon is een rechte lijn, grijs en vaag.

De lucht en de zee lijken bijna dezelfde kleur.

Je ziet geen schepen.

Je ziet alleen de wijde vlakte van water.

Het is mooi.

Het is leeg en mooi.

Je ziet een schelp in het zand.

De schelp is gebroken, maar de kleuren zijn nog zichtbaar.

Wit met een beetje roze.

Je pakt de schelp en draait hem in je hand.

De randen zijn scherp.

Je voelt de structuur met je vingers.

Je legt de schelp voorzichtig neer.

Je loopt door.

Het zand is nu zachter.

Je voeten zakken een beetje in het zand.

Het is zwaarder om te lopen, maar het voelt goed.

De inspanning is licht.

Je adem blijft rustig.

In de verte zie je de pier.

De pier steekt een eind in de zee.

Het is een lange, houten constructie.

Hij is donker tegen de grijze lucht.

Je loopt richting de pier.

Het duurt een tijdje.

Je hebt geen haast.

Je geniet van de wandeling.

De wind blijft waaien.

Hij stoft het zand op in kleine wolkjes.

Het zand waait over je schoenen, over de grond.

Het maakt patronen op het natte zand.

Je ziet golflijnen, kleine heuveltjes.

Alles beweegt langzaam.

Je komt bij de pier.

De pier is van hout en metaal.

Hij staat stevig op dikke palen.

De palen staan diep in het zand en in het water.

Je kijkt omhoog.

De planken van de pier zijn oud en verweerd.

Het hout is grijs.

Je legt je hand op een van de palen.

Het hout voelt ruw en koud.

Je blijft even staan.

Het water onder de pier is donkerder.

De golven breken tegen de palen.

Het geluid is holler hier.

Dieper.

Het schuim draait in kleine kringen.

Je kijkt naar het schuim.

Het is fascinerend.

Het beweegt altijd.

Het stopt nooit.

Je loopt langs de pier, richting het duin.

Het duin ligt achter het strand.

Het is een lage heuvel van zand en gras.

Het gras is bruin en droog nu in de herfst.

De wind beweegt het gras.

Het gras wappert zacht.

Je hoort het ruisen van het helmgras.

Het is een zacht droog geluid.

Je loopt het duin op.

De grond is hier weer vaste grond.

Stevig onder je voeten.

Het zand is gemengd met wortels en kleine steentjes.

Je klimt langzaam.

Het is niet hoog, maar je voelt je benen werken.

Je adem wordt iets dieper.

Je bereikt de top van het duin.

Van hier zie je het hele strand.

Het strand strekt zich uit naar links en naar rechts.

Het lijkt eindeloos.

Je ziet de lijn van het water.

De grijze zee.

Je ziet de horizon.

Wijd en stil.

Je ziet een paar meeuwen vliegen boven het water.

Ze krijsen zacht.

Het geluid komt en gaat met de wind.

Je kijkt naar beneden naar het strand waar je net liep.

Je ziet je eigen voetstappen in het zand.

De wind stoft het zand op en langzaam verdwijnen de voetstappen.

Alles wordt weer glad.

Je haalt de thermosfles uit je tas.

De thermosfles is warm in je handen.

Je draait de dop eraf.

Er komt een beetje stoom uit.

Je ruikt thee.

De geur is zoet en warm.

Je schenkt thee in de dop.

De dop is ook een klein kopje.

Je blaast zacht over de thee.

Je neemt een slok.

De thee is warm en goed.

Je voelt de warmte door je lichaam gaan.

Je sjaal wappert weer een beetje.

Je trekt hem goed.

Je houdt de thermosfles vast en kijkt naar de zee.

Je ziet iets bewegen op het water.

Ver weg.

Misschien een boot.

Je kunt het niet goed zien.

Het is te ver.

Misschien is het een klein vissersvaartuig.

Je stelt je voor dat er iemand aan het roeien is.

Roeien op zo'n dag.

In de herfst.

Dat moet vredig zijn.

Het water is kalm genoeg.

De golven zijn niet hoog.

Het roeien zou ritmisch zijn.

Langzaam.

Je ziet het in je gedachten.

De roeispanen in het water.

Het geluid van het water.

Het knisperen van de boot.

Je neemt nog een slok thee.

De warmte is prettig.

Je zit nu op het duin.

Het zand is droog hier.

Het voelt zacht onder je.

Je zet de thermosfles naast je.

Je kijkt weer naar het strand.

Er komt een andere meeuw aanvliegen.

Hij landt op het strand niet ver van het water.

Hij loopt een paar stappen.

Hij pikt iets op uit het zand.

Misschien een stukje schelp.

Misschien een klein beestje.

Je weet het niet.

De meeuw vliegt weer op.

Zijn vleugels klappen.

Hij krijst één keer.

Helder en hoog.

Dan is hij weg.

Verder langs het strand.

Je sluit je ogen.

Je hoort de wind.

De golven.

Je hoort het helmgras achter je ruisen.

Het knisperen van het droge gras.

Het geluid is zacht en dichtbij.

Je adem is rustig.

Je voelt de kou van de wind.

Maar ook de warmte van je jas.

Van de thee in je handen.

Alles is in balans.

Je bent stil.

De wereld om je heen is ook stil.

Maar levendig.

Het water beweegt.

De lucht beweegt.

Alles ademt.

Je opent je ogen weer.

De lucht is misschien iets lichter geworden.

Of misschien verbeeld je je dat.

Het maakt niet uit.

Je staat langzaam op.

Je pakt de thermosfles.

Je draait de dop erop.

Je stopt de fles terug in je tas.

Je klopt het zand van je broek.

Het zand stoft weg in de wind.

Je begint af te dalen van het duin.

Je loopt voorzichtig.

Het zand is los hier.

Je voeten glijden een beetje.

Het is oké.

Je vindt je evenwicht.

Je komt weer op het vaste zand van het strand.

Je loopt nu de andere kant op.

Je loopt richting de strandtent.

Je weet dat er één strandtent open is.

Ook in de herfst.

Je ziet hem in de verte.

Het is een laag gebouw, simpel en stevig.

Het staat op het strand.

Vlak bij het duin.

Je loopt erheen.

De wandeling is kalm.

Je haast je niet.

Je voelt de vaste grond onder je voeten.

De grond is harder hier.

Dichter bij de waterlijn.

Het lopen gaat makkelijker.

Je kijkt naar de grond.

Je ziet meer schelpen.

Sommige zijn heel, andere gebroken.

Je ziet kleine kiezels.

Glanzend en nat.

Het zand is donker van het water.

Een golf rolt dichter naar je voeten.

Het water komt bijna bij je schoenen.

Het schuim is dik en wit.

Het borrelt zacht.

Je stapt een stap opzij.

Het water trekt zich terug.

Het neemt een beetje zand mee.

Je ziet hoe de golf de kiezels beweegt.

Alles verschuift.

Langzaam en constant.

Niets blijft op dezelfde plek.

De zee maakt alles nieuw.

De wind stoft zand over het natte oppervlak.

Het zand plakt even aan het water, dan droogt het weer.

Alles is in beweging, maar de beweging is traag en rustig.

Je hoort weer een meeuw.

Je kijkt omhoog.

Er vliegen nu drie meeuwen samen.

Ze cirkelen boven het water.

Ze krijsen naar elkaar.

Het zijn geen luide kreten.

Het is meer een gesprek.

Ze vliegen in een grote cirkel.

Dan verder langs de kust.

Hun witte buiken steken af tegen de grijze lucht.

Je blijft even staan en kijkt.

Ze zijn sierlijk.

Moeiteloos.

Ze gebruiken de wind.

Ze klappen nauwelijks met de vleugels.

Ze zweven.

Het is mooi om te zien.

Je bent nu dicht bij de strandtent.

De strandtent is eenvoudig.

Houten wanden en een plat dak.

Er staan een paar tafels buiten, maar er zit niemand.

De stoelen zijn leeg.

Alles is stil.

Je loopt erheen.

Er brandt licht binnen.

Dat is een goed teken.

Je opent de deur.

De deur kraakt een beetje.

Je stapt naar binnen.

Het is warm binnen.

Het is een groot verschil met buiten.

Je voelt de warmte op je gezicht.

Er is een bar, een paar tafels.

Er zijn geen andere mensen.

Alleen iemand achter de bar.

Hij knikt naar je.

Je knikt terug.

Je gaat niet lang binnen blijven.

Je wilt alleen even kijken.

Je draait je om en gaat weer naar buiten.

De kou voelt nu scherper.

Het contrast met de warmte binnen maakt het zo.

Je trekt je sjaal weer recht.

De sjaal wappert in de wind zodra je buiten bent.

Je loopt terug naar het strand.

Je kijkt naar de zee.

De golven zijn hetzelfde.

Regelmatig.

Kalm.

Het schuim is wit op het donkere water.

De horizon is nog steeds ver en vaag.

Je ziet nu iets anders in de verte.

Het is een vuurtoren.

De vuurtoren staat aan de andere kant van de baai.

Hij is wit en rood.

Hij is ver weg, maar je kunt hem zien.

De vuurtoren staat stil en stevig.

Hij is een vast punt in het landschap.

Je kijkt ernaar.

Het is geruststellend.

Zelfs hier, op dit lege strand, is er iets wat waakt.

Je stelt je voor hoe de vuurtoren er 's nachts uitziet.

Het licht dat draait.

Dat over het water gaat.

Het licht dat schepen de weg wijst.

Nu, overdag, doet de vuurtoren niets.

Hij staat er alleen, maar hij is er.

Je voelt een soort verbondenheid met de vuurtoren.

Hij is ook alleen, maar hij heeft een doel.

Hij wacht.

Jij loopt hier en hij staat daar.

Alles heeft zijn plaats.

Je loopt verder.

Je passeert weer schelpen.

Je ziet een grote schelp.

Bijna heel.

Hij ligt half in het zand.

Je pakt hem op.

De schelp is zwaar.

De binnenkant is glad en glanzend.

Hij heeft een mooie vorm.

Je draait de schelp in je handen.

De buitenkant is ruw.

Er zit een klein gaatje in, waar andere schelpjes aan hebben gezeten.

Je ruikt de schelp.

Hij ruikt naar zout, naar zee.

Het is een scherpe, frisse geur.

Je houdt de schelp vast.

Misschien neem je hem mee.

Je stopt hem in je zak.

De wind is misschien iets harder nu.

Hij stoft meer zand op.

Het zand waait over het strand in lange strepen.

Je ziet het bewegen.

Het is als een mist, maar dan van zand.

Het knisperen van het zand tegen je jas.

Het is een droog, zacht geluid.

Je sluit je ogen half.

Je laat de wind over je gezicht gaan.

Het zout plakt aan je lippen.

Je proeft het.

Het is de smaak van de zee.

Je draait je om en kijkt terug.

Je ziet je voetstappen weer.

Ze lopen in een lange lijn over het strand.

De wind begint ze alweer uit te wissen.

De randen worden zachter.

Langzaam verdwijnt alles.

Morgen is het strand weer glad.

Niemand zal weten dat je hier was.

Dat idee is niet droevig.

Het is juist fijn.

Je bent hier geweest.

Je hebt het gezien.

Je hebt het gevoeld.

Dat is genoeg.

Je loopt richting het water.

Je gaat dicht bij de golven staan.

Het water komt dichtbij.

Een golf rolt over je schoenen.

Het water is koud.

Je voelt het door de stof heen.

Het maakt niet uit.

Het is maar water.

Het schuim bolt om je voeten.

Het trekt zich terug.

Het neemt een beetje zand mee.

Je voeten zakken een klein beetje.

Je vindt weer vaste grond.

Je blijft staan.

Je kijkt naar het water.

Het water is grijs en groen.

Het is troebel.

Je ziet niet wat er onder het oppervlak is.

Dat is oké.

Sommige dingen hoef je niet te zien.

Een meeuw landt vlakbij.

Hij loopt naar het water.

Hij kijkt naar de golven.

Dan pikt hij iets uit het schuim.

Een klein stukje schelp misschien.

Of een stukje wier.

De meeuw slikt het door.

Hij schudt zijn kop.

Hij loopt verder.

Hij krijst niet.

Hij is stil.

Hij is geconcentreerd op zijn zoektocht.

Je kijkt naar de meeuw.

Hij is prachtig.

Zijn veren zijn wit en grijs.

Zijn ogen zijn helder.

Hij beweegt snel en soepel.

Dan vliegt hij op.

Zijn vleugels klappen twee keer.

Hij stijgt en vliegt weg.

Richting de pier.

Je loopt ook richting de pier.

Je wilt er nog één keer naartoe.

Je loopt langzaam.

De zon is ergens achter de wolken.

Je ziet hem niet.

Maar het licht is er.

Het is een zacht, grijs, licht.

Het maakt alles vlak.

Er zijn geen harde schaduwen.

Alles is zacht en rustig.

Je hoort je eigen voetstappen.

Het zachte geluid van je schoenen op het natte zand.

Het knisperen van een kiezel onder je voet.

Je bereikt de pier opnieuw.

Je loopt eronder.

Het is donkerder hier.

Het geluid van de golven is luider.

Het water slaat tegen de palen.

Het schuim kookt.

Je kijkt omhoog.

Je ziet de planken van de pier boven je.

Ze zijn verweerd.

Vol barsten.

Het hout is oud.

Het heeft veel gezien.

Veel zomers.

Veel winters.

Veel mensen die hier hebben gelopen.

En nu ben jij hier in de herfst.

In de stilte.

Je loopt door.

Aan de andere kant van de pier weer het strand op.

De wind vangt je weer.

Hij is fris en stevig.

Je sjaal wappert.

Je voelt de kou op je oren.

Je trekt je muts uit je zak en zet hem op.

Dat is beter.

De warmte blijft nu bij je hoofd.

Je handen zijn een beetje koud.

Je stopt ze in je zakken.

Je voelt de schelp in je ene zak.

Hij is glad en koel.

Je loopt terug richting het punt waar je begon.

Je herkent de plek.

Je ziet het duin waar je thee hebt gedronken.

Je ziet de strandtent in de verte.

Je hebt een cirkel gelopen.

Het voelt compleet.

Je bent tevreden.

Het was een goede wandeling.

Je hebt het strand gezien.

Je hebt de zee gevoeld.

Je hebt de wind geproefd.

Het zout zit nog op je lippen.

Je likt eraan.

De smaak is scherp en schoon.

Je blijft nog even staan.

Je kijkt naar de horizon.

De horizon is een lijn die nooit verandert.

Hij is altijd daar.

Ver weg.

Onbereikbaar.

Maar aanwezig.

Dat is troostrijk.

Er zijn dingen die blijven.

De zee.

De lucht.

De horizon.

Ze zijn groter dan jij.

Dat maakt je klein, maar ook vrij.

Je hoeft niets te bewijzen.

Je bent hier alleen maar.

Dat is genoeg.

Een laatste meeuw vliegt over.

Hij krijst één keer.

Het is een afscheidsgroet.

Of misschien verbeeld je je dat.

De meeuw vliegt verder.

Hij wordt kleiner.

Hij verdwijnt in de grijze lucht.

Je ademt diep in.

De lucht is koud en zout.

Je ademt uit.

Alles is zoals het moet zijn.

Je draait je om.

Je loopt langzaam van het strand af.

Je loopt richting het pad dat naar de duinen leidt.

Het pad is van hout.

Een vlonder.

Je stappen maken een hol geluid op het hout.

Het geluid is anders dan op het zand.

Het is harder.

Helder.

Je loopt tussen het helmgras.

Het gras wappert om je heen.

Het knisperen van het gras is overal.

De wind blaast door het gras.

Het stoft zand over het pad.

Je kijkt nog één keer achterom.

Het strand ligt achter je.

Leeg, wijd, rustig.

De golven rollen nog steeds.

Het schuim borrelt nog steeds.

De meeuwen vliegen nog steeds.

Alles gaat door, ook zonder jou.

Dat is goed.

Dat is zoals het hoort.

Je loopt verder.

Het pad stijgt een beetje.

Je klimt over het duin.

Aan de andere kant zie je de boulevard.

Er staan een paar gebouwen.

Er zijn een paar mensen op straat.

Maar niet veel.

Het is rustig.

Het is herfst.

Het is zandvoort in Oktober.

Het is precies goed.

Je blijft nog een moment staan op de top van het duin.

Je voelt de wind.

Je voelt de vaste grond onder je voeten.

Je voelt de schelp in je zak.

Je hebt iets meegenomen.

Een herinnering.

Een klein stukje van de zee.

Het zal drogen.

Het zout zal erop blijven.

En elke keer dat je het ziet,

zul je dit moment voelen.

Deze stilte.

Deze ruimte.

Je ademt langzaam.

Je sluit je ogen.

Het beeld van het strand blijft.

De grijze lucht.

Het grijze water.

De witte meeuwen.

Het witte schuim.

De bruine kiezel.

De gebroken schelpen.

De vuurtoren in de verte.

De pier die in de zee steekt.

De strandtent.

Die wacht op de zomer.

Alles is er nog.

Achter je oogleden.

Je laat je schouders zakken.

Je laat de spanning gaan.

Er is niets om vast te houden.

Alles mag gaan.

Alles mag stromen.

Zoals de golven.

Zoals het schuim.

Zoals de wind die stoft en wappert.

En alles meeneemt.

Je adem wordt dieper.

Langzamer.

Je voelt je lichaam zwaar worden.

Zwaar en warm.

Zoals het zand.

Zoals de vaste grond.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent stil.

Het strand blijft achter je.

Het wacht.

Het is er altijd.

De zee beweegt.

De wind waait.

De meeuwen krijsen.

En jij mag rusten.

Je mag zinken in deze stilte.

Je mag loslaten.

De grijze lucht wordt zachter.

Het licht wordt zachter.

Alles wordt zacht en ver.

Je hoort nog het ruizen van de golven.

Zacht.

Ver weg.

Als een herinnering.

Als een droom.

Je laat je ogen nu gesloten.

Je laat je adem gaan zoals hij wil.

Langzaam.

Rustig.

De zee ademt met je mee.

In.

En uit.

In.

En uit.

Het strand van Zandvoort blijft bestaan.

De schelpen blijven liggen.

Kiezels blijven glimmen.

Het zout blijft in de lucht.

En jij mag hier blijven.

In deze rust.

Welterusten.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze