

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Je zit in een kleine kanaal, midden op het meer. Het water is stil, de lucht is zacht en warm.
Overal om je heen ligt het meer als een grote spiegel. De maan hangt boven je, rond en helder.
Het licht van de maan raakt het water. Alles schittert zacht. Je houdt de peddel in je handen.
De peddel is glad en licht. Je beweegt hem langzaam door het water. De kano glijdt verder.
Het is stil. Je hoort alleen het water dat zacht beweegt. De Weerribben liggen om je heen.
Dit is een plek waar alles rustig is. De maan geeft genoeg licht. Je ziet de oever in de verte.
Daar staan planten en riet. De schaduw van het riet is lang en donker. Je ademt langzaam in en langzaam uit.
De kano drijft. Je drijft mee. Het meer draagt je. Het water is zo glad dat het lijkt als
of je op glas zit. De maan weerspiegelt in het meer. Je ziet de maan boven je, en je ziet de maan ook onder je
in het water. Twee manen. De ene is echt, de andere is een beeld in het water. Het licht van de
maan maakt alles zilveren. De kano is nu een schaduw op het water. Je peddel raakt het oppervlak.
Er ontstaat een kleine rimpel. De rimpel groeit. Hij wordt groter en ronder. Dan verdwijnt hij weer.
Het water wordt weer glad. De maan blijft schijnen. De sterren staan erbij. Heel veel sterren.
klein en stil. Ze weerspiegelen ook in het meer. Het meer is een grote spiegel van de hemel.
Je laat de peddel rusten. De kano zweeft. Je hoeft niets te doen. Het meer houdt je vast. Het water is
donker, maar ook licht. Het maanlicht maakt alles zichtbaar. Je ziet de oever aan de linkerkant. Daar groeit
riet. Het riet is hoog. De stengels zijn dun en recht. Ze staan stil. Er is geen wind. De lucht
beweegt niet. Alles is roerloos. Je kijkt naar het riet. De schaduw van het riet valt op het water.
De schaduw is lang en zacht. Je adem gaat langzaam. In, uit. In, uit. De kano beweegt nauwelijks. Je
hoort een zacht geluid. Ergens springt een vis. De vis maakt een plons. Het water golft. Een rimpel groeit.
Dan is het weer stil. Het meer is breed. Je ziet de andere oever ver weg. Daar staat ook riet.
Tussen het riet en het open water zie je een lijn. Die lijn is waar het land ophoudt en het water
begint. Het maanlicht maakt die lijn zichtbaar. De maan hangt nu iets lager. Het licht wordt zachter. De
sterren lijken feller. Je ziet er zoveel. In de stad zie je nooit zoveel sterren. Hier op het meer
zie je alles. De hemel weerspiegelt in het water. Het meer is een tweede hemel. Je zweeft tussen twee
hemels. Boven je de echte hemel, onder je de spiegel van de hemel. De kano is de plek waar jij bent, stil en
veilig. Je pakt de peddel weer. Je beweegt hem langzaam. Het water geeft mee. De peddel glijdt door het meer. De
kano schuift vooruit. Je vaart richting het riet. Je vaart langzaam. Er is geen haast. De tijd doet er niet
toe. De maan blijft schijnen. Het licht blijft zilveren. Je ziet nu iets bewegen in het water. Een vis zwemt
voorbij. De vis is klein. Hij glijdt onder de kano. Dan is hij weg. Misschien springt hij zo.
Vissen springen hier 's nachts. Ze springen naar insecten. Of ze springen gewoon, voor de vreugde. Je weet het
niet. Het maakt niet uit. Het is mooi om te zien. Een vis die springt in het maanlicht. De kano komt dichter bij de
oever. Het riet staat nu heel dichtbij. Je ziet de stengels. Ze zijn groen en bruin. Sommige stengels zijn
dik, andere zijn dun. Het riet ruist niet. Er is geen wind. Alles is stil. Tussen het riet zie je schaduwen.
Donkere plekken waar het maanlicht niet komt. Je vaart langs de oever. De peddel tikt zacht tegen de
rand van de kano. Het geluid is zacht. Het verstoort de stilte niet. Integendeel. Het geluid
past erbij. Het meer absorbeert alles. Je adem, het zachte geluid van de peddel, het water dat beweegt. Alles
wordt deel van de stilte. Plotseling hoor je een kikker. De kikker kwaakt. Het is een diep, kort geluid.
Ergens in het riet zit de kikker. Je ziet hem niet. Maar je hoort hem. Hij kwaakt nog een keer. Dan is het stil.
Misschien zit hij op een steen. Misschien op een blad. Kikkers kwaken in de nacht. Het is hun tijd. De maan
is hun licht. Je glimlacht. De kikker kwaakt weer. Nu antwoordt een andere kikker. Hij zit verder weg.
Twee kikkers die praten in de nacht. Hun stemmen zijn laag en rustig. Ze passen bij het meer, bij de maan,
bij de stilte. Je luistert. De kano drijft. Je drijft mee. Het water draagt je. Je vaart verder. De oever
glijdt langs je heen. Nu zie je iets anders. Een libel zit op een rietstengel. De libel beweegt niet.
Misschien slaapt hij. Libellen vliegen overdag. Nu is het nacht. De libel rust.
Zijn vleugels zijn dun en doorzichtig. Het maanlicht schijnt erdoorheen. De libel lijkt een klein
spook, een schaduw met vleugels. Je kijkt ernaar. De libel blijft stil. De kano glijdt voorbij. De
libel verdwijnt achter je. Je vaart verder. Het meer opent zich weer. Je bent nu op het brede open water.
Geen riet meer. Alleen water, maan, en sterren. Het water is hier dieper. Je voelt het. De
kano zweeft hoger. Het meer houdt je vast. Je legt de peddel op je schoot. Je handen rusten. Je kijkt
omhoog. De maan is enorm. Hij is zo groot en zo dichtbij. Het licht is zacht maar helder. Je ziet de
vlekken op de maan. Donkere plekken en lichte plekken. De maan heeft een gezicht. Een vriendelijk gezicht. De maan
kijkt naar je. Je kijkt terug. De sterren staan eromheen. Kleine lichtpuntjes. Ze knipperen niet.
Ze staan stil. De lucht is zo helder. Er zijn geen wolken. Niets blokkeert het licht. De hemel
geeft alles wat hij heeft. En het meer neemt het aan. Het meer weerspiegelt alles. Je kijkt naar
beneden. Het water is als zwart glas. Je ziet jezelf. Een schaduw in de kano. Je ziet de
maan weer. De maan in het water. De sterren in het water. Alles is dubbel. Boven en onder. Echt en weerspiegeld.
Je weet niet meer wat echt is. Misschien is het allemaal echt. Misschien maakt het niet uit. Je bent hier.
De kano is hier. Het meer is hier. Dat is genoeg. Je ademt diep. De lucht is fris. Het ruikt naar water, naar
Aplanten. Nu de nacht. Het is een geur die je kan meert. Je schouders zakken. Je nek wordt zacht. Je ogen
worden zwaar, maar je houdt ze open. Je wilt dit zien. Je wilt dit voelen. Dan springt de wereldfis. Deze keer
heel dichtbij. De vis springt uit het water. Je ziet hem in het maan licht. Zijn lichaam glanst. Hij draait in de lucht.
Dan valt hij terug. Plons. Het water spat. Druppels vliegen. Ze vangen in het maan licht. Kleinen,
zilveren, drupels. Ze vallen terug in het meer. De rimpels groeien. Circles in het water. Steeds
grotere cirkels. Ze rijken naar de kanaal. Ze raken de kanaal. De kanaal wibelt een beetje. Zacht.
Heel zacht. Je voelt het. Dan wordt het weer stil. De rimpels verdwijnen. Het water wordt weer glad. De
perfect in het meer. Je pak de pedal. Je vaart verder. Je glijt over het water. Je roer is een gedachte.
Je hebt geen echt roer nodig. De pedal is genoeg. Je stuurt met kleine bewegingen. Links, rechts. De
kanaal luistert. Hij volgt je. Je liet zijn samen. De kanaal en jij. Het meer en jij. De maan en jij.
Alles is verbonden. Je vaart naar het midden van het meer. Daar is het water het diepst. Daar is het
stilste. Je wilt daar zijn. Je wilt zweven op het diepste punt. Je pedal langzaam. Je haalt
zijn geen. De kanaal glijdt. Het water zingt zacht. Een vluisterstem. Het meer vertelt
je dingen. Dingen zonder woorden. Je begrijpt het. Nu ben je in het midden. Je ligt de pedal neer. Je leundt
achterover. De kanaal heeft een vlakke bodem. Je kunt liggen. Je gaat liggen. Je rug raakt de bodem
van de kanaal. Het houdt is glad en koeel. Je hoofd rust. Je benen strekken zich uit. Je armen liggen
naast je. Je kijkt om hoog. De heemel veelt je zicht. De maan. De sterren. Zo veel sterren. Je aardem gaat
langzaam. In, put. In, put. De kanaal wiekelt zacht. Het meer beweegt je. Heel zacht. Als een bed dat
ademt. Je ogen worden zwaarder. Maar je kijkt nog steeds. Je wilt de maan zien. Je wilt de sterren zien.
Een vogel roept in de verte. Een watervogel. Misschien een eent. Het geluid is zacht en ver. Het komt en
gaat. Dan is het wisttil. Alleen het water. Alleen de kanaal. Alleen jij in de maan. De schaduw van
De kano ligt op het water. Een donkere vorm op het zilveren meer. Je bent die schaduw. Je bent het
licht. Je bent alles en niets. De maan schijnt. Het licht vult je. Je ademt het in. Het maanlicht
gaat door je heen. Het maakt je lichaam zacht. Je spieren ontspannen. Je gedachten worden langzaam.
Ze drijven weg. Zoals de kano drijft. Je hoeft niets vast te houden. Alles mag gaan. De sterren knipperen
nu. Of misschien is het je oog dat knippert. Je weet het niet. Het maakt niet uit. De hemel is prachtig.
Zo prachtig. Dat woorden niet genoeg zijn. Je voelt het alleen maar. Een gevoel in je borst. Een zachte warmte.
Dankbaarheid. Vreugde. Rust. Alles tegelijk. De kano zweeft. Jij zweeft. Het meer houdt je vast.
Het meer laat je los. Beide zijn waar. Je bent veilig. Je bent vrij. De maan kijkt naar je. Je kijkt terug.
Het is alsof de maan glimlacht. Een oude, wijze glimlach. De maan heeft het al vaak gezien. Mensen in
heel even. Alleen om te voelen. Je voelt het water onder je. Je voelt de kano. Je voelt de lucht
op je huid. De lucht is zacht en warm. Een zomerlucht. Een nachtlucht. Alles is volmaakt. Je
opent je ogen weer. De maan is er nog. De sterren zijn er nog. Niets is veranderd. Toch is alles anders.
Jij bent anders. Stiller. Zachter. Meer verbonden. De kano is geen ding meer. Het is een deel van jou. Het
meer is geen plek meer. Het is een gevoel. Thuisgevoel. Je hoort weer een kikker kwaken. Nu klinkt hij dichter
bij. Misschien zit de kikker op een blad in het water. Misschien zwemt hij. Kikkers kunnen goed zwemmen.
Hun poten zijn sterk. Ze duwen het water weg. Ze glijden door het meer. Net zoals jij. Je draait je hoofd
een beetje. Je ziet de oever weer. Het riet staat daar. Stil en donker. De schaduw van het riet is een
lange streep op het water. De maan tekent alles. Licht en schaduw. Alles heeft beide. De kano heeft
licht van boven en schaduw van beneden. Jij hebt licht in je ogen en schaduw in je gedachten.
Maar de schaduwen zijn niet eng. Ze zijn zacht. Ze horen erbij. Zonder schaduw. Geen licht. Zonder licht.
Geen schaduw. De maan weet dit. De maan geeft licht en laat schaduwen ontstaan. Alles is in balans.
Weer springt een vis. Deze keer verder weg. Je hoort de plons. Je ziet de rimpels. Ze komen naar je toe. Langzaam.
Heel langzaam. De rimpels bereiken de kano. De kano krijgt een klein duwtje. Een zacht wiegen.
Dan is het voorbij. Het water wordt weer glad. De spiegel herstelt zich. Je ziet de maan weer. Helder en
rond in het water. Je ziet jezelf. Een schaduw die naar de maan kijkt. De vissen springen omdat ze
leven omdat ze vreugde voelen. Omdat het water hun thuis is en ze vrij zijn. Je voelt hetzelfde.
Hier op het meer. In de kano onder de maan. Je bent vrij. Je bent thuis. De tijd gaat. Of misschien
staat de tijd stil. Je weet het niet. Het maakt niet uit. De maan beweegt langzaam door de lucht. Heel langzaam.
Je merkt het bijna niet. Maar na een tijdje hangt de maan iets anders. Het licht valt anders op het water.
De reflectie verschuift. De spiegel van de maan in het meer beweegt mee. Alles beweegt. Zo langzaam dat het lijkt
alsof niets beweegt. Het meer leeft. Het water ademt. De kano ademt. Jij, alles ademt samen. In. In.
Het ritme van het leven. Het ritme van de nacht. Je sluit je ogen weer. Nu blijven ze dicht. Je voelt de
kano onder je. Je voelt het water. Je hoort het zachte geluid van het meer. Een zucht,
een fluistering. Het stelt gerust. Het zegt: je bent veilig. Het zegt: blijf. Je luistert. Je gelooft het.
Je lichaam wordt zwaarder. Je zinkt in de kano. De kano zinkt in het water. Maar je verdrinkt niet.
Je zweeft. Het meer draagt je. Het meer heeft je altijd gedragen. Vanaf het moment dat je de kano
instapte. Vanaf het moment dat je de peddel pakte. Het meer wist dat je kwam. Het meer wachtte op je.
De kikker kwaakt nog steeds. Nu klinkt het als een lied. Een lied zonder woorden. Een lied van de nacht.
Andere kikkers antwoorden. Ze kwaken samen. Een koor van kikkers. Het geluid is diep en rustgevend. Het
vult de lucht. Het vult het water. Het vult jou. Je glimlacht. Je ogen zijn nog steeds dicht. Maar je ziet
alles. Je ziet het meer in je gedachten. Je ziet de maan. Je ziet de sterren. Je ziet het riet
en de oever. Je ziet de vissen die springen. Je ziet de libel op de stengel. Alles is er. In je hoofd
en je hart. De kano drijft verder. Je voelt de beweging langzaam. Heel langzaam. Het water neemt je mee.
Misschien naar de oever. Misschien naar het midden. Het maakt niet uit. Je laat het gebeuren. Je vertrouwt het
meer. Het meer kent de weg. Het water weet waar je moet zijn. Je handen liggen stil. Je peddel
ligt naast je. Je hebt hem niet nodig. De kano vindt zijn eigen weg. Alles gaat zoals het moet gaan. Je
ademt diep. De lucht is zoet. Het ruikt naar bloemen. Misschien zijn er waterlelies. Misschien bloemen
op de oever. Je ruikt ze. Je voelt ze. Alles is zacht. De maan daalt. Langzaam zakt hij naar de horizon.
Nog steeds geeft hij licht. Nog steeds schijnt hij op het meer. Het licht wordt gouden.
Minder zilver. Meer goud. Een warm goud. Het water neemt de kleur aan. Het meer wordt gouden. De
rimpels worden gouden. De schaduw van de kano wordt gouden. Alles glimt. Alles gloeit. Je opent je
ogen. Eén keer. Je ziet het. Gouden meer. Het is nog mooier dan het zilveren meer. Het is een afscheid.
De maan zegt vaarwel. Maar het is een zacht vaarwel. Geen verdriet. Alleen dankbaarheid. De maan
heeft je iets gegeven. Een nacht op het water. Een nacht van stilte en licht. Je sluit je ogen weer. Het beeld
blijft. Gouden meer blijft in je. De kikkers worden stiller. Misschien worden ze moe. Misschien gaan ze
slapen. De nacht wordt dieper. De lucht wordt koeler. Maar niet koud. Gewoon fris. Aangenaam. De kano ligt stil. Het water
ligt stil. Je ligt stil. Alles rust. De sterren kijken naar je. De maan kijkt naar je. Het meer
houdt je vast. Je bent omringd door vrienden. Stille, liefdevolle vrienden. Ze vragen
niets. Ze geven alleen. Licht, lucht, stilte. Alles wat je nodig hebt. Alles wat je hart verlangt. Je
adem wordt nog langzamer. Diep en langzaam. In, uitademen, neemt spanning mee. Elk inademen, brengt rust.
Je lichaam wordt een deel van de kano. De kano wordt een deel van het meer. Het meer wordt een
deel van de hemel. Alles is één. Geen grenzen meer. Alleen zijn. Alleen, zweven. Alleen, de peddel ligt
naast je. Je handen liggen open. Je hebt niets vast. Je hoeft niets vast te houden. Alles is er. Alles
blijft. De vis springt nog één keer. Ver weg. Laatste sprong. Een groet. Het meer groet je. De vis.
groet je. De maan groet je. Je groet terug. In stilte. Met je adem. Met je hart. De rimpels van de vis
bereiken je niet meer. Ze sterven uit voordat ze bij je komen. Het water wordt weer een spiegel. De volmaakte
spiegel. Alles weerspiegelt. Alles is dubbel en toch één. Boven en onder. Binnen en buiten. Echt en
droom. Alles smelt samen. Je bent de kano. Je bent het meer. Je bent de maan. Je bent het licht. Je bent
de schaduw. Je bent alles. De sterren zijn zo helder nu. Het is alsof je ze kunt aanraken. Alsof
je hand omhoog kan gaan en een ster kan plukken. Maar je beweegt niet. Je wilt niets verstoren. Alles is
volmaakt zoals het is. De kano zweeft. Je zweeft. Het meer houdt je. De lucht houdt je. De nacht houdt je. Je
bent veilig. Je bent thuis. Hier op het meer. Hier in de kano. Hier onder de maan. Dit is je plek. Dit is je
moment. Niets kan je raken. Niets kan je storen. Je bent beschermd door de stilte. Je bent gevuld met licht.
De kikker kwaakt zacht. Een keer. Een fluistering. Misschien is het een afscheid. Misschien een welterusten. Je
glimlacht. Je fluistert terug. Zonder woorden. Met je gedachten. Met je gevoel. Welterusten kikker. Welterusten vis.
Welterusten libel. Welterusten meer. Welterusten maan. Dank je. Dank je voor deze nacht. Dank je voor
licht. Dank je voor deze stilte. Dank je voor deze kano. Dank je dat ik mag zweven. Dank je dat ik mag
zijn. Het meer fluistert terug. Het zegt altijd. Je bent altijd welkom. Je kunt altijd terugkomen. Het
water wacht op je. De maan wacht op je. De kano wacht op je. Alles wacht op je. Want je hoort hier. Je
hoort bij het meer. Je hoort bij de nacht. Je hoort bij de stilte. Dit is waar je hart rust vindt. Dit is waar je
ziel ademt. Dit is waar je thuis bent. Onthoud dit. Neem dit mee. Het licht. Het water. De stilte. Neem het mee
in je slaap. Neem het mee in je dromen. De maan raakt nu bijna de horizon. Het licht wordt zachter. De
hemel blijft licht geven. Altijd is er licht. De kano drijft. Jij drijft. Alles drijft. Zacht en stil.
Geen haast. Geen doel. Alleen zijn. Alleen zweven. Alleen ademen. In. Uit. In. Het meer ademt met je. De nacht
ademt met je. Alles is adem. Alles is stilte. Alles is licht. Je ogen zijn nu zo zwaar. Ze willen
niet meer open. Het is goed. Laat ze dicht. Je hoeft niet meer te zien. Je hebt alles gezien. Het meer. De
maan. De sterren. Het riet. De schaduw. De vis. De kikker. De libel. Alles is in je. Je draagt het mee. Het
meer blijft in je hart. De maan blijft in je gedachte. Het licht blijft in je ziel. Niets gaat verloren. Alles
blijft. Voor altijd. De kano ligt stil. Het water ligt stil. Jij ligt stil. Alles is stil. De nacht
houdt je vast. Het meer houdt je vast. De kano houdt je vast. Je bent veilig. Je bent omringd door rust.
Door vrede. Door licht. Laat je lichaam zwaar worden. Laat je gedachte verdwijnen. Laat alles gaan. Het
water wast alles schoon. Je bent nieuw. Je bent licht. Je bent vrij. Adem in. Het water voelt licht. Alles
is zacht. Alles is warm. Alles is goed. De maan zakt weg. De sterren blijven. Het licht. Altijd is er
licht. In het water. In de lucht. In jou. Je bent licht. Je bent water. Je bent een spiegel van de
hemel. Je weerspiegelt alles wat mooi is. Rust nu. Zweef nu. Slaap nu. Het meer zingt je in slaap.
Een stil lied. Een lied zonder klanken. Alleen het gevoel. Het zachte wiegen van het water. Het zachte
ademen van de nacht. Het zachte licht van de sterren. Alles is zacht. Alles is stil. Je ogen. Zinken dicht. Je adem
wordt fluistering. Je lichaam wordt water. Je gedachten worden licht. Je bent er niet meer. Je bent er
helemaal. Je zweeft. Je rust. Je bent welterusten. Slaap zacht. Het meer waakt over je. De kano draagt je. De nacht
beschermt je. Alles is goed. Alles is stil. Tot morgen. Tot het licht. Rust nu.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze