Vind mijn niveau
Inloggen
Play me!
Alle podcasts

Een Limburgse kroeg bij de kachel

Je bent in een oude kroeg in Valkenburg. Het is avond.

De kachel staat in het midden van de ruimte. Het vuur brandt zacht.

De warmte verspreidt zich door de kleine ruimte. Je hoort stemmen, zacht en diep.

Mannen zitten aan een tafel. Ze spelen kaart. De kaarten maken een klein geluid als iemand ze op de tafel legt.

Het is stil tussen de woorden. De lucht ruikt naar hout en warmte.

Je adem wordt langzamer. De kroeg is oud. De muren zijn donker.

Het licht is geel en zacht. Alles voelt rustig. Je ogen kunnen rusten.

De kachel tikt soms. Heel zacht. Het vuur beweegt een beetje.

De warmte raakt je gezicht. Je schouders zakken naar beneden.

De stemmen praten dialect. Je hoeft de woorden niet te begrijpen.

Ze zijn alleen maar muziek. De kroeg houdt je vast. De tijd gaat langzaam.

Je adem volgt het ritme van de kachel. Alles is warm. Alles is zacht.

De kroeg is klein. Er staan vijf tafels.

Aan elke tafel een bierviltje. De bierviltjes zijn oud.

Een beetje gekruld aan de randen. Op een tafel staat een biertje. Het glas is half vol.

Het schuim is bijna weg. De kroegbaas staat achter de bar. Hij heeft een bril op.

De bril glimt in het licht van de kachel. Hij droogt een glas met een doek.

Zijn handen bewegen langzaam. Hij kijkt naar de mannen die kaart spelen.

Hij zegt niets. Hij glimlacht een beetje. De kroeg is zijn thuis.

Hij kent elke hoek. Hij kent elke tafel. Hij kent het geluid van de deur als iemand binnenkomt.

Nu komt er niemand. De deur is dicht. Buiten is het koud. Binnen is het warm.

De kachel geeft warmte aan iedereen. De mannen aan de tafel spelen verder.

Een man heeft een hoed op. De hoed is bruin en oud. Hij tilt zijn kaart op.

Hij kijkt ernaar. Hij bromt iets. De andere mannen lachen zacht.

Het lachen is geen hard geluid. Het is een diep zacht geluid. Het past bij de kroeg.

De man legt een kaart op de tafel. De kaart schuift een klein stukje.

Een andere man tikt met zijn vinger op de tafel. Tik, tik, tik.

Het ritme is langzaam. Hij denkt na.

Hij kiest een kaart. Hij legt hem neer. De mannen zeggen woorden in dialect.

De woorden zijn zacht. Ze fluiten soms een klein deuntje tussen de zinnen.

Het fluiten is hoog en dun. Het verdwijnt in de warmte van de kachel.

De kachel staat op een stenen vloer. De stenen zijn oud en glad.

Het vuur achter het deurtje van de kachel is oranje en rood. Het beweegt langzaam.

De vlammen likken aan het hout. Het hout wordt zwart en grijs.

De kachel tikt weer. Het metaal zet uit van de warmte. Tik, tik.

Het geluid is klein maar duidelijk. Je hoort het tussen de stemmen door.

De warmte van de kachel raakt je benen, je handen, je gezicht.

Je voelt hoe je lichaam zachter wordt. De spanning gaat weg.

De kroeg houdt je vast. De tijd doet er niet toe.

Er hangt een klok aan de muur. De klok tikt ook. Tik, tok, tik, tok.

Maar niemand kijkt ernaar. Tijd is niet belangrijk hier.

Aan de bar hangt een kapstok. Aan de kapstok hangen jassen en een sjaal.

De jassen zijn donker. Ze ruiken naar buiten, naar koude lucht en regen.

Maar hier binnen is alles warm. De kroegbaas zet het glas neer.

Hij pakt een bierviltje en legt het recht. Hij kijkt naar de mannen.

Een man heft zijn hand op. Hij wil nog een biertje. De kroegbaas knikt.

Hij pakt een glas. Hij tapt langzaam. Het bier stroomt in het glas.

Het schuim stijgt. De kroegbaas wacht. Hij laat het schuim zakken.

Hij tapt weer een beetje. Het glas is vol. Hij loopt naar de tafel.

Zijn voetstappen zijn zacht op de vloer. Hij zet het biertje neer op een bierviltje.

De man knikt. Hij zegt iets in dialect.

De kroegbaas glimlacht. Hij loopt terug naar de bar.

Alles gaat langzaam. Niemand heeft haast.

Op de tafel staat een asbak. De asbak is van glas. Hij is leeg nu.

De kroeg ruikt niet naar rook, maar het is een oude kroeg.

In het verleden hing hier rook. Nu is de lucht schoon en warm.

De asbak staat er nog. Hij hoort bij de tafel. Hij hoort bij de oude tijd.

De mannen spelen verder kaart. Een man schuift zijn stoel een beetje naar achteren.

Het geluid is zacht. Hij strekt zijn benen.

Hij zucht een beetje. Het is een tevreden zucht.

Hij pakt zijn kaarten weer op. Het spel gaat door.

De kaarten bewegen van hand naar tafel. Van tafel naar hand.

Het ritme is voorspelbaar. Het is rustgevend.

De jukebox staat in de hoek. De jukebox is oud. Hij is van hout en glas.

Er zit een liedje in. Het liedje speelt zacht.

Het is een oud Nederlands liedje. De stem zingt langzaam.

De woorden zijn over thuis. Over rusten. Over warmte.

Het liedje past bij de kroeg. Het past bij de kachel.

Het past bij de avond. De melodie is eenvoudig.

Je hoeft niet te luisteren, maar het liedje is er.

Het vult de stilte tussen de woorden.

De jukebox geeft een zacht licht. Groen en geel.

Het licht flikkert niet. Het staat stil. Het liedje gaat verder.

De stem zingt over een rivier. Over heuvels. Over thuiskomen.

De mannen aan de tafel luisteren niet echt.

Ze kennen het liedje. Het is altijd hier.

De kroegbaas leunt tegen de bar. Hij heeft zijn bril afgezet.

Hij wrijft over zijn ogen. Hij is moe.

Maar het is een goede moeheid. De kroeg is zijn leven.

Elke avond komen de mannen. Elke avond spelen ze kaart.

Elke avond brandt de kachel. Hij zet zijn bril weer op.

Hij kijkt naar de klok. De klok zegt dat het laat is.

Maar laat of vroeg? Het maakt niet uit.

De kroeg heeft zijn eigen tijd. De kroegbaas pakt een doek.

Hij veegt de bar schoon.

De bar is van donker hout. Het hout glimt een beetje in het licht.

Hij legt de doek neer. Hij vouwt zijn armen over elkaar.

Hij kijkt naar het vuur in de kachel. Het vuur is lager nu.

Het brandt rustiger. De warmte is er nog steeds.

Een man staat op van de tafel. Hij rekt zich uit.

Hij loopt naar de kapstok. Hij pakt zijn jas niet.

Hij wil alleen even bewegen. Hij loopt naar de kachel.

Hij steekt zijn handen uit naar de warmte. Hij sluit zijn ogen.

Hij staat daar. Stil.

De warmte gaat in zijn handen. Hij ademt langzaam.

Hij opent zijn ogen. Hij glimlacht. Hij loopt terug naar de tafel. Hij gaat zitten.

Hij pakt zijn kaarten. Het spel gaat door.

Niemand zegt iets over zijn pauze.

Het is normaal. Iedereen doet wat hij wil.

De kroeg is een plek om te zijn. Niet om iets te doen.

Gewoon om te zijn. Het liedje in de jukebox is afgelopen.

Er is een korte stilte.

Dan begint een nieuw liedje. Dit liedje is ook oud.

Het is een liedje met een accordeon. De accordeon speelt langzaam.

De tonen zijn lang en vol. Het liedje heeft geen haast.

De stem zingt over een kroeg. Over vrienden. Over een glas bier.

Het is een liedje dat iedereen kent.

Eén van de mannen aan de tafel begint zacht mee te fluiten.

Het fluiten is nauwelijks hoorbaar. Het mengt met de muziek.

Een andere man bromt de woorden mee.

Zijn stem is diep en zacht. Hij zingt niet echt. Hij bromt alleen.

Het is genoeg. De kroeg voelt nog warmer.

Nog meer als thuis. De kachel tikt weer. Tik.

Het metaal koelt een klein beetje af. En dan warmt het weer op.

Het vuur eet het hout langzaam op. De vlammen worden kleiner.

De kroegbaas ziet het. Hij loopt naar de kachel.

Hij opent het deurtje. De warmte komt naar buiten.

Hij pakt een stuk hout. Het hout ligt naast de kachel in een mand.

Hij legt het hout in het vuur. Het vuur groeit weer.

De vlammen likken aan het nieuwe hout.

Het hout kraakt zacht. De kroegbaas sluit het deurtje.

Hij loopt terug naar de bar. De kachel brandt weer vol.

De warmte vult de kroeg opnieuw. De mannen leggen hun kaarten neer.

Het spel is klaar. Een man lacht. Hij heeft gewonnen.

De anderen lachen ook. Het is geen competitie.

Het is alleen een spel. Ze schuiven de kaarten bij elkaar.

Een man pakt de kaarten en schudt ze.

Het geluid van de kaarten is als water.

Als bladeren. Het is een zacht rustgevend geluid.

Hij legt de kaarten op de tafel.

Niemand pakt ze meteen op. Ze rusten een moment.

Ze nemen een slok van een biertje. Ze kijken naar de kachel.

Ze zeggen niets. Het is niet nodig om altijd te praten.

De stilte is ook goed. De klok tikt verder.

Tik. Tok. Tik. Tok.

Het geluid is zo regelmatig dat je het vergeet.

Het wordt deel van de kroeg. Het wordt deel van de warmte.

Je adem volgt het ritme van de klok.

Het ritme van de kachel. Het ritme van de kaarten.

Alles is langzaam. Alles.

Stroomt. Je ogen zijn zwaar. De kroeg houdt je vast.

De warmte maakt je lichaam zacht. Er is nergens anders om te zijn.

Hier is genoeg. Hier is alles wat je nodig hebt.

Warmte. Zachte stemmen.

Een liedje op de jukebox. Het tikken van de kachel.

Een man zet zijn hoed af.

Hij legt de hoed op de tafel naast zijn biertje.

Zijn haar is grijs. Hij strijkt met zijn hand door zijn haar.

Hij zet de hoed weer op. De hoed zit goed.

Het is een gewoonte. Hij draagt altijd een hoed.

De hoed is deel van hem. De andere mannen hebben geen hoed.

Een man heeft een pet. De pet ligt op de tafel.

Hij raakt de pet niet aan. Hij laat hem liggen.

De pet is blauw en oud. De kleur is vervaagd.

Maar hij is geliefd. Je kunt het zien.

De kroegbaas pakt een bierviltje. Hij draait het tussen zijn vingers.

Het bierviltje is rond. Er staat een naam op.

De naam van een brouwerij. De letters zijn rood.

Het bierviltje is zacht aan de randen. Hij legt het bierviltje terug op de bar.

Hij kijkt naar de mannen. Hij kent ze allemaal. Hij kent hun stemmen.

Hun lach. Hun manier van kaartspelen. Ze komen hier al jaren.

Elke week. Soms vaker. De kroeg is hun plek.

Hij is de kroegbaas. Maar hij is ook hun vriend.

Hij zorgt voor de warmte. Voor het bier. Voor de ruimte.

Hij vraagt niets terug. Het is genoeg om ze hier te zien.

Het liedje in de jukebox speelt verder. De accordeon vult de ruimte.

De tonen zijn rond en warm. Het liedje gaat over een wandeling in de heuvels.

Over het zien van de vallei. Over thuiskomen. De stem zingt langzaam.

Elke lettergreep krijgt tijd. Elke noot wordt gedragen door de accordeon.

Het liedje vraagt niets van je. Het is er gewoon.

Het liedje is als de kachel. Het liedje is als de warmte.

Het is er. En het is goed. De mannen beginnen een nieuw spel.

Ze pakken hun kaarten op. Ze kijken ernaar.

Een man tikt met zijn kaart op de tafel. Tik, tik.

Hij denkt na. Hij legt een kaart neer.

Een andere man schuift zijn kaart over de tafel. Het geluid is zacht.

Een fluistering van papier op hout.

Ze spelen zonder haast. Er is geen tijd die loopt.

De klok tikt. Maar de klok betekent niets hier.

Hier is alleen het spel. De warmte. De vriendschap.

De mannen brommen wat tegen elkaar. Dialectwoorden.

Halve zinnen. Ze begrijpen elkaar. Dat is genoeg.

De kachel straalt warmte uit. De warmte is overal. Hij zit in de lucht. Hij zit in de muur.

Hij zit in het hout van de tafels. De tafels zijn oud.

Het hout is donker en glad van de jaren.

Hoeveel handen hebben deze tafels aangeraakt?

Hoeveel glazen hebben hier gestaan?

Hoeveel kaarten zijn hier gespeeld?

De tafels weten alles. Ze zwijgen.

Ze dragen de verhalen in hun hout. Ze zijn stil en sterk.

Een man staat op. Hij loopt naar de bar. Hij zegt iets tegen de kroegbaas.

De kroegbaas knikt. Hij tapt een biertje.

Het bier stroomt in het glas. Het schuim stijgt.

De kroegbaas wacht. Het schuim zakt. Het glas is vol.

De man pakt het biertje. Hij loopt terug naar de tafel.

Hij zet het glas neer op een bierviltje.

Het bierviltje absorbeert een druppel water.

De man gaat zitten. Hij neemt een slok. Hij sluit even zijn ogen.

Het bier is koud. De kroeg is warm.

Het contrast is prettig. Hij opent zijn ogen. Hij pakt zijn kaart op.

Het spel gaat verder. De jukebox speelt een nieuw liedje.

Dit liedje is zachter. Het is alleen een piano.

De piano speelt een melodie die je bijna kent. Het klinkt als een herinnering.

Het klinkt als iets uit je kindertijd. Maar je weet het niet zeker.

De piano speelt langzaam. Elke toets wordt met zorg geraakt.

Het liedje heeft geen woorden. Het heeft ze niet nodig.

De melodie zegt alles. Het zegt rust.

Het zegt je bent veilig. Het zegt blijf hier.

De mannen luisteren, zonder te luisteren. Het liedje is er.

En ze voelen het. De kroegbaas loopt naar de kapstok.

Hij pakt een jas. Het is niet zijn jas.

Hij hangt hem weer recht. De jas hing een beetje scheef.

Nu hangt hij goed. De kroegbaas loopt terug naar de bar.

Hij glimlacht in zichzelf. Kleine dingen. Kleine handelingen.

Ze maken de kroeg compleet. Hij pakt zijn bril af en poetst de glazen.

Hij zet de bril weer op. Alles is weer scherp.

Hij kijkt naar de kachel. Het vuur brandt goed. Hij kijkt naar de mannen.

Ze zijn verdiept in een spel. Hij kijkt naar de klok.

De klok tikt. Alles is zoals het moet zijn.

Een man legt een kaart neer en lacht.

Hij heeft een goede kaart. De anderen kijken.

Ze lachen ook. Een man schudt zijn hoofd.

Hij legt een kaart neer. Hij heeft verloren.

Maar het maakt niet uit. Hij lacht het hardst.

Het lachen vult de kroeg. Het is een warm, diep geluid.

Het lachen mengt met de muziek van de jukebox.

Het mengt met het tikken van de kachel. Het wordt één geluid.

Het wordt de hartslag van de kroeg.

De warmte van de kachel maakt je slaperig.

Je ogen worden zwaar.

Je adem is langzaam en diep. De kroeg is een deken.

De kroeg wikkelt zich om je heen.

Je hoeft niets te doen. Je hoeft nergens heen.

Je kunt hier rusten. De stemmen worden zachter.

Ze zijn er nog, maar ze zijn verder weg.

Het liedje in de jukebox speelt. De piano raakt de toetsen.

Tik, tik, tok, klok, tik, tik, kachel.

Alles is ritme. Alles is zacht.

De mannen aan de tafel bewegen langzamer.

Ze leggen hun kaarten neer. Ze pakken hun biertje.

Ze nemen een slok. Ze zetten het glas terug op het bierviltje.

Ze leunen achterover in hun stoel.

Ze kijken naar de kachel. Het vuur danst.

De vlammen bewegen.

Oranje en rood en geel.

Het is hypnotiserend.

Je kunt er eeuwig naar kijken.

De mannen zeggen niets. Ze zitten.

Ze zijn. Dat is alles.

De kroegbaas droogt nog een glas.

Hij zet het in de kast.

Hij pakt een nieuwe doek. Hij veegt de bar weer.

De bar glimt. Hij legt de doek neer. Hij vouwt hem netjes.

Hij kijkt naar de ruimte.

Zijn kroeg. Zijn thuis. Hij is trots.

Maar stil. Hij hoeft het niet te zeggen.

Je kunt het zien. Je kunt het voelen.

De kroeg ademt. De kroeg leeft.

De kroeg is meer dan muren en tafels en een kachel.

De kroeg is een gevoel.

Het liedje op de jukebox eindigt.

Er is stilte. Korte stilte.

Niemand beweegt.

Dan begint een nieuw liedje.

Dit liedje heeft een gitaar.

De gitaar tokkelt zacht.

De snaren trillen.

Het geluid is helder en warm.

Het liedje zingt over de nacht.

Over sterren.

Over stilte.

Over rusten.

De stem is zacht.

Bijna een fluistering.

Het liedje vraagt je om je ogen te sluiten.

Om te ademen.

Om los te laten.

De mannen luisteren.

Ze bewegen niet.

Ze zijn deel van het liedje.

De kachel tikt.

Tik.

Het vuur brandt lager nu.

De vlammen zijn kleiner.

Maar de warmte is er nog.

De warmte blijft.

De warmte zit in de steen.

In de lucht.

In je lichaam.

Je voelt het in je vingers.

In je gezicht.

In je voeten.

Je bent warm.

Je bent veilig.

De kroeg.

Houdt je vast.

De kroeg laat je niet gaan.

nog niet.

nog even.

nog een moment.

De klok tikt verder.

Tik.

Tok.

Tik.

Tok.

Het ritme is eindeloos.

Het ritme is als de golven van de zee.

Het komt en gaat.

Het komt en gaat.

Je adem volgt het ritme.

In en uit.

In en uit.

Langzaam.

Zo langzaam.

Er is nergens heen te gaan.

Er is geen reden om wakker te blijven.

De kroeg zingt je in slaap.

De kachel.

De stemmen.

Het liedje.

De klok.

Alles werkt samen.

Alles zorgt voor je.

Een man geeuwt.

Hij legt zijn hand voor zijn mond.

De anderen zien het.

Ze glimlachen.

Ze zijn ook moe.

Maar het is een goede moeheid.

Het is de moeheid van een goede avond.

Van vriendschap.

Van warmte.

Van thuis zijn.

Ze bewegen hun schouders.

Ze strekken hun armen.

Ze zijn klaar met kaartspelen.

Ze laten de kaarten op de tafel liggen.

Ze nemen een laatste slok van hun biertje.

Het glas is leeg.

Ze zetten het neer op het bierviltje.

De kroegbaas ziet het.

Hij knikt.

Hij begrijpt.

De avond loopt ten einde.

Maar het is goed.

Het was een goede avond.

Elke avond hier is goed.

De mannen staan langzaam op.

Ze pakken hun jas van de kapstok.

Ze zetten hun hoed op.

Hun pet.

Ze zeggen iets tegen de kroegbaas.

Dialectwoorden.

Dank je wel.

Tot ziens.

Goedenacht.

De kroegbaas glimlacht.

Hij zwaait een beetje.

De deur gaat open.

Koude lucht komt binnen.

De mannen gaan naar buiten.

De deur sluit.

De warmte blijft binnen.

De kroegbaas is alleen nu.

Hij kijkt naar de lege tafel.

Hij ziet de glazen.

De bierviltjes.

De kaarten.

Hij laat ze staan.

Hij ruimt morgen op.

Nu wil hij alleen zitten.

Hij loopt naar een tafel.

Hij gaat zitten.

Hij kijkt naar de kachel.

Het vuur is bijna uit.

Nog een paar kleine vlammetjes.

Hij laat het zo.

Het is goed.

De kachel heeft genoeg gegeven vandaag.

De warmte is er nog.

De jukebox speelt nog één liedje.

Het laatste liedje van de avond.

Een langzaam liedje.

Een liedje over rusten.

Over slapen.

Over dromen.

De kroegbaas sluit zijn ogen.

Hij ademt langzaam.

Hij voelt de warmte.

Hij hoort het liedje.

Hij hoort de klok.

Tik.

Tok. Tik.

Tok. Alles vervaagt.

Alles wordt zachter.

De kroeg zingt hem in slaap.

Zoals de kroeg elke avond doet.

Zoals de kroeg altijd doet.

Kachel.

Tafels.

Kapstok.

De jukebox.

Alles rust.

Alles slaapt bijna.

Je bent nog in de kroeg.

Maar de kroeg is stil nu.

Het liedje eindigt.

De jukebox stopt.

Het licht is zachter.

De kachel gloeit nog een beetje.

De warmte blijft.

Je adem is zo langzaam.

Je lichaam is zo zwaar.

Je ogen willen niet meer open.

De kroeg houdt je vast.

De kroeg fluistert.

Blijf.

Rust.

Slaap.

Je laat je gaan.

Je laat de warmte je dragen.

Je laat het tikken van de klok.

Je wiegen.

Tik.

Tik.

Je zinkt weg.

Je zinkt dieper.

De kroeg is bij je.

De warmte is bij je.

Alles is goed.

Alles is zacht.

Alles is stil.

Je adem is zacht.

Je lichaam rust.

De oude kroeg in Valkenburg houdt je vast.

De kachel.

De tafel.

De echo van stemmen.

Alles wordt één met je adem.

Je hoeft niets meer.

Je laat de warmte je ogen sluiten.

Je laat de stilte.

Je omhelzen.

Slaap zacht.

Trusten.

Tot morgen.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze