

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Je staat aan de voet van een oude vuurtoren, de lucht is kool en stil.
Het eiland rust onder een zachte avond, de duinen liggen stil achter je, en het wad strekt zich uit, breed en grijs.
Je ademt langzaam in, je ademt langzaam uit.
De vuurtoren staat oud en stevig voor je, de stenen zijn glad en koud.
Er hangt een gordijn van mist boven het water, alles is rustig.
De wind waait zacht langs de muren van de vuurtoren, je hoort de zee in de verte,
een zacht geluid dat nooit ophoudt.
Boven in de vuurtoren draait een lamp, langzaam, altijd hetzelfde.
Het licht schittert kort en verdwijnt weer in de mist.
Je sluit je ogen even, je voelt hoe je schouders zakken, de trap wacht binnen,
de wenteltrap die omhoog draait in de stilte, je bent hier veilig, je bent hier alleen.
Het eiland slaapt om je heen, je opent de deur, de lucht binnen is koel en droog.
De trap begint meteen, een wenteltrap van oude steen.
Elke tree is afgesleten, glad onder je voeten, je legt je hand op de muur,
de muur is koud en vast, je begint te beklimmen.
Stap voor stap, de trap draait naar rechts, steeds verder omhoog.
Het licht van buiten valt door een smal raam, het raam is klein en het glas is dik.
Je ziet de duinen door het glas, stil en donker, de trap draait en je draait met de trap,
je ademt rustig.
Elke stap brengt je hoger, maar je hoeft niet te haasten.
De wenteltrap heeft geen einde en geen begin, hij draait alleen maar, de lucht is stil, je hoort je eigen adem, zacht en langzaam.
Boven je draait de lamp verder, het licht glijdt langs de wanden, de spiegel van de lamp vangt het licht en stuurt het naar buiten.
Over het water, over de schepen die misschien ergens varen in de nacht, je klimt verder, de trap draait.
Elke keer dat je rond de hoek komt, zie je een nieuw raam, door het raam zie je de avond.
De mist hangt laag boven het wad, het water glimt zacht alsof er zilver onder de mist ligt.
Je ziet geen schip, maar je weet dat er schepen zijn, ergens op het water.
Ze varen langzaam door de mist, ze volgen het licht van de vuurtoren, de lamp draait, het licht schittert en dan is het weer stil.
Je hand glijdt over de muur, de steen is koud en glad, glad door de jaren, glad door alle handen die hier gelopen hebben.
Hoeveel mensen hebben deze trap beklommen, hoeveel wachten hebben hier gestaan, nacht na nacht en gekeken naar het licht dat draait.
Je weet het niet, je hoeft het niet te weten, de trap draait en jij draait mee, langzaam, rustig, zonder haast.
Je bereikt een kleine kamer halverwege de wenteltrap, de kamer is klein en rond, met één raam en een oude stoel.
Er hangt een gordijn voor het raam, een dun gordijn dat zacht beweegt als je langslopen, je blijft even staan, je ademt.
De kamer ruikt naar oud hout en naar de zee, er ligt een lamp op de vensterbank, een kleine lamp die niet brandt, je kijkt naar buiten, de duinen liggen stil, de mist drijft langzaam over het eiland, het eiland is klein, een klein stuk land in een grote zee.
Vogeltrek heeft hier in het voorjaar gerust, vogels die van ver kwamen en verder vlogen.
Nu is de lucht leeg, alleen de mist blijft hangen, je hoort de wind, zacht, hij roept niet, hij fluistert alleen.
De wind raakt het glas, het gordijn beweegt, je blijft nog een moment staan, dan draai je je om en je gaat verder omhoog, de wenteltrap draait verder en jij draait mee, de trap wordt smaller, de muren komen dichterbij, je voeten vinden de treden zonder dat je kijkt, elke tree is hetzelfde, elke tree brengt je hoger, de lucht wordt koeler, frisser, je ruikt de zee sterker nu, het zout, de mist, boven je hoor je de lamp draaien, een zacht, diep geluid.
Alsof de vuurtoren ademt, de lamp draait, de spiegel draait, het licht schittert en gaat weg en komt terug, het is een langzaam ritme, een rustig ritme dat nooit verandert, je ademt met het licht mee, in, het licht draait naar je toe, uit, het licht glijdt weg, in, uit, draaien, glijden, de trap draait, je hand rust op de muur, je ogen zijn half gesloten, het beklimmen wordt een beweging zonder gedachte, alleen stappen,
alleen draaien, alleen de koele lucht en het licht dat schittert boven je, je bereikt de bovenkant van de wenteltrap, de deur is open, je stapt naar buiten, op een kleine ronde galerij die om de vuurtoren heen loopt, de wind is hier sterker, maar niet hard, hij loeit niet, hij waait alleen, zacht en gestaag, de lucht is wijder hier, je kunt het eiland zien, donker en stil beneden je, de duinen strekken zich uit, zachte heuvels in de avond,
het wad ligt breed en grijs in de verte, de mist drijft over het water. En daar in de mist zie je een licht, een schip, het schip vaart langzaam, het licht beweegt nauwelijks, het schip zoekt de kust, het volgt de draaien van de lamp, de lamp draait boven je, in de lantaarnkamer.
En het licht valt over het water als een arm die wacht.
Je loopt langzaam om de galerij heen, de reling is koud, je handen rusten op het metaal.
Je kijkt naar beneden, naar de duinen, naar het pad dat naar de vuurtoren leidt.
Alles is stil, geen mensen, geen geluiden behalve de wind en de zee.
Je hoort, heel zacht, de hoorn, de misthoorn, ergens ver weg, het geluid loeit laag en langzaam, het roept door de mist.
Het roept naar de schepen, het waarschuwt, het wijst, de hoorn stopt, de stilte komt terug, de lamp draait verder, het licht schittert over de mist, over het water, over het schip dat langzaam verder vaart.
Je ademt diep in, de lucht is fris en zout, je sluit je ogen, je voelt de wind op je gezicht, het eiland draagt je, de vuurtoren houdt je vast, het licht draait boven je en alles is goed.
Je gaat naar binnen, de lantaarnkamer in, de lantaarnkamer is klein en rond, in het midden staat de lamp, groot en zwaar, gemaakt van glas en metaal, rondom de lamp hangen spiegels, gladde spiegels die het licht vangen en versterken.
De lamp draait langzaam, een mechaniek diep in de toren laat het draaien, het geluid is zacht, een tikken en een zuchten, een ritme van oude machinerieën die nooit stoppen.
Je kijkt naar de lamp, het licht brandt helder en warm, het schittert in de spiegels en de spiegels werpen het licht naar buiten, door de ruiten, de nacht in, het licht schittert, het gaat weg, het komt terug, steeds weer altijd hetzelfde.
De wacht die hier vroeg zat heeft dit licht gezien, nacht na nacht, de wacht heeft gewaakt, heeft naar buiten gekeken, heeft geluisterd naar de wind en de hoorn.
Nu is de vuurtoren leeg, er is geen wacht meer, alleen de lamp draait verder, trouw en stil, je gaat op een oude kruk zitten.
De kruk staat bij het raam, je kijkt naar buiten, de mist hangt laag, maar je ziet sterren door de mist heen, kleine lichtjes hoog boven de zee, het licht van de lamp glijdt over de mist, het schittert zacht en verdwijnt weer.
Je ziet het schip verder nu, het licht een klein puntje in de nacht, het schip vaart langzaam weg, het schip vindt zijn weg.
Andere schepen zullen komen, andere nachten, de lamp zal blijven draaien, dat is wat een vuurtoren doet, hij blijft draaien, hij blijft wachten.
Er hangt een oud gordijn bij de deur, een dik gordijn tegen de kou, hij staat op en trekt het gordijn een stukje opzij.
Daar achter is de trap, de wenteltrap, donker en stil, je laat het gordijn los, je gaat weer zitten, je ademt, de lamp draait, de spiegel schittert, alles is rustig.
Je sluit je ogen, je hoort de zee, zacht altijd aanwezig, je hoort de wind, die loeit heel zacht langs de vuurtoren, je hoort de hoorn heel ver weg, een lang en laag geluid, dat wegdrijft in de mist, de hoorn roept en stopt.
Het roept weer, langzaam, geduldig, het eiland ademt in de nacht, de duinen bewegen niet, maar de wind draagt zand, heel kleine korrels, die zachtjes over de grassen glijden, het wad ligt stil, het water wacht op de volgende vloed, de vogeltrek is voorbij, de lucht is leeg, maar soms hoor je een enkele vogel, ergens hoog, een roep die wegdrijft.
Je opent je ogen weer, de lamp draait, het licht schittert, de spiegel vangt het licht en stuurt het verder, de nacht is lang, maar de lamp heeft geen haast, hij draait en hij blijft draaien, uur na uur, nacht na nacht.
Je staat op en loopt naar het raam, je legt je hand op het glas, het glas is koud, aan de andere kant is de mist, de zee, de lucht, ergens vaart het schip, klein en alleen.
Misschien ziet de bemanning het licht, misschien draaien ze bij en volgen ze de kust, misschien varen ze door, verder de zee op en de lamp wordt een herinnering, een lichtpuntje, dat langzaam achter ze verdwijnt.
Je kijkt naar de duinen beneden, de duinen zijn donker, zachte heuvels die naar het wad lopen, het wad is breed, het strekt zich uit tot waar je niet meer kunt zien.
Bij eb kun je er lopen, over de modder, tussen de kreken door, bij vloed komt het water terug en bedekt alles.
Nu is het eb en het wad ligt stil en grijs in de avond. Je ziet het licht van de lamp over het wad glijden, over het water in de verte, over de mist die alles zacht maakt.
Je draait je om en kijkt naar de lamp, de lamp staat hoog op een voetstuk, het licht brandt gestaag, de vlam of de elektrische gloei schittert in het hart van de lamp.
De spiegels rondom vangen elk straaltje licht en versterken het, elke keer dat de lamp draait, valt een bundel licht door het raam naar buiten, een brede straal die over de zee schittert.
Dan draait de lamp verder, en de straal glijdt weg, en een nieuwe straal komt.
Het is een dans van licht en spiegel, van draaien en schitteren, een dans zonder einde.
Je gaat weer op de kruk zitten, je handen rusten op je knieën, je voelt je eigen adem rustig en langzaam.
Je voelt hoe je lichaam zwaar wordt, hoe je schouders zakken, hoe je nek ontspant, de vuurtoren houdt je vast, de lamp draait.
Je hoeft niets te doen, alleen te zitten, alleen te ademen, alleen te kijken naar het licht, dat schittert en verdwijnt en weer terugkomt.
De tijd gaat verder, maar je merkt het niet.
De lamp draait, de hoorn loeit zacht in de verte, de mist draait langzaam over het eiland.
Soms zie je een ster tussen de mist door, een klein lichtje, het knippert en verdwijnt weer.
De duinen liggen stil, het wad wacht.
Het schip is weg, misschien achter de horizon, misschien veilig in een haven, andere schepen zullen komen.
De lamp wacht op ze, de lamp draait voor ze.
Dat is het werk van de vuurtoren, waken in de nacht.
De oude wacht die hier zat heeft dit werk gedaan.
Hij zat op deze kruk, of op een kruk zoals deze, en hij keek naar buiten, naar de mist, naar de schepen.
Hij luisterde naar de hoorn, hij zorgde dat de lamp bleef draaien.
Nu doet de lamp dat zelf, maar het werk is hetzelfde.
Draaien, schitteren, wachten.
Je staat op en loopt naar het gordijn.
Je trekt het opzij en kijkt naar de wenteltrap.
De trap draait naar beneden, de stenen treden verdwijnen in het donker.
Je kunt naar beneden gaan, stap voor stap.
De trap afklimmen, de vuurtoren verlaten, het eiland oplopen.
Maar je blijft nog even staan.
Je wilt het licht nog even zien.
Je wilt de spiegel nog even zien schitteren.
Je laat het gordijn los en loopt terug naar het raam.
De lamp draait.
Het licht valt over je gezicht.
Warm en zacht.
Je sluit je ogen.
Het licht schittert door je oogleden heen.
Dan draait de lamp verder en het licht is weg.
Alles is donker.
Dan komt het licht terug.
Schitteren, weg draaien, terugkomen.
Je ademt met het licht mee.
In als het licht komt, uit als het licht weggaat.
In het draaien, de vuurtoren ademt met je mee.
Je opent je ogen.
De mist begint te veranderen.
Hij wordt dunner, lichter.
Door de mist zie je de sterren beter.
Meer sterren.
Een hele hemel vol kleine lichten.
De maan hangt laag boven het water.
Een halve maan bleek en stil.
Het maanlicht schittert op de zee.
Een lang pad van zilver dat naar de horizon loopt.
De lamp draait.
En het licht van de lamp mengt zich met het maanlicht.
Twee lichten die over het water glijden.
Het is mooi.
Het is stil.
Je voelt hoe je ademhaling trager wordt.
Je voelt hoe je oogleden zwaar worden.
De kruk is hard.
Maar je lichaam rust erop, alsof het zacht is.
De vuurtoren houdt je vast.
De lamp draait.
Alles is goed.
Je hoort een geluid.
Het is de hoorn.
Weer.
De hoorn loeit lang en laag.
Het geluid komt van een ander eiland.
Of van een boot.
Ergens ver weg.
Het roept door de nacht.
Het roept naar de vuurtoren misschien.
Of naar de schepen.
Of naar niemand.
Het is een oud geluid.
Een geluid dat altijd bestaan heeft.
Dat altijd zal bestaan.
De hoorn stopt.
De stilte is dieper nu.
De zee ruist zacht.
De wind waait.
De lamp draait.
Je ademt.
Je bent hier.
In deze lantaarnkamer.
Hoog boven het eiland.
Hoog boven het wad.
En je bent veilig.
Je bent alleen maar niet eenzaam.
De vuurtoren is een gezelschap.
De lamp is een vriend die blijft draaien.
Die nooit stopt.
Die altijd wacht.
Je staat langzaam op.
Je loopt naar de deur.
Je kijkt nog een keer naar de lamp.
De spiegel schittert.
Het licht draait.
Je legt je hand even op de koude wand van de lantaarnkamer.
Dan til je het gordijn op.
En je stapt de wenteltrap op.
Je gaat naar beneden.
De trap draait naar links nu.
De andere kant op.
Je hand glijdt over de muur.
De treden zijn glad onder je voeten.
Stap voor stap beklim je de afstand naar beneden.
Je passeert het kleine raam.
De duinen zijn donkerder nu.
De maan geeft ze een zacht licht.
De trap draait.
Je draait mee.
Je ademt rustig.
De wenteltrap neemt je mee naar beneden.
Langzaam.
Zonder haast.
Boven je draait de lamp verder.
Het licht schittert door de smalle ramen.
Flitsen van helderheid die over de muren glijden.
En dan verdwijnen.
De vuurtoren laat je gaan.
Maar het licht blijft draaien.
De lamp blijft waken.
Je bereikt de kleine kamer halverwege.
Je blijft even staan.
Het Gordijn hangt stil nu.
Er is geen wind hier binnen.
De stoel staat leeg.
De kleine lamp op de vensterbank staat er nog.
Koud en donker.
Je kijkt door het raam.
De mist is bijna weg.
De duinen zijn duidelijk nu.
Je ziet de paden.
De grassen die bewegen in de wind.
Het eiland rust.
Morgen zal de zon opkomen.
Zal het licht van de vuurtoren doven.
Zal de dag beginnen.
Maar nu is het nacht.
En de lamp draait nog.
En alles is stil.
Je verlaat de kamer en gaat verder naar beneden.
De wenteltrap draait.
Je draait mee.
De treden zijn eindeloos.
Maar je voeten vinden ze zonder moeite.
Je adem is langzaam.
Je ogen zijn bijna gesloten.
Je laat de trap je dragen.
Je laat de vuurtoren je begeleiden naar beneden.
Naar de aarde.
Naar de stilte van het eiland.
Je bereikt de voet van de trap.
De deur staat nog open.
De lucht buiten is koel en fris.
Je stapt naar buiten.
Je staat weer bij de vuurtoren.
Op de grond.
Op het eiland.
De duinen liggen stil om je heen.
Het wad strekt zich uit in de verte.
De mist is bijna weg.
Alleen een paar slierten hangen nog boven het water.
De sterren schitteren.
Helder en talrijk.
De maan hangt boven de zee.
En boven je.
Hoog in de vuurtoren draait de lamp.
Het licht schittert.
Breed en helder.
Over het water.
Over de duinen.
Over jou.
Je kijkt omhoog.
Je ziet de spiegel glanzen in de lantaarnkamer.
Je ziet het licht draaien.
Het is een mooi gezicht.
Een oud gezicht.
Een gezicht dat al zo lang bestaat.
De lamp draait.
En het eiland slaapt.
En de zee wacht.
En alles is zoals het moet zijn.
Je loopt langzaam weg van de vuurtoren.
Je voeten vinden het pad tussen de duinen.
Het zand is zacht.
De grassen ruizen zacht in de wind.
Je kijkt achterom.
De vuurtoren staat daar.
oud en stevig.
En de lamp draait.
En het licht schittert.
Het licht valt over je.
En dan draait het weg.
En dan komt het terug.
Je loopt verder.
Het licht wordt kleiner.
Maar je ziet het nog steeds.
Het schittert tussen de duinen door.
Een trouwe wacht.
Een stille metgezel.
Je ademt de nachtlucht in.
Je voelt hoe je lichaam moe is.
Hoe je ogen zwaar zijn.
Hoe je voeten zacht over het zand schuiven.
Je vindt een plek tussen de duinen.
Een stille plek waar het zand zacht is.
En het gras lang.
Je gaat liggen.
De grond is koel, maar draagt je.
De sterren boven je.
Een dak van licht.
De wind waait zacht over je heen.
Je hoort de zee.
Altijd aanwezig.
Een zachte ademhaling van het eiland.
Je hoort de vuurtoren niet meer.
Maar je weet dat de lamp draait.
Dat het licht schittert.
Dat de spiegel het licht stuurt naar de schepen.
naar het wad.
naar de nacht.
Het eiland rust om je heen.
De duinen bewegen niet.
Het wad wacht op de volgende vloed.
De vogeltrek zal terugkomen in het voorjaar.
En het eiland zal weer vol leven zijn.
Maar nu is het stil.
En jij ligt hier.
En alles drijft langzaam weg.
De mist komt terug.
Heel zacht.
Een dunne sluier die over de duinen glijdt.
De mist raakt je gezicht.
Koel en zacht.
Je sluit je ogen.
Je ademt langzaam in.
Je ademt langzaam uit.
Het licht van de vuurtoren draait ergens achter je.
Je ziet het niet meer.
Maar je voelt het.
Een aanwezigheid.
Een ritme.
Een hartslag van het eiland.
De lamp draait.
De spiegel schittert.
Het licht gaat weg en komt terug.
En gaat weg.
Je adem wordt langzamer.
Je lichaam wordt zwaarder.
Je voelt hoe de aarde je vasthoudt.
Hoe de duinen je dragen.
Hoe het eiland je omarmt.
Alles is stil.
Alles is goed.
Alles drijft weg.
Langzaam.
Zacht.
Als mist over het wad.
De vuurtoren staat.
De lamp draait.
Het licht schittert.
De nacht is lang.
Maar jij hoeft niet te waken.
De wacht is voorbij.
De trap is beklommen en weer afgedaald.
Het gordijn hangt stil.
De spiegel vangt het licht.
De hoorn loeit zacht.
Heel ver weg.
En dan niet meer.
De schepen varen.
Of ze rusten.
En het licht draait voor ze.
Geduldig en trouw.
Het eiland ademt.
Je ademt.
De duinen ademen.
Het wad ademt.
Alles ademt samen.
Langzaam.
Zacht.
Zonder einde.
Je laat je ogen zinken.
Je laat je gedachte wegdrijven.
Je laat de nacht je dragen.
De vuurtoren blijft draaien.
De lamp blijft schitteren.
En jij rust hier.
Stil veilig.
Thuis.
Slaap zacht.
Het licht waakt.
Het eiland draagt je.
Alles is goed.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze