

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Je staat van smalendeur in een stille straat in Leiden.
De etalage toont oude boeken, hun ruggen vol kleuren die zachtjes vervaagd zijn.
Je ademt langzaam in, de middag is stil en je duwt de deur open.
Een belletje rinkelt zacht bijna fluisterend.
Je stapt naar binnen, de geur van oud papier vult meteen je neus, warm en droog.
Het licht binnen is geel en rustig.
Een paar lampen maken kleine lichtkringen op de houten vloer.
Overal staan planken, van de vloer tot het plafond, vol met boeken, sommige ruggen zijn breed, andere dun.
Stof ligt als een deken op een paar kaften.
Je voelt hoe je schouders zakken, je adem wordt nog trager.
Dit is een plek waar tijd langzaam loopt.
Waar bladeren door oude bladzijden een meditatief geluid maakt.
Je ogen glijden langs de planken, je voelt de stilte op je huid.
Links staat een houten ladder tegen een hoge plank.
De ladder is oud, het hout is donker van de jaren.
Je kijkt omhoog en ziet dat de bovenste planken bijna het plafond raken.
Daar staan boeken die misschien niemand in maanden heeft aangeraakt.
Stof danst in een lichtkring die door een klein raam naar binnen valt.
Je loopt langzaam verder.
Je voetstappen maken geen geluid op het zachte tapijt tussen de rijen.
De boekwinkel ruikt naar papier, naar inkt, naar hout.
Het is een geur die je kalmeert, die je doet wegdromen naar andere tijden.
Rechts is een leeshoek.
Een oude fauteuil staat daar, bekleed met groen fluweel dat op sommige plekken glanzend is van gebruik.
Naast de stoel staat een kleine lamp.
De kap is van glas met een gouden rand.
Het licht valt zacht op de armleuning.
Je ziet een boek openliggen op de armsteun.
Iemand heeft het daar gelaten.
De bladzijde toont een illustratie.
Misschien uit een oud prentenboek, vogels in een tuin.
Je blijft even staan, je ademt de stilte in. Niemand is hier, alleen jij en de boeken.
Je loopt naar een plank met oude romans. Je vingers glijden over de ruggen.
Je voelt het reliëf van letters onder je vingertoppen.
Sommige boeken hebben een harde kaft.
Andere zijn zacht, het karton is oud. Je pakt een boek, het is dun.
De rug is blauw met gouden letters. Je opent het, de bladzijde kraakt zachtjes.
Het handschrift op de eerste bladzijde is ouderwets.
Iemand heeft een naam geschreven in dunne inkt.
Je bladert door de pagina's.
Het papier is dun, bijna doorzichtig.
De woorden zijn in een taal die je niet helemaal begrijpt, maar het maakt niet uit.
Je houdt van het gevoel van het boek in je handen, van het gewicht, van de geur.
Je zet het boek terug en loopt verder.
De boekwinkel is klein, maar elk hoekje is gevuld.
Er is een plank met prentenboeken, hun kaften zijn vrolijk gekleurd, rood en geel en groen.
Een ander deel heeft dikke encyclopedieën, hun ruggen zijn versleten.
Je blijft staan bij een verzameling poëzie. De boeken zijn klein, de ruggen dun.
Je pakt er een, het kaft is zwart, de titel is in zilver. Je bladert erin,
de gedichten zijn kort, elk gedicht heeft veel witruimte op de bladzijde.
Je leest een paar regels, de woorden fluisteren in je hoofd.
Ze gaan over de wind, over een tuin, over de slaap.
Je voelt hoe de woorden je lichaam nog rustiger maken.
Achter in de winkel staat een bureau.
Het is een oud bureau met laden en vakjes.
Op het bureau ligt een vel papier,
iemand heeft met potlood notities gemaakt.
Het handschrift is klein en netjes, misschien een lijstje van nieuwe boeken.
Naast het papier ligt een oude vulpen,
De inkt in het reservoir is bijna op.
Je hoort het zachte krassen van een pen in je gedachten,
Het geluid van iemand die schrijft, langzaam en geconcentreerd.
Maar nu is alles stil.
alleen het tikken van een klok ergens ver weg.
Je gaat terug naar de leeshoek en laat je zakken in de fauteuil.
Het fluweel voelt zacht onder je handen.
Je kijkt om je heen,
de planken omringen je als de wanden van een veilige ruimte.
De lichtkring van de lamp naast je, maakt alles warm.
Je ademt langzaam.
je ogen rusten op de ruggen van de boeken.
Sommige titels kan je lezen, andere zijn te vervaagd.
Het maakt niet uit.
je hoeft niets te doen, alleen hier te zijn.
Je pakt het boek dat op de armsteun lag.
Het is een oud prentenboek,
De bladzijden zijn dik.
Elke bladzijde toont een tekening, vogels en bomen en bloemen.
De kleuren zijn zacht, blauw en groen en bruin.
Je bladert langzaam.
Je vingers raken het papier zachtjes aan.
Het prentenboek ruikt naar oud papier, naar de jaren die voorbij zijn gegaan.
Je fantaseert over het kind dat dit boek ooit las.
Over de handen die deze bladzijden omsloegen.
Misschien zat dat kind ook in een stoel.
Misschien ook in het gouden licht van een lamp.
Je sluit het prentenboek en legt het terug.
Je hoofd rust tegen de rugleuning van de fauteuil.
Je ogen gaan half dicht.
Je kijkt naar de ladder die tegen de plank staat.
Het hout van de ladder is donker.
Bijna zwart.
Je fantaseert dat je omhoog klimt.
Trede voor trede.
En dat je handen de boeken op de bovenste plank aanraken.
Die boeken hebben misschien stof op hun kaften.
Misschien zijn hun ruggen stijf van de tijd.
Maar het hoeft niet.
Je blijft gewoon zitten.
Je adem is langzaam.
En diep.
Naast de ladder staat een stapel boeken op de vloer.
Iemand heeft ze daar neergelegd.
Misschien om ze later op de plank te zetten.
De bovenste boek heeft een rode kaft.
De titel is in zwarte letters.
Je kijkt ernaar.
Je ogen volgen de vorm van de letters.
Maar je leest ze niet echt.
Je denkt alleen aan de stilte.
Aan de rust.
Het licht van de lamp maakt een lichtkring op de vloer.
Het bereikt net de rand van de stapel.
Je hoort een zacht geluid.
Ergens buiten loopt iemand voorbij op straat.
Voetstappen.
Langzaam.
Dan stilte weer.
De boekwinkel blijft stil.
Je sluit je ogen helemaal.
Je luistert naar je eigen ademhaling.
In en uit.
Langzaam.
Zoals de bladzijden van een boek die omslaan in een zachte wind.
Je wegdromen is gemakkelijk hier.
Tussen de boeken.
En het oude hout.
Je opent je ogen weer en staat langzaam op.
Je loopt naar een andere plank.
Deze keer met boeken over reizen.
De ruggen tonen plaatsnamen.
Parijs.
Rome.
Londen.
Je pakt een boek over Amsterdam.
Het kaft toont een foto van grachten.
Je bladert erin.
De bladzijden zijn vol foto's.
Zwart-witbeelden van bruggen en huizen.
Het papier voelt glad aan.
Anders dan het oude papier van de prentenboeken.
Je ruikt de inkt van de drukkerij.
Fris en scherp.
Maar ook dat is zacht in deze ruimte.
Je zet het boek terug en kijkt naar de verzameling Shakespeare.
Die op een aparte plank staat.
De boeken zijn gebonden in leer.
Hun ruggen zijn groen en bruin.
Je pakt een bundel toneelstukken.
Het boek is zwaar.
Je opent het.
De bladzijde toont een lijst van personages.
Namen in oude spelling.
Je bladert verder.
De woorden zijn in het Engels.
Ze vormen dialogen.
Toneelscènes.
Je leest niet echt.
Je laat je ogen over de regels glijden.
Het handschrift in de marges is van een vorige eigenaar.
Iemand heeft met potlood notities gemaakt.
Dunne lijnen en woorden.
Het krassen van het potlood op het papier gebeurde misschien jaren geleden.
Misschien wel tientallen jaren.
Je voelt de geschiedenis in je handen.
Je legt het Shakespeare-boek terug.
Je vingers raken de rug nog een keer aan.
De verzameling staat netjes op een rij.
Elke rug tegen de volgende.
Het stof op de bovenkant van de ruggen is dun.
Bijna onzichtbaar.
Maar je ziet het in het licht.
Je ademt in.
De lucht is droog en warm.
Je voelt geen haast.
Nergens in je lichaam.
De boekwinkel houdt je vast in zijn stilte.
Je loopt terug naar het midden van de winkel.
De ladder staat nog steeds tegen de plank.
Hij beweegt niet.
Je legt je hand op een trede.
Het hout voelt glad aan.
gepolijst door handen door de jaren.
Je kijkt omhoog.
De boeken op de hoogste plank zijn klein.
Hun ruggen nauwelijks leesbaar.
Je blijft staan.
Je hand op de ladder.
Je ademt langzaam.
Je hoeft niet naar boven.
Het is genoeg om hier te staan en te kijken.
Achter je staat een plank met oude kinderboeken.
De kaften zijn vrolijk.
Ook al zijn de kleuren vervaagd.
Een boek heeft een afbeelding van een beer.
Een ander toont een zeilboot.
Je pakt het boek met de beer.
Het is een klein boek.
Dun.
Je opent het.
Elke bladzijde heeft een illustratie en een paar regels tekst.
De letters zijn groot.
Makkelijk om te lezen.
Je bladert langzaam.
De beer in het verhaal loopt door een bos.
Vindt een pot honing.
Zit onder een boom.
Het is een simpel verhaal.
Maar het brengt je terug naar een tijd waarin verhalen zo gemakkelijk waren.
Je sluit het boek en houdt het even vast.
Het kaft voelt zacht aan.
Een beetje ruw.
Je ruikt het papier.
Het is oud papier.
Maar niet stoffig.
Het is schoon.
Je zet het boek terug op de plank.
Tussen de andere kinderboeken.
Hun ruggen vormen een regenboog van zachte tinten.
Je gaat weer zitten in de fauteuil.
Je lichaam zakt diep in het fluweel.
De lamp naast je maakt een lichtkring die je handen verlicht.
Je legt je handen op je schoot.
Je voelt de warmte van het licht.
Je ogen gaan over de planken.
Over de ruggen.
Over de stapels.
Overal zijn boeken.
Verzamelingen van woorden en verhalen.
Je denkt aan alle mensen die deze boeken hebben gelezen.
Die hun vingers over deze bladzijden hebben laten glijden.
In een hoek staat een kleine tafel met een stapel prentenboeken.
De bovenste heeft een blauwe kaft met een illustratie van een maan en sterren.
Je staat op en loopt erheen.
Je pakt het prentenboek.
Het is zwaarder dan je dacht.
De bladzijden zijn dik karton.
Je opent het, elke bladzijde toont een nachtscène.
Dieren die slapen en een kind in bed.
Een uil in een boom.
De kleuren zijn donkerblauw en zwart met gele lichtjes.
Je bladert langzaam.
Elke bladzijde is een nieuw moment van rust.
Het prentenboek fluistert naar je.
Het vertelt je dat de nacht veilig is.
Dat slaap iets moois is.
Je legt het prentenboek terug op de stapel.
Je vingers raken de kaft nog een keer aan.
Je voelt de textuur.
Dan loop je terug naar de fauteuil.
Je gaat zitten.
Je hoofd rust tegen de zachte stof.
Je ademt diep in.
De geur van oud papier vult je longen.
Het is een geur die je wilt blijven ruiken.
Die je lichaam ontspant.
De klok tikt ergens.
Zacht en regelmatig.
Het geluid is als een hartslag.
Langzaam en gestaag.
Je luistert ernaar.
Je eigen hartslag vertraagt.
Volgt het ritme van de klok.
De lichtkring van de lamp beweegt niet.
Hij blijft stil op dezelfde plek.
Je kijkt naar het licht.
Naar de gouden gloed.
Het is alsof de tijd hier langzamer gaat.
Alsof elke seconde zich uitstrekt.
Je denkt aan de verzameling boeken om je heen.
Aan alle verhalen die wachten.
Sommige boeken zullen misschien nooit weer geopend worden.
Hun bladzijden blijven dicht.
Andere zullen binnenkort in nieuwe handen zijn.
Iemand zal hun kaft openen en bladeren door de pagina's.
Maar nu zijn ze hier.
Allemaal samen.
In deze stille ruimte.
Je sluit je ogen.
Je luistert naar de stilte.
Het is niet een lege stilte.
Het is een stilte vol met aanwezigheid.
De boeken zijn aanwezig.
De planken, de ladder, het licht.
Alles heeft een plek.
Alles is zoals het moet zijn.
Je wegdromen is makkelijk.
Je gedachten zweven als stof in een lichtkring.
Langzaam.
Zonder richting.
Je opent je ogen weer.
Je kijkt naar je handen.
Ze liggen stil op je schoot.
Ontspannen.
Je beweegt je vingers zachtjes.
Je voelt het fluweel van de stoel onder je handpalmen.
Je ademt uit.
Lang en langzaam.
De boekwinkel houdt je vast.
De ruggen van de boeken zijn als de wanden van een cocon.
Je staat op.
Je loopt naar de plank met poëzie.
Je pakt het kleine zwarte boek weer.
Het boek met de gedichten over de wind en de tuin.
Je opent het op een willekeurige bladzijde.
Je leest een paar woorden.
Ze gaan over de avond.
Over schaduwen.
Over rust.
De woorden fluisteren in je hoofd.
Ze vragen niets.
Ze geven alleen.
Je sluit het boek.
Je houdt het even vast.
Dan zet je het terug.
De inkt op de bladzijden is oud.
Maar nog steeds zwart.
Je denkt aan de pen die deze woorden schreef.
Het krassen op het papier.
De hand die bewoog.
Misschien schreef de dichter 's nachts.
Bij kaarslicht.
In een stille kamer.
Of misschien overdag.
In een tuin met vogels om hem heen.
Het maakt niet uit.
De woorden zijn nu hier.
Op deze plank.
In deze boekwinkel.
Je loopt langzaam door de winkel.
Je vingers raken de ruggen van de boeken aan.
Sommige zijn glad.
Andere zijn ruw.
Sommige hebben letters die je kunt voelen.
Andere zijn glad.
Je ruikt het hout van de planken.
Het oude papier.
De inkt.
De geuren mengen zich.
Ze worden één geur.
De geur van deze plek.
Je gaat terug naar de leeshoek.
De fauteuil wacht op je.
De lamp brandt nog steeds.
Je laat je zakken.
Je lichaam ontspant meteen.
Je hoofd rust tegen de rugleuning.
Je ogen gaan half dicht.
Je kijkt naar de lichtkring op de vloer.
Naar de stapel boeken naast de ladder.
Alles is stil.
Alles is zacht.
Je denkt aan niets specifieks.
Je laat je gedachten komen en gaan.
Ze drijven door je hoofd als wolken.
Langzaam.
Zonder vorm.
Je ademhaling is diep en rustig.
Je borst gaat omhoog en omlaag.
De boekwinkel ademt met je mee.
Zo voelt het.
Je sluit je ogen.
De duisternis achter je oogleden is warm.
Je hoort de klok tikken.
Je hoort je eigen adem.
Verder niets.
De stilte is volledig.
Ze vult elke hoek van de winkel.
Elke ruimte tussen de boeken.
Je drijft in de stilte.
Je lichaam wordt lichter.
De fauteuil houdt je vast.
Zacht en stevig.
Het fluweel onder je handen is warm van je lichaamswarmte.
Je vingers ontspannen.
Je schouders zakken.
Alles in je lichaam laat los.
Trede voor trede.
Zoals de treden van de ladder.
Omlaag.
Naar rust.
Je fantaseert over blijven.
Over hier de hele avond zitten.
In het licht van de lamp.
Misschien komt er niemand.
Misschien blijft de deur dicht.
Alleen jij en de boeken.
De stilte.
En de geur van oud papier.
Het zou genoeg zijn.
Meer dan genoeg.
Je adem wordt nog langzamer.
Elke inademing duurt lang.
Elke uitademing duurt langer.
Je lichaam zinkt dieper in de stoel.
Je hoofd wordt zwaar.
De boekwinkel houdt je vast, veilig en warm.
De ruggen van de boeken zijn als een muur om je heen, beschermend, rustgevend.
Je bent niet meer helemaal wakker.
Niet meer helemaal weg.
Je zweeft tussen de twee.
In een zachte plek waar tijd niet bestaat.
De bladzijden van je gedachten slaan langzaam om.
Beelden komen en gaan.
Een ladder.
Een lichtkring.
Een hand die schrijft.
Krassen van een pen.
Stof.
Dat danst.
Je laat alles gaan.
Je laat je lichaam rusten.
De boekwinkel ademt met je.
Langzaam rustig.
Je bent hier.
Tussen de verhalen.
Tussen de woorden.
Je bent veilig.
Je bent stil.
De lamp brandt zachtjes.
Het licht blijft gouden.
Planken staan stevig.
De boeken wachten.
Alles is zoals het is.
Alles is goed.
Ademhaling wordt gefluisterd.
Zacht als het omslaan van een bladzijde.
Je wegdromen is volledig nu.
Je drijft naar een plek zonder woorden.
Zonder beelden.
Alleen warmte.
Alleen rust.
Boekwinkel.
Houd je vast.
De ruggen van de boeken fluisteren je naam niet.
Ze fluisteren alleen rust.
Je lichaam is zwaar.
Je gedachten zijn licht.
Je zinkt langzaam.
In een zachte duisternis.
Die ruikt naar oud papier en inkt.
De ladder staat stil.
De lichtkring blijft.
Alles blijft.
Alles gaat.
Je ademt.
Langzaam.
En de wereld wordt zachter.
Slaap zacht.
Tussen de bladzijden van deze stille middag.
De boeken waken.
Planken staan stevig.
Je bent hier.
Je bent veilig.
Adem rustig.
Laat los.
Welterusten in het licht van oude woorden.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze