

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Je staat bij het raam en je kijkt naar buiten.
De tuin van de buurman ligt stil in het licht van de late middag.
Het gras is groen en zacht.
De lucht is warm, maar niet heet.
Ergens zingt een vogel, heel zacht.
Je ademt langzaam in en langzaam uit.
De wereld voelt rustig.
Je ogen rusten op de grote appelboom die midden in de tuin staat.
De takken hangen vol met kleine groene appels.
De bladeren bewegen nauwelijks.
De buurman komt naar buiten.
Hij loopt langzaam over het pad.
In zijn hand draagt hij een hark.
Hij glimlacht een beetje.
Zijn schoenen maken geen geluid op het gras.
Hij zet de hark neer en kijkt omhoog naar de lucht.
Alles is stil.
Je ademt weer in, langzaam en je schouders zakken.
De wereld is zacht en vredig.
Je mag hier blijven.
Rustig kijken, rustig ademen.
De buurman bukt zich en pakt de hark.
Hij begint te harken.
De beweging is traag en ritmisch.
De tanden van de hark glijden door het gras.
Kleine blaadjes schuiven over de grond.
Het geluid is zacht.
Een soort fluisteren.
De buurman harkt langs de rand van het grasveld.
Hij stopt even, veegt zijn voorhoofd af en harkt dan verder.
De zon schijnt op zijn rug.
Zijn schaduw valt lang over de tuin.
De appelboom staat stil.
Een tak buigt een beetje in de wind.
Er hangen veel appels aan de takken.
Ze zijn nog groen, maar over een paar weken worden ze rood.
De buurman kijkt naar de boom en hij glimlacht.
Hij legt de hark neer en loopt naar de appelboom.
Hij raakt een appel aan.
De appel voelt stevig en koel.
De buurman knikt tevreden.
Alles groeit zoals het moet groeien.
Naast de schuur staat een kruiwagen.
De kruiwagen is oud en een beetje roestig.
In de kruiwagen liggen wat kleine takken en bladeren.
De buurman heeft vandaag al wat opgeruimd.
Hij pakt de kruiwagen en duwt hem naar de rand van de tuin.
Daar is een smalle sloot.
Het water in de sloot staat stil.
Er drijven wat bladeren op het water.
De buurman legt de takken in een stapel naast de sloot.
Hij werkt rustig, zonder haast, zijn handen bewegen langzaam.
De lucht ruikt naar gras en aarde.
Je ademt die geur in, zacht en diep.
De wereld voelt groot en klein tegelijk.
Alles heeft zijn plek.
Een kip loopt uit het kippenhok.
Het kippenhok staat achter de appelboom.
Half verscholen achter een grote struik.
De kip scharrelt over het gras.
Haar pootjes bewegen snel.
Ze pikt hier en daar in de grond.
Ze zoekt kleine zaden of insecten.
De kip kakelt zachtjes.
Het geluid is laag en tevreden.
Een tweede kip komt ook naar buiten.
Ze scharrelt naast de eerste.
Samen lopen ze langzaam door de tuin.
De buurman kijkt naar de kippen en hij glimlacht.
Hij vindt het fijn om ze te zien.
De kippen zijn niet bang.
Ze kennen hem.
Ze lopen dichtbij zijn voeten.
Hij blijft stilstaan en de kippen scharrelen verder.
De buurman loopt terug naar het midden van de tuin.
Hij pakt een schoffel die tegen de muur van de schuur leunt.
De schoffel is oud.
Het hout is glad en donker.
Hij loopt naar een klein stuk grond waar groenten groeien.
Daar groeit sla en daar groeien wat tomaten.
Hij gebruikt de schoffel om de grond een beetje los te maken.
De punt van de schoffel gaat de aarde in.
Hij duwt en trekt langzaam.
De grond wordt losser.
Onkruid komt los.
Hij legt de schoffel neer en trekt het onkruid met zijn handen uit de grond.
Zijn vingers zijn sterk en rustig.
Het werk is eenvoudig.
Het vraagt geen haast.
De zon zakt langzaam.
Het licht wordt goudkleurig.
De schaduwen in de tuin worden langer.
De buurman legt de schoffel terug tegen de muur.
Hij loopt naar een tuinbank die onder een oude boom staat.
De tuinbank is van hout en een beetje versleten.
Maar hij staat stevig.
Op de tuinbank ligt een kussen.
Naast de tuinbank staat een kleine tafel.
Op de tafel staat een radio.
De radio speelt zachtjes.
Het is een lied zonder woorden.
Alleen muziek.
De klanken zijn traag en melodieus.
De buurman gaat op de tuinbank zitten.
Hij leunt achterover.
Zijn ogen kijken naar de appelboom.
De takken bewegen heel zacht.
Een blad valt.
Het blad dwarrelt langzaam naar beneden en landt op het gras.
Op de tafel staat ook een koffiepot.
De koffiepot is van metaal en een beetje oud.
De buurman schenkt een kopje in.
De koffie is donker en geurig.
Hij houdt het kopje vast.
En voelt de warmte in zijn handen.
Hij drinkt langzaam.
De smaak is bitter en zacht tegelijk.
Hij sluit zijn ogen even.
De radio speelt door.
De muziek mengt zich met het geluid van de kippen die nog steeds scharrelen.
Een van de kippen kakelt weer.
Kort en zacht.
De wereld voelt compleet.
Niets ontbreekt.
De buurman zet het kopje neer.
Hij kijkt naar de sloot.
Het water glimt in het licht.
Een vogel landt op de rand van de sloot en drinkt.
De vogel vliegt dan weer weg.
De buurman wuift.
Ook al is er niemand die het ziet.
Het is een gebaar van vriendelijkheid.
Van aandacht.
Hij wuift naar de vogel.
Naar de tuin.
Naar de dag die langzaam eindigt. Alles
Is goed.
Hij staat op en loopt naar de kruiwagen.
Hij tilt de kruiwagen op en duwt hem terug naar de schuur.
Het wiel van de kruiwagen piept een beetje.
Het is een vertrouwd geluid.
De buurman zet de kruiwagen neer.
Hij hangt de hark aan een haak aan de muur.
Hij hangt de schoffel ernaast.
Alles heeft zijn plek.
De schuur ruikt naar hout en aarde.
Het is donkerder in de schuur, maar niet koud.
De buurman blijft even staan en kijkt naar zijn gereedschap.
Hij is tevreden.
Het werk van vandaag is klaar.
Hij loopt terug naar de appelboom.
De appelboom is groot en sterk.
De stam is breed en de schors is ruw.
De buurman legt zijn hand op de stam.
Het voelt koel en stevig.
Hij kijkt omhoog naar de takken.
De appels hangen daar, stil en geduldig.
Nog even en ze zijn rijp.
De buurman weet dat hij dan appeltaart zal bakken.
Hij zal appels aan de buren geven.
Hij zal een mand vol appels in de keuken zetten,
maar nu is het nog niet zover.
Nu hangen de appels daar en groeien ze langzaam.
De buurman raakt een tak aan.
De tak is stevig en een beetje ruw, een blad kriebelt langs zijn hand.
De kippen lopen terug naar het kippenhok.
Het wordt avond en ze weten dat.
Ze scharrelen langzaam, niet gehaast.
De buurman kijkt naar ze en hij glimlacht.
Hij loopt achter ze aan.
Hij opent het deurtje van het kippenhok.
De kippen gaan naar binnen.
binnen is het warm en donker.
Er ligt stro op de grond.
De buurman sluit het deurtje zachtjes.
Hij hoort de kippen nog even kakelen, dan worden ze stil.
Ze gaan slapen.
De buurman wuift naar het kippenhok, ook al zien de kippen het niet.
Hij loopt terug naar de tuinbank.
De radio speelt nog steeds.
Nu is het een ander lied.
De klanken zijn nog zachter dan eerst.
De buurman gaat weer zitten.
Hij schenkt nog een kopje koffie in, uit de koffiepot.
De koffie is nu minder heet, maar nog warm genoeg.
Hij drinkt langzaam.
De lucht wordt koeler.
Er komt een lichte wind.
De bladeren van de appelboom fluisteren.
Het is een zacht, geruststellend geluid.
De buurman sluit zijn ogen en luistert.
De radio, de bladeren, de wind, de stilte.
Alles klinkt samen.
De zon raakt de horizon.
Het licht wordt oranje en dan roze.
De tuin verandert van kleur.
Het groen wordt dieper, bijna blauw.
De schaduwen worden zachter.
De buurman opent zijn ogen en kijkt.
Hij vindt dit moment mooi.
Elke dag opnieuw.
Hij drinkt zijn kopje leeg en zet het neer.
Hij staat op en pakt de koffiepot.
Hij brengt de koffiepot naar binnen, naar de keuken.
Hij zet hem op het aanrecht.
Hij komt weer naar buiten.
De radio speelt nog.
Hij draait het volume iets zachter.
Nu is het bijna fluisteren.
De muziek mengt zich met de avond.
Hij loopt naar de rand van de tuin.
Daar bij de sloot staat hij stil.
Het water is donkerder nu.
Het weerspiegelt de hemel.
De hemel is roze en grijs en blauw tegelijk.
De buurman kijkt naar het water.
Hij hoort het zachtjes bewegen.
Heel zacht.
Het is een geluid dat je bijna niet hoort, maar wel voelt.
Hij ademt diep in.
De lucht is fris en een beetje vochtig.
Hij ademt uit.
Zijn schouders zakken.
De dag is voorbij.
Het werk is gedaan.
Alles is rustig.
Hij loopt terug over het gras.
Het gras voelt zacht onder zijn schoenen.
Hij kijkt nog een keer naar de appelboom.
De takken tekenen zich af tegen de hemel.
De appels zijn kleine donkere vormen tussen de bladeren.
Morgen zal hij misschien weer harken.
Misschien zal hij wat water geven aan de groenten.
Misschien zal hij gewoon op de tuinbank zitten.
En thee drinken in plaats van koffie.
Maar dat is morgen.
Nu is er alleen dit moment.
Nu is er de tuin.
De stilte.
De zachte lucht.
Een buurvrouw loopt voorbij op straat.
Ze kijkt over de heg en ze ziet de buurman.
Ze wuift.
De buurman wuift terug en hij glimlacht.
Ze zegt iets over het mooie weer.
De buurman knikt.
Hij zegt dat de appelboom bijna klaar is.
De buurvrouw lacht en zegt dat ze uitkijkt naar de appels.
De buurman zegt dat hij een mand zou brengen.
Ze wuiven nog een keer.
En dan loopt de buurvrouw verder.
De straat wordt stil.
De buurman blijft nog even staan.
Hij voelt zich verbonden met de wereld.
Met de buren, met de tuin.
Met alles.
Hij pakt de radio van de tafel.
Hij draagt hem naar binnen.
De muziek stopt.
De tuin wordt stiller.
Nu zijn er alleen de geluiden van de avond.
Een vogel die nog even zingt.
De bladeren die bewegen.
Ergens in de verte een auto.
Maar deze geluiden zijn ver weg.
Ze storen niet.
Ze maken de stilte alleen maar groter.
De buurman komt weer naar buiten.
Hij heeft een klein kopje in zijn hand.
Het is thee nu.
Geen koffie.
De thee is licht en geurig.
Hij ruikt naar kruiden.
Hij gaat weer op de tuinbank zitten.
Hij drinkt langzaam.
De thee is warm en troostend.
De lucht wordt donkerder.
De eerste sterren worden zichtbaar.
De buurman kijkt omhoog.
Hij ziet een ster en dan nog een.
Het is helder vanavond.
De maan komt langzaam op.
Groot en rond.
Het licht van de maan valt op de tuin.
De appelboom krijgt een zilverige gloed.
De bladeren glansen zacht.
De buurman drinkt zijn thee en kijkt.
Hij voelt zich klein en groot tegelijk.
De wereld is zo groot en hij is slechts één persoon in één tuin.
Maar deze tuin is zijn wereld.
En hier voelt hij zich thuis.
Hij denkt aan de appels.
Hij stelt zich voor hoe ze rijp worden.
Hoe de groene kleur verandert in rood.
Hoe de appels zwaarder worden en de takken buigen.
Hij stelt zich voor.
Hoe hij een ladder pakt en de appels plukt.
Hoe hij ze in een mand legt.
Hoe de mand vol wordt.
Hoe hij de appels naar binnen draagt.
Hoe de keuken ruikt naar appels.
Deze gedachten maken hem rustig.
Ze geven hem iets om naar uit te kijken.
Maar er is geen haast.
De appels nemen hun tijd.
De buurman neemt zijn tijd.
De kippen zijn stil in het kippenhok.
Ze slapen.
De buurman denkt aan ze.
Morgenochtend zullen ze weer naar buiten komen.
Ze zullen weer scharrelen.
Ze zullen weer kakelen.
Het leven gaat door.
Dag na dag.
Rustig en voorspelbaar.
Dat geeft hem rust.
Hij weet wat komt.
Hij kent het ritme van de tuin, van de seizoenen, van de dieren.
Dit ritme is als een lied dat altijd doorgaat.
Hij drinkt de laatste slok thee.
Het kopje is leeg.
Hij zet het op de tafel.
Hij blijft nog even zitten.
De tuinbank kraakt een beetje als hij beweegt.
Het is een vertrouwd geluid.
De tuinbank staat hier al jaren.
Hij heeft er duizenden avonden op gezeten.
Hij heeft de tuin zien veranderen.
Hij heeft bomen zien groeien.
Hij heeft bloemen zien komen en gaan.
Hij heeft seizoenen zien wisselen.
En toch blijft alles hetzelfde.
De tuin is er.
De appelboom is er.
Het werk is er.
De rust is er.
Hij staat op.
Hij pakt het kopje en brengt het naar binnen.
De keuken is warm en verlicht.
Hij zet het kopje in de gootsteen.
Hij kijkt door het raam naar de tuin.
Van binnen ziet de tuin er anders uit.
Verder weg.
Maar nog steeds mooi.
De appelboom staat daar.
Groot en donker tegen de nachtelijke hemel.
De maan schijnt erop.
De buurman glimlacht.
Hij doet het licht in de keuken uit.
Hij loopt naar de deur.
Hij kijkt nog een laatste keer naar buiten.
Alles is goed.
Alles is zoals het hoort.
Hij sluit de deur zachtjes.
Tuin blijft achter.
Stil en vredig.
Appelboom staat daar.
Takken bewegen in de wind.
De appels hangen en groeien.
Gras ligt zacht.
De sloot glanst in het maanlicht.
Kruiwagen staat bij de schuur.
De hark en de schoffel hangen aan de muur.
Het kippenhok is gesloten en de kippen slapen.
Alles heeft zijn plek.
Alles is compleet.
Jij, je ademt langzaam.
Je ogen worden zwaar.
Je denkt aan de tuin.
Je denkt aan de stilte.
En het licht, de rust.
De beelden worden zachter.
Je lichaam wordt zwaar.
Je ligt stil.
De wereld om je heen vervaagt.
Er is alleen nog de ademhaling.
In en uit, langzaam en rustig.
Tuin bestaat nog steeds.
Ergens in de nacht.
De appelboom groeit.
Kippen slapen.
De buurman rust.
En jij mag ook rusten.
Takken bewegen zacht.
Blad valt.
Gras neemt het op.
De sloot fluistert.
Maan schijnt.
Alles is stil.
Alles is goed.
Je ogen zijn gesloten.
Je ademhaling wordt langzamer.
Je lichaam zinkt weg.
Er is niets wat je hoeft te doen.
Niets wat je hoeft te denken.
Er is alleen deze rust.
Deze stilte.
Deze zachte duisternis.
Je mag loslaten.
Je mag zinken.
Mag slapen.
Welterusten.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze