Vind mijn niveau
Inloggen
Play me!
Alle podcasts

Een thuiskomst na lang weg

Je staat voor de deur.

De sleutel ligt koel in je hand.

Maanden ben je weg geweest, maar nu ben je er weer.

Je adem wordt langzaam, rustig.

De sleutel glijdt in het slot.

Je hoort het geluid van het metaal, het bekende klikje.

De deur gaat open.

Een geur komt naar buiten, de geur van thuis.

Je stapt over de mat, de post ligt daar in een klein stapeltje.

Je laat de sleutel in het slot even hangen, dan trek je hem eruit en sluit je de deur zacht achter je.

De hal is stil.

Je jas hangt nog aan de kapstok, precies zoals je hem hebt achtergelaten.

Alles wacht op je.

Je ademt diep in, en de lucht voelt warm en vertrouwd.

De dag wordt langzaam avond.

Je bent thuisgekomen.

De hal ruikt naar hout en naar een beetje stof.

Je zet je tas neer, naast de mat.

De post op de mat is niet veel, een paar enveloppen, een kaart.

Je bukt en pakt de post op, je bladert er even doorheen.

Niets dringends.

Je legt de post op het kleine tafeltje bij de muur.

Daar staat ook een tafellamp, een oude lamp met een zachte kap.

Je drukt op het knopje en het licht gaat aan, warm en geel.

De hal wordt verlicht, en je ziet de kapstok, je jas die daar hangs, een sjaal die over de haak hangt.

Je herkennt alles.

Elk ding heeft zijn plek.

Je doet je schoenen uit en zet ze netjes naast de deur.

Je voeten voelen de koele vloer.

Je loopt langzaam door de hal, je hand glijdt over de muur.

Alles is zoals het was.

Je stapt de woonkamer binnen.

De gordijnen zijn dicht, maar een beetje licht van de straat komt erdoorheen.

Je ziet de vorm van de bank, de kussens die erop liggen.

Je loopt naar het raam en schuift de gordijnen open, heel langzaam.

Buiten is de straat rustig, een lantaarn brandt, de bomen staan stil.

Je kijkt even naar buiten, dan laat je de gordijnen half open en draai je je om.

De kamer voelt koel aan, maar niet koud.

Je loopt naar de bank en strijkt met je hand over de kussens.

Ze zijn zacht, een beetje koel.

Je gaat zitten, heel langzaam, en je laat je lichaam zakken in de bank.

Je zucht, een lange, stille zucht.

Je ogen gaan even dicht.

Je hart klopt rustig, kalm.

Je bent hier.

Je bent thuis.

Je opent je ogen weer en kijkt om je heen.

Op de tafel ligt een boek, opengeslagen op de pagina waar je gebleven was.

Je herinnert je dat je dat boek las voor je vertrok.

Je pakt het op en sluit het, je legt het netjes opzij.

Naast het boek ligt een oude foto, een foto in een lijstje.

Je pakt de foto op en kijkt ernaar.

Het is een foto van een zomer, lang geleden.

Je herkennt de gezichten, de glimlach, de zon op de achtergrond.

Je zet de foto terug en je glimlacht een beetje.

De tafellamp op het tafeltje naast de bank geeft genoeg licht.

Je blijft even zitten, je ademt rustig, in en uit.

De kamer ademt met je mee.

Na een tijdje sta je op.

Je voeten zijn nog steeds bloot, maar je wilt iets warms aan.

Je loopt naar de gang, waar een kast staat.

Je opent de kast en ziet je kleren hangen, netjes op een rij.

Je pakt een trui, een dikke zachte trui die je al jaren hebt.

Je trekt de trui aan over je hoofd, en meteen voel je de warmte.

De trui ruikt een beetje naar wasmiddel, naar schoon.

Je sluit de kast en loopt terug naar de woonkamer.

Je voeten voelen de vloer, glad en koel.

Je herinnert je dat je pantoffels ergens staan.

Je kijkt rond en ziet ze bij de bank, half onder de salontafel.

Je pakt de pantoffels en schuift je voeten erin.

Nu voel je je compleet, warm en comfortabel.

Je loopt naar de keuken.

De deur staat op een kier, en je duwt hem verder open.

De keuken is klein en stil.

Het fornuis staat tegen de muur, de pannen hangen aan een rek.

Je loopt naar het fornuis en legt je hand erop, het metaal is koud.

Je herinnert je hoe je hier altijd kookte, hoe de geuren door het huis trokken.

Je opent de koelkast, het licht gaat aan.

Er staat niet veel in, een pak melk, een paar eieren, wat groente.

Je sluit de koelkast weer.

Dan herinner je je dat je soep had gemaakt, voor je vertrok.

Je had een grote pan soep gekookt en die ingevroren in porties.

Je opent de vriezer en ziet de bakjes staan, netjes gelabeld.

Je pakt een bakje soep eruit en voelt het koude plastic.

Je zet het bakje op het aanrecht om te ontdooien.

Terwijl het bakje daar staat, loop je terug naar de woonkamer.

Je gaat weer op de bank zitten, tussen de kussens.

Je pakt een kussen en legt het achter je rug.

Je leunt achterover en sluit je ogen even.

Je hoort de stilte van het huis.

Het is een goede stilte, een stille die ademt en wacht.

Je hart klopt rustig, een zachte ritme.

Je denkt aan de reis die je hebt gemaakt, de plaatsen die je hebt gezien, de mensen die je hebt ontmoet.

Maar nu ben je hier, in je eigen huis, en dat voelt goed.

Je zucht nog eens, zacht en tevreden.

Je blijft een tijdje zo zitten.

Dan open je je ogen en sta je op.

Je loopt terug naar de keuken.

Het bakje soep is nu een beetje zachter, je kunt het openmaken.

Je doet het bakje in een pan en zet de pan op het fornuis.

Je draait het vuur aan, laag en rustig.

De soep begint langzaam te smelten en te verwarmen.

Je pakt een houten lepel en roert zachtjes.

De geur van de soep komt omhoog, een warme geur van groente en kruiden.

Je herinnert je de dag dat je deze soep kookte, hoe je de groente sneed, hoe je de kruiden toevoegde.

De soep kloopt zachtjes in de pan, kleine belletjes die opkomen en barsten.

Je blijft bij het fornuis staan, de lepel in je hand.

Je roert af en toe, langzaam en zonder haast.

De keuken wordt warmer.

Je kijkt door het raam boven de gootsteen naar buiten.

Het is donker nu, de nacht is gevallen.

Je ziet je eigen reflectie in het glas, vaag en stil.

Je glimlacht een beetje naar jezelf.

De soep wordt steeds warmer, de geur wordt sterker.

Je proeft een klein beetje, het is precies goed.

Je draait het vuur uit en pakt een kom uit de kast.

Je schept de soep in de kom, de stoom komt eraf.

Je pakt een lepel en een stuk brood uit de broodtrommel.

Je loopt terug naar de woonkamer met de kom in je handen.

Je zet de kom op de salontafel en gaat op de bank zitten.

Je blaast zachtjes op de soep om hem te laten afkoelen.

De kussens steunen je rug, de pantoffels houden je voeten warm.

Je neemt een lepel soep en proeft.

Het is warm en troostrijk, het smaakt naar thuis.

Je eet langzaam, lepel voor lepel, en tussen de happen door neem je kleine stukjes brood.

De trui houdt je warm, het licht van de tafellamp is zacht.

Alles is rustig.

Je hart klopt kalm, je adem gaat langzaam.

Je eet de soep helemaal op, tot de laatste druppel.

Als de kom leeg is, zet je hem terug op de tafel.

Je leunt achterover en sluit je ogen.

Je voelt de warmte van de soep in je lichaam, een zachte warmte die zich verspreidt.

Je handen liggen op je schoot, je voeten in de pantoffels rusten op de grond.

Je ademt in en uit, heel rustig.

De kamer is stil, alleen het zachte tikken van de klok aan de muur.

Je hoort het huis ademen, de kleine geluiden van hout dat uitzet en krimpt, van de verwarming die zachtjes brandt.

Je opent je ogen weer na een tijdje.

Je staat op en pakt de kom van de tafel.

Je loopt terug naar de keuken en zet de kom in de gootsteen.

Je laat een beetje water over de kom lopen, maar je wast hem nog niet.

Dat kan later.

Je kijkt nog een keer rond in de keuken.

Het fornuis is nu koel, de pan staat ernaast.

Je legt je hand op de pan, hij is nog een beetje warm.

Je glimlacht.

Je doet het licht in de keuken uit en loopt terug door de hal.

In de hal zie je de post weer liggen op het tafeltje.

Je pakt de enveloppen en de kaart en neemt ze mee naar de woonkamer.

Je gaat weer op de bank zitten en bladert door de post.

Een rekening, een folder, een kaart van een vriend.

Je leest de kaart, een paar regels over een vakantie, over het weer, over het leven.

Je legt de kaart opzij, naast de oude foto.

Je legt de rest van de post ook neer.

Het kan allemaal wachten.

Nu is er alleen deze avond, dit moment, dit thuiskomen.

Je leunt achterover en kijkt naar het plafond.

Je ziet de schaduwen die de tafellamp maakt, zachte vormen die bewegen als je je hoofd beweegt.

Je kijkt naar de kapstok in de hal, die je nog steeds kunt zien vanuit de bank.

Je jas hangt daar, de sjaal ernaast.

Je denkt aan alle keren dat je je jas hebt aangetrokken bij die kapstok, alle keren dat je de sleutel in het slot hebt gestoken, alle keren dat je bent weggegaan en teruggekomen.

Elke keer dat je thuiskwam, voelde het goed.

En nu, na maanden weg, voelt het nog beter.

Je sluit je ogen weer.

Je hoort een geluid buiten, misschien een auto die langsrijdt, misschien de wind in de bomen.

Maar binnen is alles stil.

Je adem wordt dieper, langzamer.

Je voelt je lichaam zwaar worden op de bank, de kussens die je vasthouden, de trui die je warm houdt.

Je denkt aan je bed boven, het dekbed dat daar ligt, zacht en uitnodigend.

Maar nog even blijf je hier zitten, in de woonkamer, in het zachte licht van de tafellamp.

Na een tijdje open je je ogen en sta je op.

Je rekt je uit, langzaam, je armen boven je hoofd.

Je zucht nog eens, een tevreden zucht.

Je loopt naar de trap en legt je hand op de leuning.

Je neemt de eerste tree, dan de tweede.

De trap kraakt zachtjes onder je voeten, een bekend geluid.

Je loopt langzaam naar boven, tree na tree.

Boven is het donker, maar je kent de weg.

Je doet het licht op de overloop aan, een klein lichtje dat net genoeg schijnt.

Je loopt naar je slaapkamer.

De deur staat op een kier, je duwt hem open.

De kamer ruikt fris, een beetje naar lavendel.

Het bed staat tegen de muur, het dekbed ligt netjes opgevouwen.

Je loopt naar het bed en strijkt met je hand over het dekbed.

Het is zacht, dik, warm.

Je vouwt het dekbed open en ziet de lakens, schoon en glad.

Je trekt je trui uit en legt hem over een stoel.

Je trekt je andere kleren uit en pakt een pyjama uit de kast.

De pyjama is zacht en comfortabel, je trekt hem aan en voelt meteen de warmte.

Je gaat op de rand van het bed zitten.

De pantoffels doe je uit en je voeten voelen het zachte tapijt.

Je kijkt rond in de kamer.

Op de vensterbank staat een plant, de bladeren zijn groen en gezond.

Iemand heeft erop gelet terwijl je weg was, of misschien is de plant gewoon sterk.

Je glimlacht.

Op de ladekast staat weer een oude foto, een andere dan beneden.

Je herkent ook deze foto, het is een foto van dit huis, genomen toen je net hier woonde.

Het huis zag er toen nieuw uit, fris, vol beloftes.

Nu is het oud en vertrouwd, maar nog steeds goed.

Je staat op en loopt naar het raam.

Je schuift het gordijn een beetje opzij en kijkt naar buiten.

De straat is stil, de huizen hebben hun lichten uit, alleen hier en daar brandt er nog een lamp.

De lantaarns geven een zacht licht op de stoep.

Je ziet de bomen, de schaduwen, de stilte.

Je laat het gordijn los en draait je om.

Je loopt terug naar het bed en trekt het dekbed naar beneden.

Je gaat liggen, langzaam, en trekt het dekbed over je heen.

Het dekbed is zwaar en warm, het bedekt je helemaal.

Je ligt op je rug en kijkt naar het plafond.

Je adem gaat rustig, in en uit.

Je hart klopt zacht, regelmatig.

Je voelt je lichaam zwaar worden, je spieren die loslaten, je gedachten die langzamer worden.

Je denkt aan de dag, aan de sleutel in het slot, aan de hal, aan de soep op het fornuis, aan de post op de mat.

Je denkt aan de kussens op de bank, aan de tafellamp, aan de pantoffels aan je voeten.

Je denkt aan de trui die je droeg, aan de oude foto die je zag, aan het thuiskomen.

Je ademt diep in, en dan weer uit.

Je sluit je ogen.

De kamer wordt stiller, de geluiden worden zachter.

Je hoort je eigen adem, je eigen hartslag.

Je voelt het dekbed, warm en zwaar.

Je voelt het kussen onder je hoofd, zacht en ondersteunend.

Je voelt jezelf wegzakken, langzaam, heel langzaam.

Je bent thuis.

Je bent veilig.

Je bent waar je hoort te zijn.

Je adem wordt nog langzamer, nog dieper.

Elke uitademing brengt je verder naar de rust, naar de stilte, naar de slaap.

Je lichaam is zwaar, je gedachten zijn ver weg.

Je hoort niets meer, je voelt alleen maar de warmte, de zachtheid, de vrede.

Het huis ademt met je mee, het huis houdt je vast.

Elke kamer, elk voorwerp, elke geur, alles herinnert je eraan dat je thuisgekomen bent.

Je zucht nog één keer, heel zacht.

Je hart klopt rustig, een laatste keer dat je het bewust hoort.

Dan laat je los.

Je laat de dag los, je laat de reis los, je laat alles los.

Je zakt weg in het bed, in het dekbed, in de nacht.

De sleutel ligt beneden op het tafeltje.

De jas hangt aan de kapstok.

De post ligt naast de oude foto.

De tafellamp brandt nog, maar dat geeft niet.

Het huis waakt over je.

Je bent thuis, en je slaapt.

De nacht is stil en zacht.

Buiten bewegen de bomen zachtjes, binnen is alles roerloos.

Je adem is nauwelijks te horen, je lichaam is ontspannen en zwaar.

Het dekbed houdt je warm, de kussens steunen je.

De trui ligt op de stoel, de pantoffels staan naast het bed.

Alles is op zijn plek.

Alles is goed.

En zo lig je daar, in je eigen bed, in je eigen huis, na maanden weg.

De reis is voorbij, het avontuur is afgelopen.

Nu is er alleen nog de rust, de stilte, het thuiskomen.

Je ademt, langzaam en diep.

Je hart klopt, zacht en regelmatig.

En je slaapt, eindelijk, helemaal thuis.

Welterusten.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze