Vind mijn niveau
Inloggen
Play me!
Alle podcasts

Een dageraad boven het IJsselmeer

Je ligt stil en je aadem is zacht.

De nacht wordt langzaam lichter, ergens ver weg op het water, begint de dageraad.

Het IJsselmeer wacht rustig onder een roze hemel.

Een zeilboot ligt stil aan de kade in Enkhuizen.

Het dek is nat van de nacht, het touw hangt zacht langs de mast, alles is stil.

De lucht is koel en schoon, je voelt hoe je adem langzaam in en uit gaat.

De wereld ontwaakt, heel zacht, zonder haast.

Er is alleen het water, de boot en het eerste licht.

Je mag hier blijven.

Stil, terwijl de dageraad komt.

Je ogen mogen zwaar worden, je adem mag diep en traag worden.

Het IJsselmeer ademt met je mee.

De zeilboot ligt aan de kade, het is nog bijna donker.

De mast staat hoog en stil tegen de lucht.

Het touw beweegt nauwelijks.

Ergens klinkt het zachte geluid van water dat tegen de kade klotst.

Het dek is glad en koud onder je voeten.

Je staat daar, of je zit, het maakt niet uit.

De haven is stil en een enkele lantaarn brandt nog.

Een zachtgeel licht.

De lantaarn weerkaatst in het donkere water.

De lucht boven het IJsselmeer begint te kleuren.

Heel langzaam, heel zacht.

Eerst is het grijs.

Dan komt er een streep roze.

De roze streep wordt breder.

Het licht strekt zich uit over het water.

Je adem gaat langzaam.

In, uit.

Het water ademt ook.

Er ligt een thermosfles op het dek.

De thermosfles is oud en groen.

Je draait de dop eraf.

Er komt stoom uit.

De thee ruikt naar kruiden en warmte.

Je schenkt thee in een klein kopje.

De thee is heet.

Je houdt het kopje in je handen.

De warmte verspreidt zich door je vingers.

Je neemt een slok.

De thee is zacht en zoet.

Naast de thermosfles ligt een koek.

De koek is droog en bruin.

Je neemt een klein stukje.

De smaak is simpel en goed.

Je kauwt langzaam.

De haven is nog steeds stil.

Alleen het water beweegt een beetje.

De dageraad kleurt de lucht nu sterker.

Roze wordt lichter.

Oranje glimt aan de rand van de horizon.

Het IJsselmeer wacht.

De mast van de zeilboot staat recht.

Het touw hangt langs de mast in zachte lussen.

Het touw is dik en ruw.

Je raakt het aan.

Het voelt koud en stevig aan.

De boot wiegt heel zacht heen en weer.

Het dek kraakt een beetje.

Het geluid is zacht en vertrouwd.

Ergens in de haven klinkt het geluid van een andere boot.

Iemand loopt over de kade.

De voetstappen zijn traag.

Dan is het weer stil.

De lucht kleurt verder.

Nu is er oranje en roze.

En een heel licht geel.

De kleuren strekken zich uit als vingers over het water.

Het IJsselmeer wordt langzaam zichtbaar.

Je ziet het water, vlak en stil tot ver weg.

Je adem volgt het ritme van de boot.

In, uit, zacht wiegen.

Er komt een visser aan.

Hij loopt langzaam over de kade.

Zijn laarzen maken een zacht geluid op de stenen.

De visser draagt een net over zijn schouder.

Het net is zwaar en oud.

Hij legt het net neer bij zijn boot.

De boot van de visser is klein en grijs.

De boot ligt naast de zeilboot.

De visser kijkt naar de lucht.

Hij knikt langzaam.

De dageraad is goed, denkt hij misschien.

Hij stapt in zijn boot.

De boot wiegt.

Het water klotst zacht.

De visser maakt zijn touw los van de kade.

Hij pakt de riemen.

Hij begint te roeien.

Langzaam.

Heel langzaam.

De boot van de visser glijdt weg van de kade.

Het water opent zich zacht.

De roeispanen maken kleine kringen in het water.

De kringen worden groter en verdwijnen dan.

De visser roeit verder.

Hij wordt kleiner.

De haven wordt stiller.

Je zit op het dek van de zeilboot.

De thermosfles staat naast je.

Er is nog thee.

Je schenkt nog een kopje in.

De stoom stijgt op in de koele lucht.

Je drinkt langzaam.

De warmte gaat door je keel naar je borst.

Het voelt goed.

De koek ligt er nog.

Je pakt nog een stukje.

Je eet heel langzaam.

De smaak vult je mond.

Alles is kalm.

De dageraad is nu helderder.

De zon is er nog niet, maar het licht is er wel.

Het licht is zacht en roze en goud.

De lucht kleurt het IJsselmeer.

Het water is niet meer donker.

Nu is het zilver en roze.

De mast werpt een lange schaduw over het dek.

Het touw hangt stil.

Er is geen wind.

Alles wacht.

Een meeuw landt op de kade.

De meeuw is wit en grijs.

Hij kijkt rond met kleine scherpe ogen.

Hij loopt een paar stappen.

Zijn poten zijn dun en oranje.

De meeuw maakt een zacht geluid.

Niet hard.

Alleen een klein piepje.

Dan vliegt hij op.

Zijn vleugels slaan langzaam.

Hij vliegt over het water.

Een andere meeuw volgt.

Ze vliegen laag over het IJsselmeer.

De meeuwen zijn stil nu.

Ze drijven op de lucht.

Het licht van de dageraad kleurt hun witte veren roze.

Ze zijn mooi.

Ze verdwijnen langzaam in de verte.

Het water is weer stil.

De haven ontwaakt heel langzaam.

Een andere visser komt naar zijn boot.

Hij draagt ook een net.

Het net hangt over zijn arm.

Hij fluit zachtjes.

De melodie is simpel en oud.

Hij legt het net in zijn boot.

Hij controleert het touw.

Het touw is stevig.

Hij stapt in zijn boot.

En maakt het touw los.

Hij begint te roeien.

De boot glijdt weg.

Het geluid van de riemen is ritmisch en zacht.

Plons,

plons, plons.

Het water neemt de boot op.

De visser roeit naar het midden van het IJsselmeer.

Daar wacht de vis.

Daar wacht zijn werk.

Maar nu is het nog stil.

Nu is het alleen roeien en ademen.

En het water.

Je staat op en loopt langzaam over het dek.

Het dek is nat, maar niet glad.

Je voeten voelen het hout.

De boot wiegt een beetje onder je gewicht.

Je legt je hand op de mast.

De mast is koud en hard.

Het hout is oud en glad.

Je kijkt omhoog.

De mast reikt hoog de lucht in.

Boven hangt het touw.

Het touw zwaait heel zacht.

De lucht wordt steeds lichter.

De dageraad is bijna voorbij.

Straks komt de zon.

Maar nu is het nog dit moment.

Dit zachte roze licht.

Deze stilte.

Je adem is diep en traag.

Je voelt hoe je lichaam rust.

Je schouders zakken.

Je nek is zacht.

Alles mag zwaar zijn.

De lantaarn op de kade gaat uit.

Het is licht genoeg nu.

De lantaarn is niet meer nodig.

De haven ligt voor je in het zachte licht.

Je ziet andere zeilboten.

Ze liggen stil aan de kade.

Hun masten staan als bomen in een bos.

Overal hangen touwen.

De touwen zijn stil.

Sommige boten hebben dekken van hout.

Andere van wit plastic.

Alles glimt een beetje van de nachtelijke vochtigheid.

De kade is leeg.

Er loopt niemand.

Alleen verderop bij de vissersboten is er beweging.

Maar hier, bij de zeilboten, is het stil.

De dageraad kleurt alles zacht.

Roze, goud, zilver.

Het IJsselmeer ademt.

Je gaat weer zitten op het dek.

Je leunt tegen de mast.

Het hout van de mast is stevig in je rug.

Je benen strekken zich uit.

Je voeten rusten.

De thermosfles staat naast je.

Er is nog een beetje thee.

Je schenkt het laatste kopje in.

De thee is nu minder heet, maar nog steeds warm.

Je drinkt langzaam.

Slok voor slok.

De smaak is vertrouwd.

Je eet de laatste koek.

Je kauwt zacht.

Je slikt.

Het is genoeg.

Je hebt genoeg.

De boot wiegt.

Het water klotst.

De dageraad vult de lucht.

Alles is zoals het moet zijn.

Een vissersboot vaart uit.

De boot is groter dan de roeibootjes.

De motor maakt een zacht gebrom.

Het geluid draagt over het water.

De boot vaart langzaam langs de kade.

De visser staat aan het roer.

Hij kijkt voor zich uit.

Naast hem ligt een groot net.

Het net is opgerold en klaar.

De boot vaart verder.

Het water opent zich.

De boot laat een spoor achter.

Een lijn van wit schuim.

Het schuim verdwijnt langzaam.

De boot wordt kleiner.

Het gebrom wordt zachter.

Dan is het weer stil.

Alleen het water.

En de lucht.

En het licht.

De dageraad trekt verder.

De zon komt eraan.

Je sluit je ogen.

Het dek voelt stevig onder je.

De mast steunt je rug.

Je adem gaat in en uit.

Heel rustig.

Het geluid van het water is er nog.

Zacht klotsen tegen de zeilboot.

Tegen de kade.

Ergens roept een meeuw.

Het geluid is ver weg en zacht.

Het stoort niet.

Het hoort bij het water.

Het hoort bij de dageraad.

Je voelt de kou van de ochtend op je huid.

Het is geen onaangename kou.

Het is fris en schoon.

Je adem maakt kleine wolkjes in de lucht.

Je opent je ogen weer.

De lucht is nu lichter.

De roze kleur wordt minder.

Nu komt er meer goud.

De zon is er bijna.

Het touw langs de mast beweegt in een zachte wind.

De wind is nieuw.

Hij was er net nog niet.

Nu is hij er.

Heel zacht.

Het touw zwaait.

Het maakt een klein geluid een zacht kraken.

De zeilboot beweegt een beetje meer.

Het water duwt tegen de boot.

De boot duwt terug.

Alles is in balans.

Je voelt het wiegen.

Het is als een wieg.

Langzaam, heen en weer.

Je adem volgt het ritme.

In als de boot naar voren gaat.

Uit als de boot naar achter gaat.

Of andersom, het maakt niet uit.

Je lichaam weet het vanzelf.

Je hoeft nergens aan te denken.

Een andere visser loopt over de kade.

Hij draagt twee netten.

De netten zijn zwaar.

Hij zet ze neer bij zijn boot.

Hij ademt diep.

Het is zwaar werk.

Maar hij doet het langzaam.

Er is geen haast.

De dageraad geeft tijd.

De visser maakt zijn boot los.

Hij stapt erin.

De boot zakt een beetje in het water.

Hij pakt de riemen en begint te roeien.

Langzaam.

Het water draagt hem.

Hij roeit naar het IJsselmeer.

Naar het open water.

Daar wacht het werk.

Maar nu is het nog roeien.

Nu is het nog stilte en licht.

De riemen gaan in en uit het water.

Plons.

Stil.

Plons.

Stil.

Het ritme is kalmerend.

De thermosfles is leeg.

Je draait de dop erop.

Je legt de thermosfles neer op het dek.

De koek is op.

Je veegt de kruimels van je handen.

Je leunt weer tegen de mast.

Je kijkt naar het IJsselmeer.

Het water strekt zich uit.

Groot en stil.

Het water kleurt mee met de lucht.

Roze.

Goud.

Zilver.

Blauw.

Alle kleuren tegelijk.

Het is mooi.

Je hoeft het niet te benoemen.

Je hoeft niets te denken.

Alleen kijken.

Alleen voelen.

Kou op je huid.

Het hout onder je lichaam.

Het wiegen van de boot.

Het ademen van je borst.

Alles is eenvoudig.

Alles is genoeg.

De zon komt boven de horizon.

Eerst is het een klein stukje goud.

Dan wordt het een halve cirkel.

Dan een hele cirkel.

De zon is er.

Het licht verandert.

Het wordt helderder en witter.

De roze kleur van de dageraad verdwijnt langzaam.

Maar het is nog steeds zacht.

Het is ochtendlicht.

Geen middaglicht.

Het IJsselmeer glimt.

Het water weerkaatst de zon.

Het lijkt wel alsof er duizend kleine zonnen op het water liggen.

Je kijkt, maar het doet geen pijn aan je ogen.

Het is zacht genoeg.

Het is mooi genoeg.

Je adem is langzaam.

Je hart is rustig.

De boot wiegt.

De meeuwen komen terug.

Er zijn er nu meer.

Ze vliegen laag over de haven.

Ze landen op de kade.

Ze zoeken naar eten.

Ze pikken tussen de stenen.

Ze maken zachte geluiden.

Kleine piepjes.

Kleine kreten.

Niet luid.

Alleen aanwezig.

Een meeuw landt op het dek van de zeilboot.

Hij kijkt naar je.

Zijn ogen zijn rond en zwart.

Hij kantelt zijn kop.

Je beweegt niet.

De meeuw blijft even staan.

Dan vliegt hij weer op.

Zijn vleugels slaan twee keer.

Hij is weg.

Het dek is weer leeg.

Alleen jij en de mast.

En het touw.

De haven ontwaakt verder.

Er komen meer vissers.

Ze lopen langzaam.

Ze dragen netten, touwen, manden.

Ze praten zacht met elkaar.

De woorden dragen niet over het water.

Alleen het geluid.

Het zachte geroezemoes van stemmen.

Het hoort bij de ochtend.

Het hoort bij de haven.

De boten varen uit.

Eén voor één.

Ze roeien of ze starten hun motor.

Ze varen langzaam langs de kade.

Ze varen het IJsselmeer op.

Het water neemt ze op.

Het water is groot genoeg voor iedereen.

De horizon is ver.

De vissers worden klein.

Dan verdwijnen ze in het licht.

Je staat op van het dek.

Je benen zijn een beetje stijf.

Je strekt je armen.

Je strekt je rug.

Je lichaam ontwaakt een beetje.

Maar het hoeft niet veel.

Je loopt naar de rand van het dek.

Je kijkt naar het water.

Het water is helder.

Je ziet een beetje diepte.

Je ziet de kleur veranderen van licht naar donker.

Het IJsselmeer is niet diep hier bij de kade.

Maar je ziet de bodem niet.

Dat geeft niet.

Het water mag geheimen hebben.

Je legt je hand op het touw dat de boot vasthoudt aan de kade.

Het touw is stevig.

Het touw houdt de boot.

De boot drijft, maar gaat niet weg.

Alles is veilig.

De lantaarn op de kade staat nu uit en verlaten.

Overdag heeft hij geen functie.

Maar je ziet hem staan.

Stil en trouw.

Vanavond gaat hij weer aan.

Vanavond wordt het weer donker.

Maar nu is het licht.

Nu is de dageraad voorbij en de ochtend is begonnen.

De lucht is blauw en wit en goud.

De zon staat nu echt aan de hemel.

Het is geen dageraad meer.

Het is dag, maar de stilte blijft.

De haven is nog rustig.

De zeilboten liggen stil.

De master staat recht.

De touwen hangen.

Alles adent langzaam.

Je gaat weer zitten op het deck.

Je vindt een andere plek, dichter bij de rand.

Je benen hangen over de rand.

Je voeten zweven boven het water.

Het water is dichtbij.

Je hoort het klotse heel goed.

Het water raakt de bot.

Raakt de kade.

Raakt weer de bot.

Het is een gesprek.

Het water praat met het houd.

Het houd luistert.

Jij luistert ook.

Jij adem is een deel van het gesprek.

In, uit, klotse, klotse.

Alles hangt samen.

Alles is verbonden.

De bot, het water, de lucht.

Jouw lichaam.

Er is geen schijding.

Alles is één langzaam wiegen.

Een kleine hoeiboot vaart voorbij.

Er zit een oude man in.

Hij roeit langzaam.

Ze gezicht is rustig.

hij kijkt niet naar je.

Hij kijkt voor zich uit.

Zij riemen gaan in en uit het water.

Het ritme is perfect.

Hij heeft dit duizend keer gedaan.

Zijn bot glijt over het eis om meer.

Hij roeit naar een plek die alleen hij kent.

Misschien een visplaat.

Misschien gewoon een plek om te zijn.

Hij wordt kleiner.

Het geluid van de ruispannen wordt zachter.

Dan is hij weg.

Het water is weer leeg.

Alleen de lucht en het licht.

En de stilte.

Je voelt hoe je ogen zwaar worden.

Het is geen vermoeidheid die vervelend is.

Het is een zachte zwaarte.

Je oogleden willen zakken.

Dat mag.

Je laat ze zakken.

Je ziet de binnenkant van je oogleden.

Donker met lichte vlekjes.

De vlekjes dansen een beetje.

Dat is het licht dat door je oogleden komt.

Het is zacht.

Het is prettig.

Je adem gaat langzaam.

Je voelt het dek onder je.

Je voelt de mast ergens achter je.

Je voelt het wiegen van de zeilboot.

Het IJsselmeer wiegt je.

De dageraad is voorbij, maar de rust blijft.

De rust blijft altijd.

Je mag erin zakken.

Je opent je ogen nog één keer.

Je ziet de haven.

Je ziet de kade.

Je ziet de andere boten.

Met hun masten en touwen.

Je ziet het IJsselmeer.

Groot en stil en glimmend in het licht.

Je ziet een meeuw die langs vliegt.

Je ziet de lucht helder en schoon.

Je ziet alles.

Het is goed.

Je sluit je ogen weer.

Nu blijven ze dicht.

Dat is goed.

Je hoeft niets meer te zien.

Je voelt genoeg.

Je hoort genoeg.

Het water het wiegen.

Je adem.

Dat is alles.

Dat is meer dan genoeg.

De vissersboten zijn nu ver weg.

Hun motoren zijn stil voor jou.

De haven is bijna leeg.

Alleen de zeilboten blijven.

Ze liggen stil aan de kade.

Ze wachten op de wind.

Ze wachten op de middag.

Maar nu is het ochtend.

Nu is het rust.

Het touw hangt langs de mast.

Het dek is stevig.

De thermosfles staat leeg naast je.

De kruimels van de koek zijn weg.

Alles is klaar.

Alles is compleet.

De dageraad heeft zijn werk gedaan.

Het licht is gekomen.

De wereld is ontwakend.

En jij mag slapen.

Jij mag rusten.

Het water draagt je.

De boot draagt je.

Het IJsselmeer ademt met je mee.

Je adem wordt langzamer.

Steeds langzamer.

In en uit.

In en uit.

Het wiegen van de boot volgt mee.

Heen en weer.

Heen en weer.

Alles is een beweging.

Alles is een ritme.

Je lichaam wordt zwaar.

Je armen zijn zwaar.

Je benen zijn zwaar.

Je hoofd is zwaar.

Maar het is een goede zwaarte.

Het is de zwaarte van rust.

Het is de zwaarte van loslaten.

Je mag zwaar zijn.

Je mag zakken.

Het dek vangt je.

Het water vangt de boot.

Alles is veilig.

Alles is goed.

De geluiden worden zachter.

Het klotsen van het water wordt een ver geluid.

De meeuw ergens wordt een droom.

Het wiegen van de boot wordt een herinnering.

Je bent er nog, maar je bent ook weg.

Je zweeft tussen slapen en waken.

Het is een mooie plek.

Een zachte plek.

Hier is niets wat moet.

Hier is alleen zijn.

Hier is alleen adem.

En drijven.

En rusten.

Het IJsselmeer houdt je.

De zeilboot houdt je.

De dageraad heeft je meegenomen naar deze plek.

En hier mag je blijven.

Hier mag je zijn.

Laat je ogen zwaar zijn.

Laat je lichaam zwaar zijn.

Laat alles zakken.

Zacht en langzaam.

Het water wiegt je.

De boot wiegt je.

De ochtend wiegt je.

Je bent veilig op het IJsselmeer.

Je bent veilig in de haven.

Je bent veilig in de stilte.

Adem in.

Adem uit.

En laat alles gaan.

De dageraad is voorbij.

De nacht komt later terug.

Maar nu is er alleen dit moment.

Alleen rust.

Alleen zijn.

Slaap zacht.

Droomzacht.

Het water ademt met je mee.

Welterusten.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze