

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Je staat bij de poort.
De poort is nog dicht.
Achter het hek zie je de paden, de perken, de eerste tulpen in het licht.
De lucht is koel, het is vroeg.
De zon komt net boven de bomen.
Alles is stil.
Je ademt langzaam in, je ademt langzaam uit.
De wereld slaapt nog een beetje.
Jij bent hier, bij de Keukenhof, voor de poort opengaat.
Niemand anders, alleen jij en de bloemen en de dauw.
De dauw ligt op alles, op de stelen, op de bladeren,
op de tulpen.
Kleine druppels water glinsteren in het licht.
Het is alsof de tuin net wakker wordt.
Je hoort bijna niets, misschien een vogel, ver weg, misschien de wind, heel zacht.
Je schouders zakken naar beneden, je nek is ontspannen, je staat hier en je kijkt.
Je hoeft nergens naartoe.
De poort gaat straks open, maar nu is het nog stil.
Nu is het moment om te kijken, om te voelen, om te ruiken.
De bloemen geuren, ook door het hek heen.
Een zoete geur, een frisse geur.
Je sluit je ogen heel even, je ademt diep in, de geur vult je hoofd.
Dan open je je ogen weer en je ziet de kleuren, de rode tulpen, de gele tulpen, de roze
bloemen.
Alles is zacht, de wereld is zacht, de poort gaat open, heel langzaam, geen geluid.
Je stapt door de poort en je bent binnen, het pad ligt voor je, het pad is breed en schoon.
Aan de zijkant staan perken vol bloemen, de perken zijn netjes, de randen zijn recht.
Je loopt langzaam over het pad, je voeten maken een zacht geluid op het grind.
Links zie je een groot perk met tulpen, rode tulpen, honderden rode tulpen, de stelen zijn groen
en sterk.
De bloemen staan rechtop, op elke bloem ligt dauw, de dauw glinstert.
Het lijkt wel alsof de tulpen kleine diamanten dragen.
Je bukt een beetje en je kijkt naar een tulp.
De druppels zitten op de blaadjes van de bloem.
De bloem is gesloten, nog niet helemaal open.
De zon raakt de bloem en de dauw begint langzaam te verdampen.
Je ziet het gebeuren.
De druppel wordt kleiner, kleiner en dan is hij weg.
De bloem blijft achter, rood en helder.
Je loopt verder.
Het pad kronkelt tussen de perken door.
Overal bloemen, gele tulpen, witte tulpen, paarse bloemen die je naam niet kent.
De kleuren zijn helder, maar niet te fel.
De ochtend maakt alles zacht.
Rechts zie je een vijver.
De vijver is klein en rond.
Het water is donker en stil.
Aan de rand van de vijver staan planten met groene bladeren.
Op het water drijven kleine blaadjes.
Er ligt ook dauw op de bladeren bij de vijver.
Alles is nat, alles glanst.
Je loopt naar de vijver toe.
Bij de vijver staat een bank.
De bank is van hout, oud hout, een beetje grijs.
Je gaat zitten op de bank.
Het hout is koud, maar niet onprettig.
Je zit daar en je kijkt naar het water.
Het water beweegt nauwelijks.
Heel soms zie je een rimpeling.
Misschien een vis, misschien de wind.
Aan de overkant van de vijver staat een perk met witte bloemen.
De bloemen knikken heel zacht in de wind.
Ze knikken naar het water, ze knikken naar jou.
Je kijkt naar de bloemen en je voelt hoe je ademhaling rustiger wordt.
In, uit. In, uit. De bloemen geuren ook hier.
De geur komt over het water naar je toe.
Het ruikt fris, het ruikt groen, het ruikt naar lente.
Je sluit je ogen, je hoort het water.
Heel zacht.
Je hoort de bladeren, heel zacht.
Je hoort niets anders.
De stad is ver weg.
De wereld is ver weg.
Hier is alleen de vijver.
De bank, de bloemen, de dauw.
Je opent je ogen en je staat op van de bank.
Je loopt verder over het pad.
Het pad maakt een bocht.
Achter de bocht zie je een brug.
De brug is klein en van hout.
De brug gaat over een smal stuk water, dat van de vijver komt.
Je loopt naar de brug.
Op de brug blijf je even staan.
Je leunt op de railing.
De railing is nat van de dauw.
Je handen worden nat, maar het voelt prettig aan.
Onder de brug stroomt het water heel langzaam.
Je kunt de bodem zien, de stenen, de planten onder water.
Het water is helder.
Naast de brug staat een perk met oranje tulpen, oranje, fel oranje.
Als een zonsondergang, de tulpen zijn groot.
Elke bloem heeft vele blaadjes.
De stelen zijn dik en sterk.
Aan de steel zit hier en daar een groen blad.
De bladeren zijn lang en smal.
Ook op de bladeren ligt dauw.
Je kijkt naar de oranje tulpen en je voelt warmte.
Ook al is de lucht koel.
De kleur geeft warmte.
De bloemen geven warmte.
Je blijft staan op de brug.
Je ademt.
De lucht vult je longen, langzaam.
Je laat de lucht weer gaan, langzaam.
Alles gaat langzaam hier.
Er is geen haast.
De zon klimt hoger, maar de wereld blijft stil.
Na de brug kom je in een ander deel van de tuin.
Hier zijn de perken groter.
Grote perken met alleen maar tulpen.
In een perk staan duizend roze tulpen.
In een ander perk staan gele tulpen en rode tulpen door elkaar.
De kleuren mengen.
De kleuren dansen zacht in de wind.
Het pad loopt tussen de perken door.
Je loopt langzaam.
Je kijkt naar links, naar rechts, naar de bloemen.
Elke bloem is anders.
Elke tulp heeft een andere vorm, een andere kleur.
Een andere manier van staan.
Sommige tulpen zijn al open.
De blaadjes wijd uit elkaar.
Andere tulpen zijn nog gesloten.
De blaadjes tegen elkaar.
Alsof ze slapen.
De dauw ligt overal op geopende bloemen, op gesloten bloemen, op de stelen, op de bladeren.
De tuin glinstert.
Het is alsof de tuin van glas is gemaakt.
Je loopt en je kijkt.
En je adem wordt deel van de wind.
In de verte zie je iemand.
Een hovenier.
De hovenier loopt langzaam door een perk.
Hij heeft een hark in z'n hand.
De hark is groot, van metaal en hout.
De hovenier harkt het pad tussen de tulpen.
Hij maakt zachte bewegingen, langzame bewegingen.
Hij haalt blaadjes weg, kleine takjes.
Dingen die niet bij de bloemen horen.
De hovenier zegt niks.
Hij werkt stil.
Hij kijkt naar de grond.
Hij kijkt naar de bloemen.
Soms bukt hij en hij raakt een tulp aan.
Heel voorzichtig.
Misschien kijkt hij of de bloem gezond is.
Misschien kust hij de bloem.
Zachtjes.
Met zijn vingers.
Dan gaat hij verder met de hark.
Het geluid van de hark is zacht.
Een zacht schrapen over het grind.
Het is een prettig geluid.
Een rustgevend geluid.
De hovenier is ver weg.
Hij ziet jou niet.
Of misschien ziet hij jou wel, maar hij zegt niks.
Hij laat je met rust.
Hij laat je kijken.
Hij laat je ademen.
Jij en de hovenier.
Jullie delen de tuin, maar jullie storen elkaar niet.
Alles is ruimte.
Alles is stilte.
Je loopt naar een ander pad.
Dit pad is smaller.
Aan beide kanten staan hoge perken met bloemen.
Niet alleen tulpen nu.
Ook andere bloemen, met namen die je niet kent.
Blauwe bloemen, paarse bloemen.
Witte bloemen met gele harten.
Overal kleuren.
De bloemen geuren sterk hier.
De geur is zoet en een beetje zwaar.
Het lijkt wel parfum.
Je loopt langzaam door dit pad.
Het is alsof je door een tunnel van kleuren loopt.
De bloemen leunen een beetje over het pad.
Hier en daar raakt een blad je been.
Hier en daar raakt een bloem, je hand.
Alles voelt zacht.
Alles voelt levend.
Je hoort de vogels nu.
Meer dan eerst.
De vogels worden wakker.
Ze fluiten.
Ze zingen.
Het geluid is vrolijk, maar niet te hard.
Het past bij de ochtend.
Het past bij de bloemen.
Je blijft staan en je kijkt omhoog.
De lucht is blauwer nu.
Helderder dan eerst.
Er drijven een paar wolken.
Witte wolken.
Langzaam.
De wind blaast ze zacht naar de horizon.
Je kijkt naar de wolken.
En je voelt hoe je gedachten wegdromen.
Je denkt aan niets speciaals.
Je denkt aan de lucht.
aan de bloemen.
aan het licht.
Je droomt weg.
Langzaam.
Zacht.
Het pad komt uit bij een open plek.
Op de open plek staan geen perken.
Er is gras.
Groen gras.
Nog nat van de dauw.
Het gras glinstert.
In het midden van het gras staat een oude boom.
De boom is groot.
De stam is dik.
De takken zijn breed.
onder de boom staat een bank.
Deze bank is anders dan de eerste.
Deze bank is van steen, grijs en glad.
Je loopt naar de bank en je gaat zitten.
De steen is koud maar stevig.
Je zit onder de boom en je kijkt naar het gras.
naar de perken in de verte.
naar de lucht.
Vanaf hier zie je de hele tuin.
of in elk geval een groot deel.
Je ziet de paden, de perken, de kleuren.
Je ziet de vijver links in de verte.
Je ziet de brug.
Je ziet de hovenier nog steeds aan het werk met zijn hark.
Het is allemaal zo vredig.
De wereld voelt compleet.
De wereld voelt goed.
Je sluit je ogen.
De stam van de boom voelt ruw aan tegen je rug.
Het voelt stevig.
Het voelt alsof de boom je ondersteunt.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De geur van de bloemen komt ook hier gedragen door de wind.
De geur mengt met de geur van het gras, met de geur van de boom.
Alles geurt.
Alles ruikt naar leven, naar groei, naar ochtend.
Je opent je ogen en je ziet een ander pad.
Dit pad is smaller dan alle andere paden.
Het loopt langs een hek.
Het hek is laag en van hout.
Achter het hek zie je een bijzonder perk.
Dit perk heeft alleen maar paarse tulpen.
Donkerpaars.
Bijna zwart.
De bloemen zijn groot en indrukwekkend.
De stelen zijn heel recht.
Elke steel is sterk genoeg om de zware bloem te dragen.
De dauw ligt ook hier.
De druppels glinsteren op de donkere blaadjes.
Het contrast is mooi.
Het licht op het donker.
Je loopt langs het hek.
Je hand glijdt over het hout van het hek.
Het hout is oud en glad.
Het voelt warm aan.
Ook al is de lucht nog koel.
Je kijkt naar de paarse tulpen en je voelt iets dieps.
Je voelt rust, maar ook iets anders.
Misschien schoonheid.
Misschien dankbaarheid.
Je weet het niet precies.
Je hoeft het niet te weten.
Je voelt het.
En dat is genoeg.
Verderop zie je een andere hovenier.
Deze hovenier is een vrouw.
Ze knielt naast een perk met gele tulpen.
Ze heeft geen hark.
Ze heeft een klein schepje.
Ze werkt tussen de bloemen.
Voorzichtig.
Ze haalt onkruid weg.
Heel kleine plantjes die er niet horen.
haar bewegingen zijn zacht.
Ze raakt de tulpen niet.
Ze respecteert de bloemen.
Ze raakt alleen de grond.
De aarde.
Tussen de stelen.
Soms pakt ze een blad dat is gevallen.
Ze legt het blad opzij.
Ze werkt langzaam.
Er is geen haast.
Ze kijkt naar elke bloem alsof het een kind is.
Ze zorgt voor de bloemen.
De bloemen knikken in de wind alsof ze dankbaar zijn.
De hovenier kijkt even op.
Ze ziet jou.
Ze glimlacht heel even.
Een klein glimlachje.
Dan kijkt ze weer naar de bloemen.
Je loopt verder.
Je stoort haar niet.
Zij heeft haar werk.
Jij hebt je wandeling.
Alles is goed.
Je komt bij een nieuwe vijver.
Deze vijver is groter dan de eerste.
Het water is nog donkerder.
Aan de rand staan gele bloemen.
Niet tulpen, maar andere bloemen.
Met ronde bladeren.
De bladeren zijn groot en glimmend.
De bloemen geuren naar honing.
Je loopt om de vijver heen.
Het pad om de vijver is smal.
Aan de ene kant het water.
Aan de andere kant een perk met witte en roze tulpen.
De tulpen staan dicht op elkaar.
Het lijkt wel een tapijt van bloemen.
De wind speelt met de bloemen.
De bloemen bewegen.
Zachtjes.
Heen en weer.
Ze knikken naar het water.
Ze knikken naar de lucht.
Je blijft staan.
En je kijkt.
Het water weerspiegelt de lucht.
Het water weerspiegelt de bloemen.
Alles is dubbel.
Alles is een spiegel.
De dauw op de bloemen lijkt op het water in de vijver.
Alles is verbonden.
Alles is รฉรฉn.
Je voelt je deel van de tuin.
Je voelt je deel van de ochtend.
Aan de andere kant van de vijver zie je een kleine brug.
Deze brug is van steen.
Niet van hout.
De brug is oud.
Het steen is verweerd.
Je loopt naar de brug en je steekt over.
Onder de brug stroomt het water heel zacht.
Je hoort het amper.
Het klinkt als een fluistering.
Alsof het water iets vertelt, iets zachts, iets geheims.
Je blijft staan op de brug.
Je leunt op de stenen railing.
De steen voelt koud aan.
Je handen rusten op de steen en je kijkt naar het water.
Er drijven blaadjes op het water.
Groene blaadjes.
Bruine blaadjes.
Ze drijven langzaam.
Heel langzaam.
Ze hebben geen haast.
Ze gaan nergens naartoe.
Ze zijn gewoon.
Net als jij.
Je staat daar en je bent gewoon.
Je ademt en je kijkt, meer hoeft niet.
Na de brug kom je bij een deel van de tuin met bollen.
Niet bloemen, maar bollen in de grond.
Er is een klein perk waar de grond een beetje open is.
Je ziet de bollen.
Bruin en rond.
Half in de aarde.
Uit sommige bollen groeit al een groen puntje.
Het begin van een steel.
Het begin van een bloem.
De bollen liggen stil in de aarde.
Ze wachten.
Ze slapen nog een beetje.
Maar binnenin gebeurt alles.
Binnenin groeit de bloem langzaam.
Zeker.
Je bukt en je kijkt naar een bol.
De bol is stevig.
Vast.
Je raakt hem niet aan.
Je kijkt alleen.
Je voelt respect voor de bol.
Voor de bloem die komt.
Voor het leven dat er is.
Naast het perk met de bollen staat een bordje.
Op het bordje staat welke tulpen hier groeien.
Rode tulpen staat er.
Je kijkt naar de bollen en je probeert je voor te stellen.
Hoe hier over een paar weken rode bloemen staan.
Honderden rode bloemen.
Allemaal uit deze bollen.
Het is een wonder.
Het is stil, heel gewoon en toch een wonder.
Je loopt verder.
Het pad brengt je terug naar het midden van de tuin.
Hier is een groot plein.
Op het plein zijn perken in een patroon.
Ronde perken, vierkante perken.
Perken in de vorm van een ster.
Elk perk heeft een andere kleur tulpen.
Rood, geel, roze, oranje, paars.
Het is een feest van kleuren.
Maar het is geen luid feest.
Het is een stil feest, een vroeg feest.
De zon schijnt nu voller.
De dauw is bijna weg.
Alleen in de schaduw van de bloemen zijn nog druppels.
De druppels glinsteren.
Laatste sporen van de nacht.
Je loopt tussen de perken door.
Het pad slingert.
Je kijkt naar alle kleuren.
Je ogen rusten op elke kleur.
Heel even, geel, kleuren voeden je.
Kleuren maken je stil.
Op het plein staat een bank.
Deze bank is van metaal.
Zwart metaal, met krullen.
Het is een oude bank.
Een mooie bank.
Je gaat zitten.
De bank voelt koud aan.
Maar dat geeft niet.
Je zit en je kijkt naar de perken.
naar de patronen, naar de kleuren.
In de verte zie je de poort waar je binnenkwam.
De poort staat open.
Maar er komt nog niemand.
Het is nog vroeg.
De wereld slaapt nog.
Alleen jij.
Jij en de hoveniers en de bloemen.
Het is genoeg.
Je sluit je ogen.
Je hoort de wind.
Je hoort de vogels.
Je hoort heel ver weg.
Een hark zacht schrapen.
Je hoort je eigen adem.
In en uit.
Alles is zoals het hoort.
Alles is goed.
Je staat op van de bank en je loopt naar een laatste pad.
Dit pad brengt je langs een lang perk met alleen maar roze tulpen.
Lichtroze.
Als een zonsopgang.
De bloemen zijn bijna open.
De blaadjes zijn wijd.
Ze ontvangen het licht.
Ze ontvangen de warmte.
De stelen zijn slank en groen.
De bladeren zijn fris en glanzend.
Aan het einde van het perk staat een boom.
Onder de boom staat een hovenier.
Deze hovenier is een oude man.
Hij heeft een hark in zijn hand, maar hij harkt niet.
Hij kijkt naar de tulpen.
Hij staat daar en hij kijkt.
Misschien denkt hij na.
Misschien droomt hij weg.
Misschien voelt hij gewoon.
De ochtend.
Je loopt langzaam.
Hij knikt naar je.
Heel even.
Je knikt terug.
Geen woorden.
Woorden zijn niet nodig.
Jullie begrijpen elkaar.
Jullie houden van de tuin.
Jullie houden van de stilte.
Jullie houden van de ochtend.
Het pad brengt je terug naar de vijver.
De eerste vijver.
Je herkent de bank.
Je gaat niet zitten.
Je blijft staan.
Je kijkt naar het water.
Het water is nu lichter.
De zon raakt het water.
Het water glinstert.
Aan de overkant staan de witte bloemen.
Nog steeds knikkend.
Je kijkt naar de bloemen en je voelt je lichaam, zwaar en ontspannen.
Je voeten staan stevig op de grond.
Je schouders hangen laag.
Je nek is zacht.
Je ademt diep en langzaam.
De geur van de bloemen vult je.
De bloemen geuren overal om je heen en in je.
Je bent onderdeel van de tuin.
Je bent onderdeel van de ochtend.
Je bent onderdeel van de kleuren.
De tuin in het licht.
Je loopt langzaam terug naar de poort.
Het pad is bekend nu.
Je ziet de perken die je al gezien hebt.
De rode tulpen, de gele tulpen, de paarse bloemen.
Ze zijn er nog.
Ze staan er vredig.
De dauw is bijna helemaal weg nu.
De zon heeft de druppels gekust.
De druppels zijn opgegaan in de lucht, maar de bloemen zijn er nog.
De bloemen blijven.
De stelen, de bladeren, de bloemblaadjes.
Alles is er.
Alles blijft.
Je komt bij de poort.
Je kijkt om.
Je ziet de tuin achter je.
Paden, perken, de vijvers, de bruggen, de hekken, de bloemen.
Alles is stil.
Alles is mooi.
Alles is zoals het hoort.
Je loopt door de poort naar buiten, maar je neemt de tuin mee.
De kleuren, de geuren, de stilte, ze zitten in je.
De rode tulpen, de gele bloemen, het glinsteren van de dauw,
het knikken van de bloemen in de wind.
Het zachte schrapen van de hark van de hovenier,
het koele water van de vijver, de bank onder de boom.
Het hek langs het pad, de brug over het water.
De bol in de aarde, wachtend.
Alles zit in je.
Je draagt het mee, je ademt en je voelt de tuin nog steeds.
De wereld wordt stiller, de kleuren worden zachter.
Het licht wordt warmer, maar ook verder weg.
De bloemen, vervagen, de paden, vervagen.
De vijver wordt een herinnering, de bank wordt een gevoel.
De dauw wordt een droom.
Je ligt nu ergens anders.
Je ligt zacht, je lichaam rust, je hoofd rust op iets zachts.
Je ogen zijn gesloten, je hoeft ze niet te openen.
De tuin is nog steeds bij je.
De kleuren zijn er, achter je oogleden.
De geuren zijn er, in je neus, in je herinnering.
Je ademt langzaam, je longen vullen zich, ze legen zich.
Alles gaat langzaam, alles gaat vanzelf.
De tulpen staan er nog, de bloemen knikken nog, de hovenier harkt nog.
Heel ver weg, maar jij bent hier, jij rust, jij laat los.
Je laat de beelden gaan, je laat de geuren gaan, je laat alles gaan.
Wat blijft is de stilte, de zachtheid, de warmte.
Je adem wordt deel van de wind, je lichaam wordt deel van de aarde.
Je gedachten worden deel van de lucht, alles is goed, alles is zacht, alles is stil.
Laat je ogen zinken, laat je lichaam zinken, laat jezelf zinken, dieper, zachter, stiller.
De ochtend is voorbij, de tuin slaapt, jij slaapt, alles slaapt, welterusten.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze