

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
RICK: Hier is het bier.
EMMA: Lekker.
Is het koud?
RICK: Ja, het is koud.
Het bier is koud.
LARS: Mooi.
Ik heb dorst.
Ik heb veel dorst.
EMMA: Ik ook.
Proost.
Proost, vrienden.
RICK: Proost.
LARS: Het is warm vandaag.
De zon is warm.
EMMA: Ja, de zon is fijn.
De zon is warm en fijn.
RICK: Ik zit hier graag.
Ik zit hier graag op het terras.
LARS: Ik ook.
Het terras is leuk.
Het terras is gezellig.
EMMA: Heb je een dag vrij?
Ben je vrij vandaag?
LARS: Ja, ik ben vrij.
Ik werk niet vandaag.
RICK: Mooi.
Ik werk niet.
Ik ben ook vrij.
EMMA: Wat doe je?
Wat doe je nu?
RICK: Ik eet een broodje.
Een broodje met kaas.
LARS: Lekker.
Ik eet ook.
Ik eet een broodje.
EMMA: Is het goed?
Is het broodje goed?
RICK: Ja, het is goed.
Het broodje is lekker.
LARS: Ik neem een cola.
Een koude cola.
EMMA: Cola?
Geen bier?
Cola en geen bier?
LARS: Nee, ik drink cola.
Cola is lekker.
RICK: Dat is ook lekker.
Cola is zoet.
EMMA: Ja, cola is zoet.
Bier is niet zoet.
LARS: Ik hou van zoet.
Ik hou van zoete dingen.
RICK: Ik hou van bier.
Bier is mijn favoriet.
EMMA: Bier is niet zoet.
Nee, bier is bitter.
RICK: Nee, bier is bitter.
Maar bitter is ook goed.
LARS: Bitter is ook goed.
Bier en cola zijn goed.
EMMA: Ja, ik drink bier.
Ik drink bier vandaag.
RICK: Heb je een biertje?
Heb je een biertje voor mij?
EMMA: Ja, ik heb een biertje.
Hier is een biertje.
LARS: Ik drink cola.
Cola is mijn drankje.
RICK: Dat is prima.
Cola is prima.
EMMA: Zie je die man?
Zie je die man daar?
LARS: Welke man?
Welke man bedoel je?
EMMA: Die man met een hond.
De man en de hond.
RICK: Ja, ik zie hem.
Ik zie de man en de hond.
LARS: De hond is groot.
De hond is heel groot.
EMMA: De hond is bruin.
De hond is bruin en groot.
RICK: Hij loopt rustig.
De hond loopt rustig.
LARS: De man is oud.
De man is oud en rustig.
EMMA: Hij drinkt koffie.
De man drinkt koffie.
RICK: Koffie op het terras.
Koffie is ook fijn.
LARS: Dat is fijn.
Koffie en het terras zijn fijn.
EMMA: Ik drink ook koffie soms.
Soms drink ik koffie.
RICK: Maar nu drink ik bier.
Nu drink ik bier.
LARS: Ik drink cola.
Cola is mijn drankje vandaag.
EMMA: Het is een leuke dag.
De dag is leuk en gezellig.
RICK: Ja, de dag is mooi.
De dag is mooi en warm.
LARS: De zon is warm.
De zon is warm op mijn gezicht.
EMMA: Ik ben blij.
Ik ben blij met jullie.
RICK: Ik ook.
Het is gezellig.
Het is gezellig samen.
LARS: Ja, dat is het.
Samen is gezellig.
EMMA: Heb je nog honger?
Heb je nog honger nu?
RICK: Nee, ik heb geen honger.
Het broodje is genoeg.
LARS: Ik heb wel honger.
Ik heb nog honger.
EMMA: Wil je een patat?
Wil je patat met mayo?
LARS: Ja, graag.
Patat is lekker.
RICK: Ik neem ook patat.
Patat met mayo is goed.
EMMA: Mooi.
Ik bestel.
Ik bestel patat voor ons.
LARS: Met mayo?
Patat met mayo?
RICK: Ja, met mayo.
Mayo is lekker op patat.
EMMA: Ik ook.
Ik neem ook mayo.
LARS: Patat met mayo is lekker.
Het is mijn favoriet.
RICK: Ja, dat is waar.
Patat met mayo is heel lekker.
EMMA: De patat komt zo.
De patat is er snel.
LARS: Mooi.
Ik eet graag.
Ik eet graag patat.
RICK: Eten en drinken is fijn.
Eten en drinken samen is fijn.
LARS: Ja, samen is leuk.
Samen eten en drinken is leuk.
EMMA: Ik ben blij met jullie.
Jullie zijn goede vrienden.
RICK: Ik ook.
Ik ben blij met jullie.
LARS: Ja, wij zijn vrienden.
Wij zijn vrienden en dat is goed.
EMMA: Dat is goed.
Vrienden zijn belangrijk.
RICK: Tot de volgende.
Alle transcripten en meer Nederlandse verhalen op Dutch Fluency.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze