

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Op een heldere donderdagochtend liep ik, Rick, met een stapel kranten onder mijn arm het buurthuis in Moerwijk binnen.
In de gang rook het naar koffie, schoonmaakmiddel en natte jassen, omdat iemand de ramen open had gezet na een drukke kaartavond.
Uit de keuken klonk het tikken van kopjes.
De zon viel door de hoge ramen op de vloer, precies op de plek waar normaal de kinderwagens stonden.
Mijn B2-groep zat al klaar.
Noor had haar fietshelm nog op, Cem draaide een pen tussen zijn vingers, mevrouw Huang legde zorgvuldig haar schrift recht en Milan keek alsof hij liever nog in bed lag.
Dat laatste zei ik niet hardop, want als leraar moet je soms mild zijn, vooral voor mensen die om negen uur al grammatica proberen te begrijpen.
Ik legde de krant op tafel.
'Vandaag lezen we over een Chinese raket met drie mensen aan boord,' zei ik.
'Het toestel is vannacht vertrokken naar een ruimtestation.
Eén van de ruimtevaarders blijft daar waarschijnlijk een heel jaar.' Milan trok zijn wenkbrauwen op.
'Een jaar?
Zonder snackbar?
Dat is geen wetenschap, dat is straf.' Noor lachte.
'Misschien hebben ze daar betere bezorging dan wij denken.' Ik schreef drie woorden op het bord: lichaam, tijd, thuis.
'We gaan niet doen alsof wij technici zijn,' zei ik.
'Maar we kunnen wel nadenken over wat zo’n reis met een mens doet.
En over wat wij hier beneden normaal vinden.' Mevrouw Huang stak haar hand op.
Ze kwam uit Shanghai en sprak rustig, met kleine pauzes.
'Mijn broer stuurde mij vanochtend een bericht.
In China zijn veel mensen trots.
Maar mijn moeder vroeg alleen of die man wel genoeg warme sokken had.' 'Uw moeder stelt de belangrijkste vraag,' zei ik.
'Zonder warme sokken stort elke grote droom in.' De klas grinnikte.
Toch werd het daarna stiller.
Op het scherm liet ik een foto zien van het ruimtestation, wit en glanzend tegen zwart licht.
Het beeld was scherp, bijna te netjes.
Cem boog naar voren.
'Als iemand daar een jaar blijft, moet alles goed worden gepland.
Eten, slaap, werk, sport, contact met familie.
Er is weinig ruimte voor toeval.' 'Precies,' zei ik.
'En wat zou jij het meest missen?' Hij dacht even na.
'De geur van regen op straat.
Mijn moeder die te hard praat aan de telefoon.
Zelfs de tram, denk ik.' 'Zelfs de tram?' vroeg Noor.
'Dan ben je echt lang weg.' Ik deelde papier uit.
De opdracht was eenvoudig: schrijf een korte brief aan de ruimtevaarder die een jaar boven de aarde blijft.
Niet als journalist, maar als gewone buur.
Wat zou je vragen?
Wat zou je vertellen?
Terwijl de pennen over het papier gingen, hoorde ik buiten een scooter optrekken en daarna het scherpe geluid van een meeuw.
Den Haag bleef gewoon Den Haag, ook als ergens ver weg een raket door de nacht was gegaan.
Na tien minuten las Noor haar brief voor.
Ze schreef dat ze pakketjes rondbracht door weer en wind, en dat ze soms dacht dat haar route eindeloos was.
'Maar als ik klaar ben,' las ze, 'kan ik naar huis, mijn schoenen uitdoen en mijn eigen koelkast openmaken.
U kunt dat niet.
Daarom hoop ik dat iemand u vaak vraagt hoe uw dag was, niet alleen wat u hebt gedaan.' Dat vond ik mooi, maar ik zei alleen: 'Sterke zin.' Leraren moeten niet elke goede zin versieren met te veel lof.
Dan wordt taal een kerstboom.
Milan had een andere toon gekozen.
'Beste ruimtevaarder,' las hij, 'als u na een jaar terugkomt, zult u merken dat de huur is gestegen, de koffie kleiner is geworden en iedereen nog steeds zegt dat de printer het gisteren wel deed.
Blijf dus gerust nog even boven.' Er werd hard gelachen.
Zelfs mevrouw Huang, die vaak beleefd glimlachte in plaats van echt te lachen, sloeg met haar hand op tafel.
Toch zat er iets waars in Milans grap.
Wij sturen mensen naar een plek waar bijna niets vanzelf gaat, terwijl wij op aarde al boos worden als de rij bij de bakker te lang is.
Daarna vertelde mevrouw Huang over haar vader, die vroeger nachtdiensten werkte in een fabriek.
'Hij zei altijd dat lange tijd alleen zijn niet alleen zwaar is door de stilte.
Het is zwaar omdat niemand ziet hoe netjes je probeert te blijven.' Die zin bleef bij mij hangen.
In het ruimtestation zou elke handeling worden gevolgd, gemeten en vastgelegd.
Toch kon niemand precies voelen hoe het was om wakker te worden en te weten dat je nog honderden dagen niet naar buiten kon stappen.
Als ik zelf zo lang boven de aarde zou moeten blijven, zou ik waarschijnlijk eerst stoer doen.
Na drie dagen zou ik mijn planten missen.
Na een week zou ik onderhandelen over een wandeling door de Weimarstraat.
Aan het einde van de les vroeg Cem waarom landen zoveel geld uitgeven aan reizen buiten de aarde, terwijl er beneden genoeg problemen zijn.
Het was een eerlijke vraag.
Ik had geen kort antwoord.
'Misschien,' zei ik, 'omdat mensen tegelijk praktisch en dromerig zijn.
We repareren een lekkende kraan en kijken daarna naar de maan.
Dat is vreemd, maar ook menselijk.' Noor knikte langzaam.
'Dus de vraag is niet alleen waarom zij omhoog gaan.
De vraag is ook wat wij leren als we naar hen kijken.' Ik keek naar mijn groep, naar de schriften, de koffievlek op tafel en de zon die inmiddels was verschoven.
De raket was ver weg, maar het gesprek had ons juist dichter bij elkaar gebracht.
Buiten reed de tram voorbij, gewoon volgens dienstregeling, alsof de wereld nooit groter was geweest dan deze straat.
Ik sloot mijn map en glimlachte.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze