Dutch Fluency
Find my level
Login
Play me!

De Slechte Woorden

Dit is Mark.

Mark is een man.

Mark is in Rotterdam.

Dit is Sophie.

Sophie is een vrouw.

Sophie is ook in Rotterdam.

Rotterdam is een stad.

De stad is heel groot.

Het is dag in de stad.

Het is mooi weer.

De lucht is blauw.

De zon is warm.

Mark en Sophie lopen.

Zij lopen op straat.

Zij lopen en lopen.

Zij zien veel dingen.

Zij zien een huis.

Het huis is groot.

Het huis is wit.

Zij zien een auto.

De auto is rood.

De auto is snel.

Zij zien een fiets.

De fiets is geel.

De fiets is mooi.

Zij zien een bus.

De bus is groen.

De bus is groot.

Mark en Sophie kijken.

Zij kijken en kijken.

Zij zijn heel blij.

Zij praten.

Zij praten en praten.

Zij horen de stad.

Zij horen de auto.

Zij horen de bus.

Het is een goede dag.

Mark heeft een jas.

De jas is blauw.

Sophie heeft een tas.

De tas is bruin.

Zij lopen samen.

Dan zien zij een man.

De man is groot.

De man heeft een jas.

De jas is zwart.

De man staat op straat.

De man praat.

Hij praat heel hard.

Mark en Sophie horen de man.

Zij horen de woorden.

De woorden zijn niet goed.

De woorden zijn heel slecht.

De man zegt slechte woorden.

Mark hoort de woorden.

Sophie hoort de woorden.

Zij zijn niet blij.

De woorden zijn niet mooi.

De man praat en praat.

Hij zegt meer slechte woorden.

Mensen op straat horen de man.

De mensen kijken.

De mensen zijn niet blij.

Een vrouw hoort de man.

De vrouw kijkt.

De vrouw is niet blij.

Een kind hoort de man.

Het kind kijkt.

Het kind is niet blij.

De man stopt niet.

Hij praat heel hard.

Hij zegt heel slechte woorden.

Mark en Sophie staan.

Zij staan op straat.

Zij kijken.

Zij horen de man.

De man is heel boos.

De man praat heel hard.

De man praat en praat.

Het is niet leuk.

Mark kijkt.

Mark loopt.

Mark staat bij de man.

Mark zegt: "Hallo." De man kijkt.

Mark zegt: "Jij praat hard." Mark zegt: "De woorden zijn slecht." Mark zegt: "Wij zijn niet blij." Mark zegt: "De vrouw is niet blij." Mark zegt: "Het kind is niet blij." Mark zegt: "Stop nu." Mark zegt: "Praat goede woorden." Mark zegt: "Of praat niet." De man hoort Mark.

De man kijkt.

De man ziet Mark.

De man ziet Sophie.

De man ziet de vrouw.

De man ziet het kind.

De man is stil.

De man zegt niets.

De man stopt.

De man gaat weg.

Hij loopt op straat.

Hij is weg.

De straat is weer stil.

Mark is blij.

Sophie is blij.

De vrouw is blij.

Het kind is blij.

De mensen op straat zijn blij.

Mark en Sophie lopen.

Zij lopen in de stad.

Zij zien een winkel.

Zij gaan in de winkel.

Zij zien eten.

Zij zien drinken.

Zij eten brood.

Het brood is heel goed.

Het brood is warm.

Zij drinken koffie.

De koffie is warm.

Zij drinken thee.

De thee is zoet.

Het is een goede dag.

De slechte man is weg.

De slechte woorden zijn weg.

Mark en Sophie praten.

Zij praten over de dag.

Zij praten over de stad.

Zij zijn samen.

Samen is goed.

Zij eten en drinken.

Zij kijken in de winkel.

Zij zien een kat.

De kat is in de winkel.

De kat is zwart.

De kat slaapt.

De kat is heel lief.

Mark ziet de kat.

Sophie ziet de kat.

Zij zijn blij.

De dag is weer goed.

De stad is weer mooi.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze