

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het was een warme ochtend in Ceuta, een stad aan de kust van Afrika.
De zon scheen fel en de lucht was blauw.
Ik, Samira, stond bij het Rode Kruis-gebouw.
Het gebouw was wit en groot, met een rood kruis boven de deur.
We hadden veel hulpgoederen klaargezet.
Er waren dozen met eten, water en medicijnen.
Ik rook de geur van karton en plastic.
Mijn collega Juan kwam naar me toe.
Hij droeg een blauw uniform en een pet.
Hij zei: "Samira, we moeten de vrachtwagens nu laden.
De mensen wachten op ons." Ik knikte en pakte een doos.
De doos was zwaar, maar ik tilde hem op.
We werkten snel, want het was al laat.
Buiten hoorde ik veel stemmen.
Eerst waren ze zacht, maar toen werden ze luider.
Ik keek door het raam.
Er stonden demonstranten bij de ingang.
Ze zwaaiden met borden.
Sommigen riepen boze woorden.
Ik zag een man met een rode pet.
Hij schreeuwde het hardst.
Mijn hart begon sneller te kloppen.
Ik vroeg me af wat er aan de hand was.
Ik voelde zweet op mijn voorhoofd.
Juan en ik liepen naar buiten.
De zon brandde op mijn huid.
Een man met een rode pet stapte naar voren.
Hij had een boos gezicht.
Hij zei: "Jullie mogen niet vertrekken.
De hulp is niet voor ons.
Het is voor de vluchtelingen.
Zij krijgen alles, maar wij hebben ook niets." Zijn stem trilde van woede.
Ik begreep zijn zorgen, maar ik vond het niet eerlijk.
De hulp was voor alle mensen in nood.
Ik zei: "Meneer, de hulp is voor iedereen.
Ook voor u, als u het nodig heeft." Maar de man schudde zijn hoofd.
Hij wees naar de dozen.
De demonstranten blokkeerden de weg.
Ze stonden dicht bij elkaar.
De politie kwam eraan.
Ze droegen donkere uniformen.
Ze praatten met de demonstranten.
Het werd een lange discussie.
Ik hoorde de stemmen door elkaar.
Sommige mensen waren kalm, andere waren boos.
Ik voelde me verdrietig.
We hadden zoveel werk gedaan.
Nu konden we niet verder.
Ik dacht aan de kinderen in het ziekenhuis.
Ze hadden medicijnen nodig.
Een oude vrouw, mevrouw Fatima, stond naast me.
Ze droeg een witte hoofddoek.
Ze was vrijwilliger bij het Rode Kruis.
Ze zei: "Samira, dit is niet het einde.
We moeten geduldig zijn.
Mensen zijn bang en boos.
Dat komt door de moeilijke tijden." Haar stem was rustig.
Ik zuchtte.
"Maar de kinderen in het ziekenhuis hebben medicijnen nodig," zei ik.
Mevrouw Fatima legde haar hand op mijn schouder.
"We vinden een oplossing.
Dat doen we altijd." Ik keek naar haar ogen.
Ze glimlachte.
Ik voelde een klein beetje hoop.
Na een uur kwam de politie met een plan.
De demonstranten mochten de vrachtwagens controleren.
Ze wilden zien dat er genoeg was voor iedereen.
Juan en ik openden de deuren.
De deuren maakten een piepend geluid.
We lieten de dozen zien.
De man met de rode pet keek naar binnen.
Hij zag het eten en de medicijnen.
Zijn gezicht werd rustiger.
Hij raakte een doos aan.
Hij zei: "Oké, jullie hebben gelijk.
De hulp is goed." De demonstranten gingen opzij.
Ze maakten ruimte voor de vrachtwagens.
We konden eindelijk vertrekken.
Toen de vrachtwagen wegreed, voelde ik opluchting.
De motor maakte veel lawaai.
Ik keek naar de stad.
De zon scheen op de zee.
Het water glinsterde.
Ik dacht aan de mensen die we zouden helpen.
Het was een moeilijke dag geweest.
Maar we hadden het samen opgelost.
Mevrouw Fatima glimlachte naar me.
"Zie je wel," zei ze.
"Geduld en praten werken beter dan boosheid." Ik knikte.
We hadden veel geleerd vandaag.
Soms moet je even stoppen om naar elkaar te luisteren.
Dat maakt het verschil.
Ik liep terug naar het gebouw.
Er stond nog veel werk te wachten.
Maar ik voelde me sterk.
Ik dacht aan de man met de rode pet.
Misschien was hij nu minder boos.
Misschien begreep hij ons beter.
Ik hoopte het.
De dag was lang geweest, maar we hadden iets goeds gedaan.
Ik keek naar de lucht.
De zon was nog hoog.
Er was nog tijd om meer te helpen.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze