Dutch Fluency
Find my level
Login
Play me!

Weekrecap — 17 mei t/m 24 mei

# Weekrecap Dutch News Stories - A1 — 2026-W21 Hieronder volgen de afleveringen van deze week.

Vat ze samen in één natuurlijke Nederlandse Deep Dive aflevering: geef per aflevering de kerngedachte, link de verhalen aan elkaar waar dat kan, en sluit af met wat luisteraars deze week kunnen meenemen. ## Taalniveau Dit is een A1 aflevering.

Spreek heel rustig en in heel korte zinnen.

Gebruik alleen woorden die een A1-leerder kent.

Vermijd lange bijzinnen, beeldspraak en moeilijke werkwoordstijden.

Herhaal kernideeën in eenvoudige bewoordingen. ## Het Vliegtuig in de Straat Hallo.

Ik ben Hans.

Ik woon in Duitsland.

Ik woon in een stad.

De stad is groot.

Ik woon in een straat.

De straat is lang.

Ik woon in een huis.

Het huis is mooi.

Het huis is wit.

Ik woon met Lisa.

Lisa is mijn vrouw.

Wij zijn in de tuin.

De tuin is achter het huis.

De tuin is groen.

Wij zitten op een stoel.

De stoel is zacht.

De zon schijnt vandaag.

Het is heel warm.

Wij drinken thee.

De thee is in een kopje.

Het kopje is geel.

De thee is warm.

De thee is heel lekker.

Wij eten ook een koekje.

Het koekje is zoet.

Wij kijken naar de lucht.

De lucht is heel blauw.

Ik zie een vogel.

De vogel is zwart.

De vogel vliegt hoog.

De vogel vliegt snel.

Lisa ziet ook iets.

"Kijk," zegt Lisa.

"Ik zie een vliegtuig." Ik kijk ook naar boven.

Ik zie het vliegtuig.

Het vliegtuig is wit.

Het vliegtuig is heel groot.

Het vliegtuig vliegt heel hoog.

Wij kijken naar het vliegtuig.

Wij drinken onze thee.

Het is een heel mooie dag.

Maar dan gaat het fout.

Het vliegtuig vliegt niet goed.

Het vliegtuig gaat naar beneden.

Het gaat heel snel.

"Oh nee," zegt Lisa.

"Kijk naar het vliegtuig." Ik kijk naar het vliegtuig.

Ik ben heel bang.

Het vliegtuig valt.

Het valt heel snel.

Het valt op een huis.

Het huis is in onze straat.

Het is het huis van Jan.

Jan is een man.

Hij woont in onze straat.

Het vliegtuig valt op het huis.

Ik hoor een harde boem.

De boem is heel hard.

Ik zie vuur.

Het vuur is rood.

Het vuur is geel.

Het vuur is heel warm.

Het huis is helemaal stuk.

Het vliegtuig is ook stuk.

Dit is heel erg.

Dit is een heel groot probleem.

Ik ren naar de straat.

Lisa rent ook mee.

Wij rennen naar het huis.

Het huis van Jan.

Wij zien het grote vuur.

Wij zien het witte vliegtuig.

Het is heel erg warm.

"Jan!" roep ik hard.

"Jan, ben je daar?" Ik hoor helemaal niets.

Ik roep nog een keer.

"Jan!" roep ik heel hard.

Lisa pakt haar telefoon.

Zij belt de politie.

Zij belt ook de brandweer.

"Help," zegt Lisa.

"Een vliegtuig valt op een huis." De politie komt heel snel.

De brandweer komt ook snel.

Zij hebben grote auto's.

De auto's zijn rood.

De auto's zijn ook blauw.

Zij hebben heel veel mensen.

De mensen gaan helpen.

Zij maken het vuur uit.

Het vuur is nu weg.

Maar het huis is stuk.

Het vliegtuig is ook stuk.

De politie praat met ons.

"Wat zien jullie?" vraagt de politie.

"Wij zien het vliegtuig," zeg ik.

"Het vliegtuig valt op het huis." De politie schrijft het op.

Wij kijken naar het huis.

Jan is niet in het huis.

Jan is in de stad.

Dat is heel erg goed.

Jan is heel veilig.

Maar twee mensen zijn niet veilig.

Twee mensen zijn in het vliegtuig.

Zij zijn niet meer hier.

Dat is heel erg.

Wij zijn heel stil.

De straat is heel stil.

Het is een heel slechte dag.

Wij gaan terug naar huis.

Wij zitten in de tuin.

Wij drinken weer thee.

Maar de thee is nu koud.

Wij praten helemaal niet.

Wij denken aan het vliegtuig.

Wij denken aan de mensen.

Het is een heel groot probleem.

Tot de volgende keer. ## Ruzie bij de Weg Daan en Sem zitten in de auto.

De auto is rood.

De auto is heel groot.

Ze rijden op een grote weg.

De weg is heel lang.

Het is zaterdag.

De zon schijnt.

Het weer is mooi.

Daan rijdt de auto.

Sem kijkt naar buiten.

Ze zien bomen en huizen.

De bomen zijn groen.

Ze gaan naar een grote stad.

Ze willen voetbal zien.

Daan houdt van voetbal.

Sem houdt ook van voetbal.

Voetbal is heel leuk.

Ze hebben dorst.

Ze willen water drinken.

Daan ziet een station.

Het is een huis bij de weg.

Ze stoppen de auto.

Ze stappen uit de auto.

Ze lopen naar het huis.

Ze willen water kopen.

Maar wat zien ze?

Ze zien heel veel mannen.

De mannen staan bij het huis.

De mannen hebben rode shirts.

Andere mannen hebben blauwe shirts.

De mannen houden van voetbal.

Maar de mannen zijn niet blij.

De mannen zijn heel boos.

Een man roept heel hard.

Een andere man roept ook hard.

De mannen zijn heel boos.

Ze slaan met hun handen.

Ze maken ruzie.

Het is geen leuk gezicht.

Daan kijkt naar Sem.

"Kijk daar," zegt Daan.

"De mannen zijn boos," zegt Sem.

"Ze maken ruzie," zegt Daan.

"Dat is niet goed," zegt Sem.

De mannen met rode shirts slaan.

De mannen met blauwe shirts slaan.

Ze rennen over de straat.

Ze rennen om de auto's.

Het is heel druk.

Daan en Sem staan stil.

Ze kijken naar de mannen.

Ze vinden het niet leuk.

Voetbal is leuk.

Maar ruzie is niet leuk.

Een man valt op de grond.

Een andere man rent weg.

Daan zegt: "Ik wil geen water." Sem zegt: "Ik ook niet." "We gaan weg," zegt Daan.

"Ja, we gaan," zegt Sem.

Ze lopen snel naar de auto.

De rode auto staat daar.

Ze stappen in de auto.

Daan start de auto.

Ze rijden snel weg.

Ze rijden weer op de weg.

De grote weg is heel lang.

Ze kijken niet meer terug.

Ze rijden naar de stad.

Ze gaan naar het voetbal.

Ze hopen op een leuke dag.

Een dag zonder ruzie.

Een dag met mooi voetbal.

Daan en Sem zijn weer blij.

Ze zingen een lied in de auto.

Het lied gaat over voetbal.

Ze rijden en ze zingen.

De zon schijnt nog steeds.

De lucht is heel blauw.

Ze zien de grote stad.

De stad is heel mooi.

Ze zien hoge huizen.

Ze zien veel straten.

Ze parkeren de rode auto.

Ze stappen uit de auto.

Ze lopen naar het voetbal.

Ze zien veel mensen.

Deze mensen zijn wel blij.

Ze lachen en ze praten.

Daan lacht ook.

Sem lacht ook.

Ze eten een broodje.

Het broodje is heel lekker.

Ze drinken nu wel water.

Het water is koud en goed.

Ze lopen naar hun stoel.

De stoel is rood.

Ze zitten op de stoel.

Ze kijken naar het gras.

Het gras is heel groen.

De mannen komen op het gras.

De mannen gaan voetbal spelen.

Daan en Sem kijken.

Ze vinden het heel mooi.

Dit is een goede dag.

Geen boze mannen meer.

Alleen maar leuk voetbal.

Tot de volgende keer. ## De Trein Staat Stil Hallo.

Ik ben Rick.

Vandaag vertel ik een verhaal.

Het verhaal gaat over een trein.

De trein is heel groot.

De trein is heel lang.

De trein is rood met geel.

Daan rijdt in de trein.

Daan is een man.

Hij werkt op de trein.

Hij rijdt van de stad.

Hij rijdt naar het land.

Het is een mooie dag.

De zon schijnt in de lucht.

De lucht is heel blauw.

Daan kijkt naar buiten.

Hij ziet bomen en gras.

De bomen zijn groen.

Het gras is ook groen.

Hij ziet ook schapen.

De schapen zijn wit.

De schapen eten gras.

Daan is blij.

Hij houdt van zijn werk.

Hij drinkt een beetje water.

Het water is koud.

Het water is lekker.

De trein rijdt heel hard.

De trein gaat over het spoor.

Het spoor is heel lang.

Het spoor is hard.

Maar dan ziet Daan iets.

Daan kijkt heel goed.

Er is iets op het spoor.

Wat is dat daar?

Daan stopt de trein.

De trein staat nu stil.

Daan kijkt uit het raam.

Hij ziet mensen op het spoor.

Het zijn heel veel mensen.

Hij ziet een man.

Hij ziet een vrouw.

Hij ziet nog een man.

Hij ziet ook een kind.

Zij zitten op de grond.

Zij zitten op het spoor.

De trein kan niet verder.

De trein moet hier blijven.

Daan weet het niet.

Waarom zitten zij daar?

Lisa is een vrouw.

Zij zit op het spoor.

Zij heeft een bord.

Het bord is groot.

Het bord is wit.

Lisa kijkt naar de trein.

Zij kijkt naar Daan.

Daan doet het raam open.

Daan zegt: "Hallo." Lisa zegt: "Hallo meneer." Daan vraagt: "Wat doen jullie?" Lisa zegt: "Wij zitten hier." Daan zegt: "De trein moet rijden." Lisa zegt: "Wij gaan niet weg." Daan kijkt naar de mensen.

De mensen zingen een lied.

Het lied is heel mooi.

De mensen zijn blij.

Maar de trein staat stil.

De trein kan niet rijden.

Daan pakt zijn telefoon.

De telefoon is zwart.

Hij belt naar zijn baas.

Daan zegt: "Ik sta stil." De baas vraagt: "Waarom?" Daan zegt: "Mensen op het spoor." De baas zegt: "Blijf daar." Daan zegt: "Dat is goed." Daan heeft nu veel tijd.

Hij pakt zijn tas.

De tas is blauw.

Er zit eten in de tas.

Daan heeft een appel.

De appel is groen.

Daan eet de appel.

De appel is heel lekker.

Hij kijkt naar Lisa.

Lisa heeft ook eten.

Zij eet een banaan.

De banaan is geel.

Lisa deelt het eten.

Zij geeft eten aan de man.

Zij geeft eten aan het kind.

Iedereen eet op het spoor.

Het is een beetje gek.

Het is ook een beetje leuk.

Daan lacht naar Lisa.

Lisa lacht naar Daan.

De zon gaat nu weg.

Er komen wolken in de lucht.

De wolken zijn grijs.

Het weer is niet mooi meer.

Het is nu koud.

Lisa heeft een jas.

De jas is blauw.

Zij doet de jas aan.

De andere mensen hebben het koud.

Zij willen naar huis.

Zij willen niet meer zitten.

Lisa staat op.

Zij pakt haar bord.

Zij kijkt naar Daan.

Lisa zegt: "Wij gaan weg." Daan zegt: "Dat is fijn." Lisa zegt: "Wij gaan naar huis." Daan zegt: "Tot ziens." Lisa zegt: "Dag meneer." De mensen lopen weg.

Zij lopen van het spoor.

Het spoor is nu leeg.

Daan is heel blij.

Hij zet de trein aan.

De trein doet het weer.

De trein rijdt weer.

Daan rijdt naar de stad.

Hij kijkt naar de lucht.

Het regent een beetje.

Maar Daan zit droog.

De trein is warm.

Daan denkt aan de mensen.

Hij denkt aan Lisa.

Hij lacht een beetje.

Het is een gekke dag.

Maar alles is nu goed.

De trein is op tijd.

Daan gaat straks naar huis.

Hij gaat dan ook eten.

Hij eet vanavond soep.

Soep met veel brood.

Dat is heel lekker.

Tot de volgende keer. De Zware Doos in Amsterdam. Hallo.

Ik ben Rick.

Ik ben leraar.

Ik kom uit Den Haag.

Vandaag vertel ik een verhaal.

Het verhaal is in Amsterdam.

Het is koud in Amsterdam.

Het is heel koud.

Het regent een beetje.

De regen is nat.

Jan loopt op straat.

Jan is een man.

Hij heeft een jas.

De jas is groen.

De jas is oud.

Jan heeft het koud.

Hij loopt naar het plein.

Het plein is groot.

Er zijn veel mensen op het plein.

De mensen staan in een rij.

De rij is lang.

Heel erg lang.

Jan staat ook in de rij.

Hij wacht.

Hij wacht lang.

Hij kijkt naar de lucht.

De lucht is grijs.

Jan heeft niet veel geld.

Alles in de winkel is duur.

Het eten is duur.

Het drinken is duur.

Jan heeft een dochter.

Zij is een kind.

Zij heet Emma.

Emma is zes jaar.

Emma heeft honger.

Jan wil eten voor Emma.

Jan wil brood.

Jan wil fruit.

Op het plein staat een vrouw.

De vrouw heeft veel dozen.

De dozen zijn groot.

De dozen zijn bruin.

Wat zit in de doos?

In de doos zit eten.

Het eten is voor Jan.

Het is een cadeau van de stad.

De stad is Amsterdam.

Amsterdam helpt de mensen.

Dat is heel mooi.

Jan is nu bij de vrouw.

De vrouw lacht.

Zij is heel lief.

Zij heeft een rode trui.

"Hallo," zegt de vrouw.

"Hallo," zegt Jan.

"Hier is een doos," zegt de vrouw.

"De doos is voor jou." Jan pakt de doos.

Oef!

De doos is zwaar.

Heel zwaar.

Jan lacht.

Een zware doos is goed.

Een zware doos heeft veel eten.

"Dank je wel," zegt Jan.

"Graag gedaan," zegt de vrouw.

"Eet smakelijk!" Jan loopt naar huis.

Hij loopt met de doos.

De doos is nog steeds zwaar.

Jan zijn armen doen pijn.

Maar Jan is blij.

Hij voelt de regen niet meer.

Hij voelt de kou niet meer.

Hij denkt aan het eten.

Hij denkt aan Emma.

Jan loopt door de straat.

Hij ziet een hond.

De hond is bruin.

De hond kijkt naar de doos.

De hond ruikt het eten.

"Nee hond," zegt Jan.

"Dit is voor Emma." De hond loopt weg.

Jan loopt verder.

Hij is bijna thuis.

Jan is thuis.

Het huis is klein.

Maar het huis is warm.

Emma is in het huis.

Emma speelt met een pop.

De pop is mooi.

"Papa!" zegt Emma.

Zij ziet de doos.

"Wat is dat?" "Dat is een doos," zegt Jan.

"Een doos met eten." Emma komt kijken.

Jan zet de doos op tafel.

De tafel is van hout.

Jan maakt de doos open.

Hij kijkt in de doos.

Emma kijkt ook in de doos.

Wat zien zij?

Zij zien heel veel eten.

Zij zien brood.

Het brood is vers.

Zij zien melk.

De melk is wit.

Zij zien appels.

De appels zijn rood.

Zij zien peren.

De peren zijn groen.

En zij zien kaas.

Een heel groot stuk kaas.

Emma houdt van kaas.

Jan houdt ook van kaas.

"Kaas!" roept Emma.

"Ik wil kaas!" Jan lacht.

"Ja, wij eten kaas." Jan pakt een mes.

Hij snijdt de kaas.

Hij geeft een stuk aan Emma.

Emma eet de kaas.

"Mmm," zegt Emma.

"De kaas is lekker." "Ik ben een muis," zegt Emma.

"Muizen eten kaas." Jan lacht hard.

"Jij bent een grote muis," zegt Jan.

Jan eet ook kaas.

De kaas is heel lekker.

"Nog een stukje kaas?" vraagt Jan.

"Ja, nog een stukje kaas," zegt Emma.

Zij eten veel kaas.

De kaas is geel.

De kaas is zacht.

Zij eten en eten.

De kaas is bijna op.

Dat is grappig.

De doos is een goed idee.

Amsterdam is een goede stad.

Jan heeft nu eten.

Emma heeft nu eten.

Zij hebben geen honger meer.

Zij hebben een volle buik.

Het regent nog steeds buiten.

Maar binnen is het goed.

Binnen is het warm.

Binnen is er brood.

Binnen is er melk.

En binnen is er kaas.

Jan is blij.

Emma is blij.

Zij spelen samen.

Zij spelen met de pop.

De dag is mooi.

Tot de volgende keer. ## De Foute Zanger Hallo.

Ik ben Rick.

Ik kom uit Den Haag.

Ik ben leraar.

Vandaag vertel ik een verhaal.

Het verhaal gaat over Lisa.

Lisa is een vrouw.

Ze woont in een huis.

Het huis is in Den Haag.

Het is een mooi huis.

De zon schijnt vandaag.

Het is heel warm.

Lisa zit in de stoel.

De stoel is rood.

De stoel is zacht.

Ze drinkt thee.

De thee is warm.

Ze eet een koek.

De koek is zoet.

Lisa is blij.

Ze houdt van muziek.

Muziek is haar hobby.

Ze luistert veel naar muziek.

Ze zingt ook graag.

Ze zingt in het huis.

Ze zingt in de auto.

Ze zingt op de fiets.

Ze zingt heel de dag.

Er is een man.

De man heet Patrick.

Patrick komt uit een ander land.

Hij komt uit Frankrijk.

Patrick is een zanger.

Hij zingt liedjes.

Hij zingt voor veel mensen.

Lisa vindt Patrick leuk.

Ze vindt zijn liedjes mooi.

Patrick komt naar Den Haag.

Hij komt zingen in de stad.

Lisa heeft een kaartje.

Het kaartje is voor Patrick.

Ze gaat naar Patrick kijken.

Ze gaat naar Patrick luisteren.

Ze heeft er zin in.

Ze belt haar zus.

Haar zus heet Emma.

"Hallo Emma," zegt Lisa.

"Hallo Lisa," zegt Emma.

"Ga je mee?" vraagt Lisa.

"Ja, ik ga mee," zegt Emma.

Ze zijn heel blij.

Ze gaan samen naar Patrick.

Ze gaan samen zingen.

Ze gaan samen dansen.

Ze maken een plan.

Ze gaan eerst eten.

Ze gaan pizza eten.

De pizza is lekker.

Dan gaan ze naar Patrick.

Maar dan is er nieuws.

Het nieuws is op de radio.

Lisa luistert naar de radio.

Ze hoort de man op de radio.

De man praat over Patrick.

Patrick is geen goede man.

Patrick doet slechte dingen.

Hij is niet lief.

Hij is niet lief voor vrouwen.

Hij doet heel raar.

De vrouwen zijn niet blij.

De vrouwen zijn bang.

Ze praten met de politie.

De politie praat met Patrick.

Patrick heeft een groot probleem.

Het is een heel groot probleem.

Hij is een foute man.

De man op de radio praat verder.

Hij zegt iets over de muziek.

Patrick komt niet naar Den Haag.

Patrick gaat niet zingen.

Het feest stopt.

Het feest is klaar.

Patrick gaat terug naar huis.

Hij gaat terug naar Frankrijk.

Lisa hoort het nieuws.

Ze kijkt naar haar kaartje.

Ze is niet blij.

Ze is een beetje stil.

Ze belt Emma weer.

"Patrick komt niet," zegt Lisa.

"Oh, dat is jammer," zegt Emma.

"Hij doet slechte dingen," zegt Lisa.

"Dat is heel fout," zegt Emma.

"Ja, hij is een foute man," zegt Lisa.

"Wij gaan niet naar hem," zegt Emma.

"Nee, wij blijven thuis," zegt Lisa.

Lisa en Emma gaan niet weg.

Ze blijven in het huis.

Ze gaan niet naar de stad.

Ze gaan niet naar Patrick.

Ze willen Patrick niet zien.

Ze willen Patrick niet horen.

Lisa pakt haar telefoon.

Ze zoekt andere muziek.

Ze zoekt een andere zanger.

Ze vindt een goede zanger.

De zanger is een vrouw.

De vrouw zingt heel mooi.

Lisa en Emma luisteren.

Ze drinken weer thee.

Ze eten weer een koek.

Ze eten ook de pizza.

De pizza is heel warm.

De pizza is heel lekker.

Het is toch een leuke dag.

Ze zingen samen in het huis.

Ze dansen samen in het huis.

Patrick is weg.

Dat is heel goed.

Tot de volgende keer. De Grote Raket van Elon. Elon is een man.

Hij woont in Texas.

Texas is heel groot.

Het is een warm land.

De zon schijnt elke dag.

Het weer is heel mooi.

Elon heeft een groot huis.

Hij heeft ook een kantoor.

Het kantoor is in de stad.

Elon gaat elke dag naar het kantoor.

Hij gaat met de auto.

De auto is heel snel.

De auto is rood.

In het kantoor werkt Elon.

Hij werkt heel hard.

Hij werkt op maandag.

Hij werkt op dinsdag.

Hij werkt elke dag.

Elon kijkt uit het raam.

Hij ziet de lucht.

De lucht is blauw.

Hij ziet vogels in de lucht.

De vogels vliegen hoog.

Elon wil ook hoog gaan.

Hij heeft een groot plan.

Hij wil naar boven.

Hij wil naar de sterren.

Elon bouwt een raket.

Een raket is een heel groot schip.

De raket is wit.

De raket is heel hoog.

Elon is blij met de raket.

Hij kijkt elke dag naar de raket.

Hij loopt om de raket.

Hij raakt de raket aan.

Maar er is een groot probleem.

De raket is heel duur.

Het kost heel veel geld.

Elon heeft geen geld meer.

Zijn bank is leeg.

Hij verliest elke dag geld.

Dat is niet goed.

Elon moet een plan maken.

Elon belt een vrouw.

De vrouw heet Kim.

Kim is een goede vriendin.

Zij woont in een grote stad.

Zij heeft een heel groot huis.

En zij heeft heel veel geld.

Elon zegt tegen Kim.

"Hallo Kim, ik ben Elon." Kim zegt hallo.

Elon zegt: "Ik heb een grote raket.

De raket gaat heel hoog.

Ik wil naar de sterren.

Maar ik heb geen geld.

Heb jij geld voor mij?" Kim hoort het plan van Elon.

Zij denkt na.

Zij drinkt een kopje thee.

De thee is warm.

Zij eet een koekje.

Het koekje is zoet.

Zij vindt het plan leuk.

Kim zegt tegen Elon.

"Ja, ik heb geld.

Ik geef jou veel geld.

Jij gaat naar de sterren." Elon is heel erg blij.

Hij lacht heel hard.

Hij heeft nu weer geld.

Veel mensen horen het plan.

De mensen lezen het in de krant.

Ze horen het op de radio.

De mensen vinden het leuk.

Zij geven ook geld aan Elon.

Elon krijgt heel veel geld.

Hij gaat naar de raket.

De raket staat in een groot park.

Veel mensen komen naar het park.

De mannen komen.

De vrouwen komen.

De kinderen komen.

Zij kijken naar de raket.

De raket is heel mooi.

Elon stapt in de raket.

Hij zwaait naar de mensen.

Hij drukt op een knop.

De raket maakt veel geluid.

Het is een heel hard geluid.

De raket gaat omhoog.

Hij gaat heel ver omhoog.

De mensen kijken en kijken.

Zij wijzen naar de lucht.

Maar dan stopt de raket.

De raket valt naar beneden.

Hij valt op de grond.

De raket is nu stuk.

Elon stapt uit de raket.

Hij is niet blij.

Hij is een beetje verdrietig.

Hij kijkt naar de stukke raket.

Maar Elon geeft niet op.

Hij heeft direct een nieuw plan.

Hij kijkt weer naar Kim.

Hij zegt tegen Kim.

"De raket is stuk.

Ik bouw een nieuwe raket.

Heb jij nog meer geld?" Kim lacht heel hard.

Zij lacht en lacht.

Zij geeft weer geld.

Elon bouwt weer een raket.

Hij werkt en werkt.

Hij slaapt in het kantoor.

Hij eet en drinkt.

Hij eet vers brood.

Hij eet zoet fruit.

Hij drinkt heel veel water.

Hij wil naar de sterren.

Dat is zijn grote droom.

Tot de volgende keer. De Club en de Appels. Hallo.

Ik ben Rick.

Ik ben leraar.

Ik woon in Den Haag.

Vandaag vertel ik een verhaal.

Het is een mooi verhaal.

Luister goed.

Kijk naar het park.

Het park is in Utrecht.

Het is een groot park.

Het gras is heel groen.

De bomen zijn hoog.

De zon schijnt.

Het is warm vandaag.

De lucht is blauw.

Ik hoor vogels.

De vogels zingen.

Het is een mooie dag.

Ik zie drie mensen.

Ik zie een man.

De man heet Sam.

Sam komt uit Amerika.

Sam is groot.

Sam heeft een hoed.

De hoed is wit.

Sam praat veel.

Sam praat hard.

Ik zie nog een man.

De man heet Mark.

Mark komt uit Nederland.

Mark is lang.

Mark heeft een fiets.

De fiets is blauw.

De fiets is mooi.

Mark fietst graag.

Ik zie een vrouw.

De vrouw heet Emma.

Emma komt uit Frankrijk.

Emma heeft een boek.

Het boek is rood.

Het boek is dik.

Emma leest graag.

Sam, Mark en Emma zijn vrienden.

Zij zijn een groep.

De groep heet de club.

De club is heel belangrijk.

Zij praten over de club.

Sam kijkt naar Mark.

Sam kijkt naar Emma.

Sam staat op.

Sam zegt iets.

"Wij hebben een club," zegt Sam.

"De club heeft appels nodig." Mark kijkt naar Sam.

Mark pakt zijn tas.

Mark zoekt in zijn tas.

Mark heeft een appel.

De appel is groen.

"Ik heb een appel," zegt Mark.

"Kijk, een groene appel." Emma kijkt naar Sam.

Emma pakt haar tas.

Emma zoekt in haar tas.

Emma heeft ook een appel.

De appel is geel.

"Ik heb een appel," zegt Emma.

"Kijk, een gele appel." Sam kijkt naar de appels.

Sam is niet blij.

Sam wil meer appels.

"Een appel is niet goed," zegt Sam.

"Twee appels is niet goed.

Wij hebben tien appels nodig." Mark snapt het niet.

Mark kijkt naar zijn fiets.

"Waarom tien appels?" vraagt Mark.

"Voor de club," zegt Sam.

"De club is groot.

Wij moeten veel eten.

Wij moeten sterk zijn." Emma kijkt naar haar boek.

Emma leest niet.

Emma luistert naar Sam.

"Ik heb geen tien appels," zegt Emma.

"Ik heb maar één appel." Sam wijst naar de straat.

Sam wijst naar de winkel.

De winkel is ver.

"Jullie moeten naar de winkel," zegt Sam.

"Jullie moeten appels halen.

Veel appels." Mark en Emma lopen.

Zij lopen naar de winkel.

Zij lopen op de straat.

De zon is warm.

Het is een lange weg.

Zij praten niet.

Zij zijn bij de winkel.

De winkel is heel groot.

Zij zien veel fruit.

Zij zien veel appels.

Rode appels.

Groene appels.

Gele appels.

Mark pakt een mand.

Mark koopt vijf appels.

Emma koopt vijf appels.

Zij betalen.

Zij hebben nu tien appels.

Zij lopen terug.

Zij lopen weer op de straat.

Zij lopen naar het park.

Sam is in het park.

Sam zit op het gras.

Sam kijkt naar de vogels.

Mark en Emma zijn in het park.

"Hebben jullie de appels?" vraagt Sam.

"Ja," zegt Mark.

"Hier zijn vijf appels." "Ja," zegt Emma.

"Hier zijn vijf appels." Sam kijkt naar de tien appels.

Sam is nu blij.

Sam lacht.

"Goed zo," zegt Sam.

"Jullie zijn goede vrienden.

De club is nu sterk.

Wij hebben veel appels." Zij zitten op het gras.

Zij eten de appels.

De appels zijn zoet.

De appels zijn heel lekker.

Sam eet een appel.

Mark eet een appel.

Emma eet een appel.

Zij praten over de club.

Zij lachen veel.

Het is een goede dag.

De zon schijnt nog steeds.

De lucht is nog blauw.

De club heeft nu veel appels.

Sam wil morgen peren.

Maar dat is voor morgen.

Vandaag eten zij appels.

Vandaag zijn zij blij.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze