

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het is een zonnige dag in Den Haag.
Ik heet Rick en ik woon hier al tien jaar.
Ik loop door de stad naar mijn werk.
De straten zijn rustig.
Er zijn veel mensen, maar iedereen loopt gewoon door.
De zon schijnt warm op mijn gezicht.
Ik zie een man met een hond.
De hond kwispelt met zijn staart.
De hond is blij.
Het is een mooie ochtend.
Ik werk in een klein café.
Het café heet 'De Koffiepot'.
Mijn baas heet Jeroen.
Hij is altijd vriendelijk.
Vandaag is het niet druk.
Er zitten maar een paar gasten.
Een oude man leest de krant.
Hij draait de pagina's langzaam om.
Twee vrouwen drinken thee.
Ze praten zachtjes.
Ik hoor het geluid van kopjes en lepels.
Om elf uur komt een jonge vrouw binnen.
Ze heet Lisa.
Ze is nieuw in de stad.
Ze vraagt of ik een goede bakker ken.
Ik zeg: 'Ja, om de hoek is een goede bakker.
Ze verkopen lekkere broodjes.' Lisa lacht en bedankt me.
Ze bestelt een kop koffie.
De koffie ruikt sterk en zoet.
Terwijl ik koffie maak, hoor ik buiten een geluid.
Het is een auto met een luid signaal.
De auto rijdt langzaam door de straat.
Mensen kijken op, maar niemand rent weg.
Het is gewoon een auto van de gemeente.
Ze controleren de straat.
De auto maakt een piepend geluid.
Lisa vraagt: 'Wat is er aan de hand?' Ik zeg: 'Niets bijzonders.
De stad is vandaag een beetje anders.
Er komen veel mensen naar Den Haag voor een grote bijeenkomst.
Maar alles is rustig.' Lisa knikt.
Ze drinkt haar koffie.
Ze kijkt naar buiten.
Om twaalf uur wordt het drukker.
Er komen meer gasten.
Een man met een rode jas bestelt een broodje.
Zijn jas is felrood.
Een vrouw met een baby vraagt om een glas water.
De baby huilt zachtjes.
Ik werk snel, maar ik blijf kalm.
Mijn baas Jeroen helpt me.
Om twee uur ga ik even naar buiten.
Ik loop naar de bakker.
De bakker heet meneer Van Dijk.
Hij is een oude man met een witte schort.
Zijn schort is schoon.
Hij verkoopt brood, koekjes en taart.
Ik koop een appeltaart voor mijn collega's.
De taart ruikt naar kaneel.
Meneer Van Dijk zegt: 'Het is een mooie dag, hè?' Ik zeg: 'Ja, heel mooi.' Ik loop terug naar het café.
Op straat zie ik een groepje mensen.
Ze staan stil en kijken naar een gebouw.
Het gebouw is groot en wit.
Er hangen vlaggen voor de ramen.
De vlaggen zijn blauw en wit.
Een man zegt: 'Morgen is er een groot feest.' Een andere man zegt: 'Ja, veel belangrijke mensen komen hier.' Ik luister even, maar ik ga verder.
Terug in het café geef ik de taart aan Jeroen.
Hij is blij.
We eten een stukje taart.
Het is lekker.
De taart is zacht en zoet.
Lisa is er nog.
Ze eet ook een stukje taart.
Ze zegt: 'Dit is de beste taart die ik ooit heb gegeten.' Ik lach en zeg: 'Dat komt door de bakker.' Om vier uur gaat Lisa weg.
Ze zegt: 'Bedankt voor de koffie en de taart.
Ik kom snel terug.' Ik zwaai naar haar.
De dag is bijna voorbij.
Het was een rustige dag.
Geen problemen, geen drukte.
Alleen gewone mensen die hun dag doen.
Ik denk aan de stad.
Den Haag is een mooie stad.
Soms is het druk, maar vandaag is het kalm.
Ik voel me blij.
Het is goed om hier te wonen.
Ik denk aan Lisa en de taart.
Ik denk aan de zon en de rust.
Alles is goed vandaag.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze