

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Er is een man, hij vindt rode kopjes. Hij vindt ze als hij wandelt, hij vindt ze in de straat, hij vindt ze bij het huis, hij vindt ze bij de auto.
De man vindt het leuk om de kopjes te vinden.
De man heeft nu 14 kopjes. Hij vindt een kopje op 23 december.
Hij vindt een kopje op 6 januari. Hij vindt een kopje vandaag op 12 januari.
De man is blij. Hij houdt van de rode kopjes. Tuis praten man over de kopjes. Hij praat met zijn vrouw en kind.
Ze denken dat de kopjes van een zorginstelling komen, maar de man wil wachten.
Hij wil meer kopjes vinden. De man vindt het leuk om te wandelen, hij vindt het leuk om de kopjes te zoeken.
Hij wil zien hoeveel kopjes hij kan vinden. Tuis maken ze een wederschap.
Ze gokken hoeveel kopjes de man gaat vinden. Ze gokken 16 kopjes, 18 kopjes en 20 kopjes.
Als de man 20 kopjes vindt, gaan ze naar de zorginstelling.
Als de man geen kopjes meer vindt, gaan ze ook naar de zorginstelling.
Maar nu wachten ze. Ze wachten op meer kopjes. Ze praten niet meer over de kopjes.
Ze wachten, ze kijken, ze zoeken, ze willen meer kopjes vinden. Ze vinden het leuk, ze vinden het spannend, ze vinden het grappig.
De man, de vrouw en het kind lachen. Ze lachen om de rode kopjes.
Dus nu wachten ze. Ze wachten op meer rode kopjes. Ze wachten op de volgende wandeling van de man.
Ze wachten op het volgende kopje. Want de rode kopjes maken hun dag goed.
De rode kopjes maken hun dag leuk. De rode kopjes maken hun dag grappig.
En dat is goed, dat is heel goed.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze