

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Dit is een verhaal over Kees.
Kees woont in Zeeland.
Zeeland is een provincie.
Het is mooi daar.
Kees fietst elke dag.
Hij fietst graag.
De zon schijnt vandaag.
Het is warm.
De lucht is blauw.
Kees ruikt het gras.
Het gras ruikt fris.
Het gras is groen.
Kees hoort vogels.
De vogels zingen.
Kees ziet een man.
De man heet Jan.
Jan fietst ook.
Zij fietsen samen.
Zij praten over de dag.
Jan zegt: “Het is een mooie dag.” Kees zegt: “Ja, het is warm.” Het is een leuke dag.
Dan ziet Kees iets.
Er ligt een lang ding op de weg.
Het is een dun ding.
Het is grijs.
Het ding is stil.
Kees ziet het niet goed.
Hij fietst snel.
Jan ziet het ook niet.
Het ding raakt Kees zijn fiets.
Kees valt.
Jan valt ook.
Het gaat heel snel.
Kees hoort een hard geluid.
Het geluid is van de fiets.
De fiets maakt een hard geluid.
Kees heeft pijn.
Zijn been doet pijn.
Zijn arm doet pijn.
Jan heeft ook pijn.
Zijn hoofd doet pijn.
De weg is hard.
De zon schijnt nog.
Het is stil.
Kees hoort niets.
Geen vogels.
Geen auto’s.
Het is heel stil.
Een vrouw ziet hen.
Zij heet Mien.
Mien loopt naar hen.
Zij zegt: “Ik bel voor hulp.” Mien belt.
Een auto komt.
De auto is wit.
Twee mensen stappen uit.
Zij helpen Kees en Jan.
Kees gaat in de auto.
Jan gaat ook in de auto.
De auto rijdt weg.
Kees kijkt naar buiten.
Hij ziet de bomen.
De bomen zijn groen.
Hij ziet de huizen.
De huizen zijn wit en rood.
Hij is stil.
Jan is ook stil.
De auto stopt bij een groot huis.
Het is een wit huis.
Mensen komen naar buiten.
Zij helpen Kees en Jan.
Kees zit op een stoel.
De stoel is wit.
Een man kijkt naar zijn been.
De man zegt: “Het is niet goed.” Kees is moe.
Jan is ook moe.
Zij drinken water.
Het water is koud.
Het water is lekker.
Kees denkt aan de fietstocht.
Hij denkt: “Het ging snel.
Het ging heel snel.” Jan denkt: “Ik wil weer fietsen.
Morgen fiets ik weer.” Na een tijdje gaan zij naar huis.
Kees loopt langzaam.
Jan loopt ook langzaam.
De zon gaat onder.
Het is avond.
De lucht is oranje.
Kees eet brood.
Jan eet ook brood.
Het brood is lekker.
Het brood is zacht.
Kees is blij dat hij thuis is.
Jan is ook blij.
Kees denkt: “Morgen fiets ik weer.
Maar ik kijk beter.” Jan denkt: “Het was eng.
Maar nu is het goed.” Morgen is een nieuwe dag.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze