

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Mijn naam is Rick.
Ik woon in Den Haag.
Ik werk met kinderen.
Vandaag hoor ik nieuws.
Het nieuws is over een plan.
Het plan is voor kinderen.
Kinderen hebben soms hulp nodig.
Het plan helpt hen.
Ik ben blij met het plan.
Het plan is nieuw.
Het plan is voor alle kinderen.
Ik loop naar het park.
De zon is warm.
Ik hoor vogels.
Ik ruik gras.
In het park zie ik een man.
De man heet Tom.
Tom werkt ook met kinderen.
Hij zegt: 'Hallo Rick.
Hoor je het nieuws?' Ik zeg: 'Ja, ik hoor het.
Het plan is goed.' Tom lacht.
Hij zegt: 'Het plan is voor de kinderen.
Het plan maakt hen sterk.' Tom heeft een blauwe jas.
De jas is mooi.
Wij lopen samen naar een huis.
Het huis is wit.
De deur is groot.
In het huis zitten kinderen.
Zij spelen een spel.
Het spel is leuk.
Een kind zegt: 'Ik ben blij.
Het plan is er weer.' Ik zeg: 'Ja, het plan is er.
Het helpt jullie.' De kinderen lachen.
Zij zijn blij.
Ik zie een meisje.
Zij heet Lisa.
Lisa is klein.
Zij heeft een pop.
De pop is rood.
Lisa zegt: 'Het plan is voor mij?' Ik zeg: 'Ja, Lisa.
Het plan is voor jou.
Het plan helpt jou.' Lisa lacht.
Zij zegt: 'Dat is fijn.' Lisa geeft mij de pop.
De pop is zacht.
Ik geef de pop terug.
Lisa lacht weer.
Tom en ik drinken koffie.
De koffie is warm.
De koffie ruikt goed.
Tom zegt: 'Het plan is goed voor de kinderen.
Het plan geeft rust.' Ik zeg: 'Ja, rust is belangrijk.
Kinderen hebben rust nodig.' Tom drinkt zijn koffie.
Ik drink ook.
De koffie is lekker.
Wij praten over het plan.
Het plan heeft drie delen.
Eerst: een huis voor kinderen.
Het huis is veilig.
Het huis is groot.
Twee: een leraar voor elk kind.
De leraar helpt met school.
De leraar is aardig.
Drie: een dokter voor elk kind.
De dokter is er voor vragen.
De dokter is lief.
Ik loop naar huis.
Ik denk aan het plan.
Het plan is voor de kinderen.
Het plan maakt hen blij.
Ik ben blij met het plan.
Het plan is nieuw leven.
Het plan is goed.
Ik zie een hond op straat.
De hond is bruin.
De hond blaft.
Ik lach.
Thuis eet ik een appel.
De appel is groen.
De appel is fris.
Ik denk: 'Het plan is belangrijk.
Het plan helpt kinderen.
Kinderen zijn de toekomst.' Ik eet de appel langzaam.
De appel smaakt zoet.
Ik kijk uit het raam.
De zon schijnt.
Het is een mooie dag.
Ik voel me goed.
Het plan is er weer.
Dat is fijn.
Ik denk aan de kinderen.
Zij zijn blij.
Ik ben ook blij.
Het plan is voor hen.
Het plan is voor ons.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze