

Woordenschat
Hallo, daar. Ik ben Rick van Dutch Fluency, en samen gaan we op een a1-avontuur in de Nederlandse tal.
Rashid loopt door de straten van Rosendal. Het is een warme dag. Hij heeft vrij van werk. Hij wil naar het winkelcentrum. Hij voelt zich blij.
Hij ruikt de geur van versestroopwafels. De zon schijnt fel. Rashid denkt aan zijn vrienden. Ze willen vanavond samen eten.
In het winkelcentrum is het druk. Rashid ziet veel mensen. Ze lachen en praten. Hij hoort muziek. Het is gezellig. Rashid loopt langs de winkels. Hij ziet mooie kleren. Hij denkt aan een nieuw t-shirt. Misschien koopt hij het. Rashid kijkt om zich heen. Hij ziet een groot scherm. Het scherm laat nieuw zien.
Meer winkelen dan voor corona, staat er. Rashid leest het langzaam. Hij begrijpt het. Hij denkt aan de tijd met corona. Toen was het still. Nu is het druk. Rashid voelt zich opgelucht. Hij glim lacht. Het is goed nieuws. Rashid loopt verder. Hij ziet een vriend. Het is Marit. Ze zwaait naar hem. Hoi Rashid roept ze. Heb je het nieuws gezien. Rashid knikt. Ja, zegt hij. Het is goed, toch? Marit lacht. Ja, heel goed. Ze praten even.