

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben een man.
Ik heb een auto.
Ik ga met mijn auto naar mijn werk.
Ik rij het op de snelweg.
De snelweg is groot.
Er zijn veel auto's.
Alle auto's rijden snel.
Er is een auto voor mij.
De auto rijdt niet snel.
De auto rijdt 100 kmu.
Ik wil sneller rijden.
Ik wil de auto inhalen.
Ik ga naar de linkerbaan.
Ik rijd 101 kmu.
Ik hal de auto in.
Een andere auto is achter mij.
De auto is groot.
De auto rijdt snel.
De auto wil mij inhalen.
De auto gaat naar de linkerbaan.
De auto rijd 110 kmu.
De auto houdt mij in.
Ik ben niet blij.
Ik wil snel rijden.
De andere auto rijdt sneller.
De auto is nu voor mij.
Ik ben achter de auto.
Ik zie de auto.
De auto rijdt snel.
De auto rijd 110 kmu.
Ik kan de auto niet inhalen.
Ik ben geen boze man.
Ik ben een rustige man.
Maar nu ben ik een beetje boos.
De andere auto rijdt te snel.
Ik kan niet inhalen.
Ik wil de andere auto inhalen.
Maar dat kan ik niet.
De andere auto rijdt te snel.
Ik heb een idee.
Ik heb een lego blockje.
Het lego blockje is klein.
Het lego blockje is hard.
Ik wil het lego blockje onder de voet van de andere man leggen.
Dat is mijn straf voor hem.
Hij rijdt te snel.
Hij moet langsamer rijden.
Ik ben nu weer rustig.
Ik rijdt weer 100 kmu.
De andere auto is weg.
Ik zie de auto niet meer.
Ik rijd naar mijn werk.
Ik ben bijna bij mijn werk.
Ik parker mijn auto.
Ik ga naar mijn werk.
Ik ben een man.
Ik heb een auto.
Ik rijd naar mijn werk.
Ik rijd 100 kmu.
Maar soms wil ik sneller rijden.
Soms wil ik inhalen.
Maar inhalen doe je met minimal 110 kmu.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze