

Woordenschat
Ik ben een man. Ik heb een auto. Ik ga met mijn auto naar mijn werk. Ik rij het op de snelweg. De snelweg is groot. Er zijn veel auto's.
I am a man. I have a car. I go to work in my car. I drive it on the highway. The highway is big. There are a lot of cars.
Alle auto's rijden snel. Er is een auto voor mij. De auto rijdt niet snel. De auto rijdt 100 kmu. Ik wil sneller rijden. Ik wil de auto inhalen.
Ik ga naar de linkerbaan. Ik rijd 101 kmu. Ik hal de auto in. Een andere auto is achter mij. De auto is groot. De auto rijdt snel. De auto wil mij inhalen. De auto gaat naar de linkerbaan. De auto rijd 110 kmu. De auto houdt mij in. Ik ben niet blij. Ik wil snel rijden.
De andere auto rijdt sneller. De auto is nu voor mij. Ik ben achter de auto. Ik zie de auto. De auto rijdt snel. De auto rijd 110 kmu. Ik kan de auto niet inhalen. Ik ben geen boze man. Ik ben een rustige man. Maar nu ben ik een beetje boos. De andere auto rijdt te snel.
Ik kan niet inhalen. Ik wil de andere auto inhalen. Maar dat kan ik niet. De andere auto rijdt te snel. Ik heb een idee. Ik heb een lego blockje. Het lego blockje is klein. Het lego blockje is hard.