

0:00
0:001:59
Ik ben Jan. Ik heb een huis. Ik heb ook een auto. Ik heb werk.
Mijn werk is belangrijk. Ik heb een telefoon. De telefoon is voor mijn werk.
Ik heb een abonnement. Het abonnement is voor mijn werk.
Nu heb ik een probleem. Het is niet goed. Ik krijg veel mil.
Heel veel mil. Elke dag krijg ik mil. De mil komt op mijn werk-imil.