

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het is zaterdag.
Mark is een man.
Hij woont in Breda.
Breda is een grote stad.
Mark heeft een mooi huis.
Het huis heeft een grote tuin.
Mark is in de tuin.
Het is heel mooi weer.
De zon is geel.
De lucht is blauw.
Mark is erg blij.
Hij heeft twee kinderen.
De kinderen zijn Tom en Emma.
Tom is een kleine jongen.
Emma is een klein meisje.
Tom en Emma spelen.
Ze spelen in de grote tuin.
Ze spelen met een auto.
De auto is rood.
Tom lacht hard.
Emma lacht ook hard.
Het is een heel goede dag.
Mark kijkt naar de kinderen.
Hij ziet Tom.
Hij ziet Emma.
Hij houdt van zijn kinderen.
Mark maakt eten.
Hij maakt eten buiten.
Hij heeft veel vlees.
Het vlees is rood.
Mark kookt het vlees.
Hij doet dat buiten in de tuin.
Het is erg warm.
Mark kijkt naar het vlees.
Tom heeft veel honger.
Emma heeft ook veel honger.
Tom stopt met spelen.
Emma stopt met spelen.
Tom loopt naar Mark.
Emma loopt naar Mark.
"Papa, ik wil eten," zegt Tom.
"Ik wil ook eten," zegt Emma.
Mark lacht naar de kinderen.
"Het eten komt zo," zegt Mark.
"Jullie moeten even wachten." Tom en Emma wachten.
Ze kijken naar het vlees.
Het vlees is nu bruin.
Het vlees is mooi.
Mark pakt het vlees.
Hij heeft een groot bord.
Het bord is wit.
Mark doet het vlees op het bord.
Hij heeft veel vlees op het bord.
Mark loopt naar de tafel.
De tafel staat buiten.
De tafel is groot.
Tom zit aan de tafel.
Emma zit aan de tafel.
Ze kijken naar Mark.
Mark heeft het witte bord.
Maar dan gaat het mis.
Mark valt op de grond.
Het bord valt ook.
Het vlees valt op de grond.
Het vlees valt op Tom.
Het vlees valt op Emma.
Het vlees is erg warm.
Tom huilt hard.
Emma huilt ook hard.
"Au," zegt Tom.
"Au," zegt Emma.
Ze hebben veel pijn.
Mark is echt niet blij.
Hij kijkt naar de kinderen.
Hij helpt Tom snel.
Hij helpt Emma snel.
"Kom," zegt Mark.
"Wij gaan naar binnen." "Wij gaan in het huis." Mark, Tom en Emma gaan naar binnen.
Ze zijn nu in het huis.
Mark loopt naar de keuken.
Hij pakt veel water.
Het water is heel koud.
Hij doet water op Tom.
Hij doet water op Emma.
Het koude water is heel goed.
Tom huilt niet meer.
Emma huilt niet meer.
Ze zitten op de bank.
De bank is erg zacht.
Mark kijkt naar de kinderen.
"Gaat het goed?" vraagt Mark.
"Ja," zegt Tom.
"Ja," zegt Emma.
Maar ze hebben nog steeds honger.
Het vlees ligt buiten.
Het vlees is op de grond.
Ze kunnen het vlees niet eten.
Mark loopt naar de keuken.
Hij pakt een brood.
Hij pakt ook kaas.
Hij maakt brood met kaas.
Mark geeft het brood aan Tom.
Mark geeft het brood aan Emma.
Ze eten het brood.
Ze drinken koud water.
Het brood is erg lekker.
Het water is erg koud.
Ze zijn weer heel blij.
Mark eet ook een brood.
Ze eten samen in het huis.
Buiten eten is soms niet leuk.
Binnen eten is altijd goed.
De dag is weer goed.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze