

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het was een koude ochtend in Den Haag.
De zon was nog niet helemaal op.
De lucht was grijs en de wind voelde koud.
Ik, Kees, zat in de bus naar mijn werk.
De bus was stil.
Mensen keken naar hun telefoon.
Ik hoorde alleen het geluid van de motor.
Het was een zacht geluid.
Ik voelde iets vreemds.
Mijn linkervoet was koud.
Heel koud.
Het was alsof er geen schoen zat.
Ik keek naar beneden.
En toen zag ik het.
Ik had geen schoen aan mijn linkervoet.
Alleen een sok.
Een witte sok.
De sok was dun.
Ik voelde de kou door de sok.
Mijn schoen was weg.
Ik dacht: 'Hoe kan dit?
Waar is mijn schoen?' Ik was in de bus gestapt.
Ik had mijn schoenen aan.
Dat wist ik zeker.
Ik herinnerde me dat ik ze vastmaakte.
Ik hoorde het geluid van de veters.
Maar nu was er een schoen weg.
De bus stopte.
Mensen stapten uit.
Ik bleef zitten.
Ik keek onder de stoel.
Daar was een oude krant.
Niets.
Ik keek naast mij.
Daar was een tas.
Niets.
Mijn schoen was weg.
Ik voelde me dom.
En een beetje bang.
Wat moest ik doen?
Ik kon niet uit de bus stappen met één schoen.
Dat is raar.
Mensen zouden lachen.
Ik dacht aan mijn moeder.
Zij zei altijd: 'Kees, let op je spullen.' Maar ik was niet opgelet.
De buschauffeur riep: 'Eindhalte, meneer.' Zijn stem was luid.
Ik moest eruit.
Ik stond op.
Mijn rechtervoet had een schoen.
Mijn linkervoet had een sok.
Ik liep de bus uit.
De lucht was koud.
De stoep was nat.
Er lag water op de grond.
Mijn sok werd nat.
Ik voelde de kou.
Het water was koud en vies.
Ik liep naar een bankje.
Het bankje was van hout.
Het was nat.
Ik ging zitten.
Ik belde mijn baas.
Ik zei: 'Ik kom te laat.
Ik heb een probleem.' Mijn baas lachte.
Hij zei: 'Een schoen kwijt?
Hoe dan?' Ik zei: 'Ik weet het niet.
Het is raar.
Mijn voet is koud.' Mijn baas zei: 'Kom maar naar kantoor.
We vinden wel een oplossing.' Ik liep verder.
Mensen keken naar mij.
Een oude vrouw zei: 'Jongeman, waar is je schoen?' Haar stem was vriendelijk.
Ik zei: 'Ik weet het niet, mevrouw.' Zij lachte.
Haar lach was zacht.
Ik voelde me rood in mijn gezicht.
Mijn wangen werden warm.
Toen zag ik iets.
Op de stoep.
Een schoen.
Mijn schoen!
Ik rende ernaartoe.
Mijn voeten maakten een geluid op de natte stoep.
Het was mijn schoen.
Maar hij was nat.
En vies.
Er zat modder op.
De modder was donkerbruin.
Hoe kwam hij hier?
Ik dacht: 'Misschien viel hij uit de bus.
Of iemand nam hem mee en liet hem vallen.' Ik deed de schoen aan.
Mijn voet was koud.
Maar de schoen paste.
Ik voelde de natte binnenkant.
Ik liep naar kantoor.
Mijn baas zei: 'Gelukkig, je hebt een schoen.' Ik lachte.
'Ja, ik vond hem op straat.' Mijn baas schudde zijn hoofd.
'Wat een verhaal,' zei hij.
Ik dacht de hele dag aan de schoen.
Hoe kon ik hem verliezen?
Ik weet het nog steeds niet.
Maar ik ben blij dat ik hem vond.
De volgende dag deed ik mijn schoenen extra goed vast.
Ik hoorde de veters.
En ik controleerde ze drie keer.
Mijn moeder zou trots zijn.
Het was een rare dag.
Maar een dag met een gelukkig einde.
Tot de volgende.
Alle transcripten op dutchfluency.com slash transcripts.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze