Dutch Fluency
Find my level
Login
Play me!

De Stille Fabriek

Ik ben Rick.

Ik woon in Den Haag.

Vandaag lees ik een verhaal.

Het verhaal is over een ver land.

Het land is Rusland.

Daar is een grote fabriek.

De fabriek maakt iets voor auto's.

De fabriek is nu stil.

De fabriek werkt niet.

Mensen in Rusland hebben een probleem.

Zij hebben geen spul voor hun auto.

De auto rijdt niet.

De auto heeft dat spul nodig.

Een man zegt: 'Mijn auto staat stil.

Ik kan niet rijden.' Een vrouw zegt: 'Ik heb dat spul nodig.

Ik ga naar mijn werk.' De auto van de vrouw rijdt niet.

Zij loopt naar haar werk.

Het is ver.

Zij is moe.

Een andere man zegt: 'Ik wacht.

Ik hoop op hulp.' De mensen zijn niet blij.

Zij hebben een auto.

Maar de auto rijdt niet.

De fabriek is groot.

De fabriek is van een bedrijf.

Het bedrijf maakt spul voor auto's.

Het spul heet iets.

Ik weet het woord niet.

Het is een vloeistof.

De vloeistof is voor de motor.

De motor van de auto heeft het nodig.

Zonder de vloeistof werkt de motor niet.

De fabriek is stil.

De mensen zijn ongerust.

Zij vragen: 'Wanneer werkt de fabriek weer?' Niemand weet het antwoord.

De tijd gaat langzaam.

De mensen wachten.

Zij kijken naar de fabriek.

De fabriek is groot en grijs.

De deuren zijn dicht.

Er is geen geluid.

Vroeger was er lawaai.

Nu is het stil.

Een kind zegt: 'Papa, waarom is de fabriek stil?' Papa zegt: 'De fabriek is kapot.

Wij wachten.' Het kind zegt: 'Is de fabriek morgen open?' Papa zegt: 'Ik weet het niet.' De mensen zijn niet boos.

Zij zijn stil.

Zij hopen op een goede dag.

De zon schijnt.

De lucht is blauw.

Maar de mensen zijn niet blij.

Zij missen het spul voor de auto.

Een oude man zegt: 'Ik loop naar de winkel.

Ik koop brood.

Ik heb geen auto nodig.' De oude man is kalm.

Hij loopt elke dag.

Hij is niet ongerust.

Maar de jonge mensen hebben een auto nodig.

Zij werken ver weg.

Zij kunnen niet lopen.

Zij hebben de bus.

De bus rijdt ook op dat spul.

De bus heeft het ook nodig.

De bus rijdt niet meer.

De mensen zijn in de war.

Zij weten niet wat te doen.

Een vrouw zegt: 'Ik fiets naar mijn werk.

De fiets heeft geen spul nodig.' De vrouw is blij.

Zij fietst elke dag.

De fiets is goed.

De auto is niet nodig.

Maar niet iedereen heeft een fiets.

Sommige mensen hebben alleen een auto.

Zij zijn ongerust.

De tijd gaat verder.

De fabriek is nog stil.

De mensen wachten.

Zij hopen op nieuws.

Het nieuws is niet goed.

De fabriek is lang stil.

De mensen zijn moe van het wachten.

Een man zegt: 'Ik verkoop mijn auto.

Ik koop een fiets.' De man is slim.

Hij heeft geen spul nodig.

De fiets rijdt op spierkracht.

De man is blij.

Hij fietst naar zijn werk.

Het is leuk.

De zon schijnt.

De wind waait.

De man lacht.

Hij zegt: 'De fiets is beter.' De andere mensen kijken.

Zij denken: 'Is de fiets ook goed voor mij?' Sommige mensen kopen een fiets.

Andere mensen wachten.

De fabriek is nog stil.

Maar de mensen zijn niet meer zo ongerust.

Zij hebben een plan.

Zij fietsen of lopen.

Het is gezond.

De kinderen spelen buiten.

De hond loopt mee.

Het is een mooie dag.

De mensen zijn kalm.

Zij wachten op de fabriek.

Maar zij hebben ook plezier.

De zon is warm.

De vogels zingen.

Het leven gaat door.

De fabriek is stil.

Maar de mensen zijn sterk.

Zij helpen elkaar.

Een buurman zegt: 'Ik heb een fiets voor jou.' De buurman is aardig.

De vrouw is blij.

Zij zegt: 'Dank je wel.' De vrouw fietst nu ook.

Het is leuk.

De mensen lachen.

De fabriek is stil.

Maar de mensen zijn niet stil.

Zij bewegen.

Zij leven.

Het is een goed verhaal.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze