Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Het gym: Een meisje vecht voor een plek

Heb je ooit het gevoel gehad dat je niet helemaal past, dat je je anders moet voordoen dan je bent?

In het boek 'Het gym' van Karin Amatmoekrim uit tweeduizendelf

worstelt een jong meisje met precies dat gevoel.

Ze komt op een school waar bijna niemand op haar lijkt.

En ze ontdekt dat je soms moet vechten om jezelf te blijven.

Vandaag neem ik je mee in dit indringende verhaal.

We volgen het meisje van haar twaalfde tot haar achttiende.

We zien hoe ze zich staande houdt op een gymnasium, een school voor slimme kinderen uit rijke families.

En we ontdekken wat dat met haar doet.

Blijf luisteren, want dit verhaal raakt je.

Het is een woensdagmiddag in de jaren 90.

Het meisje zit op de bank in de flat waar ze woont met haar moeder.

De flat staat in een buurt in Amsterdam waar veel mensen uit andere landen wonen.

Buiten horen ze kinderen schreeuwen en een auto die niet wil starten.

Haar moeder komt uit Suriname en werkt hard om rond te komen.

haar vader is er niet.

Het meisje is alleen met haar moeder.

Ze is slim en haalt goede cijfers op de basisschool.

Haar juf ziet dat en zegt dat ze naar het gymnasium moet.

Dat is een school voor kinderen die heel goed kunnen leren.

Maar op die school zitten vooral witte kinderen uit rijke gezinnen.

Het meisje is een van de weinige donkere kinderen daar.

Het meisje hoort het nieuws van de juf en gaat naar huis.

Ze vertelt het aan haar moeder in de keuken.

Haar moeder staat bij het aanrecht en stopt even met wat ze doet.

Ze is trots.

Dat ziet het meisje aan haar ogen.

Maar haar gezicht wordt ook serieus.

Ze weet dat haar dochter het moeilijk zal krijgen op die school.

Toch zegt ze dat het meisje moet gaan.

Ze moedigt haar aan en zegt dat ze slim genoeg is.

Het meisje knikt.

Maar ze voelt ook iets in haar buik.

iets dat ze niet kan benoemen.

Ze weet dat er iets gaat veranderen.

Ze weet alleen nog niet wat.

Op de eerste schooldag staat het meisje vroeg op.

Ze trekt haar nieuwe schooluniform aan.

Een donkerblauwe rok, een wit overhemd en zwarte schoenen.

Ze kijkt in de spiegel en voelt zich onzeker.

Ze pakt haar tas en loopt naar de tramhalte.

In de tram zit ze stil voor zich uit te kijken.

Ze stapt uit bij de school en loopt naar binnen.

In de klas kijkt iedereen naar haar.

Ze is de enige met een donkere huid.

De leraar stelt haar voor aan de klas.

Hij vraagt waar ze vandaan komt.

Ze zegt Suriname.

Maar eigenlijk is ze in Nederland geboren.

Dat verschil snapt niemand.

De leraar knikt en vraagt niet verder.

Het meisje gaat zitten op een stoel achter in de klas.

De andere kinderen kijken nog even naar haar.

En dan begint de les.

Het meisje probeert op te letten.

Maar ze voelt zich alleen.

Ze denkt aan thuis en aan haar oude school.

Ze weet dat ze hier anders is dan de rest.

Na de les gaat ze naar buiten en wacht op de tram.

Ze zegt weinig tegen de andere kinderen.

Thuis vraagt haar moeder hoe het was.

Het meisje zegt dat het goed ging.

Maar dat is niet helemaal waar.

Ze zegt het toch.

Want ze wil haar moeder niet verdrietig maken.

Al snel merkt het meisje dat ze anders is dan de andere kinderen.

In de pauze praten ze over vakanties in Frankrijk.

Ze hebben het over dure spullen en merkkleding.

Het meisje kan daar niet over mee praten.

Ze heeft geen geld voor leuke kleren of uitjes.

Ze leert zich aanpassen aan de groep.

Ze gaat harder praten dan normaal.

Ze doet alsof ze alles weet.

Ze lacht om grapjes die ze niet snapt.

Maar van binnen voelt ze zich eenzaam.

Ze mist haar oude vriendinnen van de basisschool.

Die zitten nu op een gewone middelbare school.

Ze begrijpt hun taal niet meer.

En zij begrijpen die van haar niet.

Op een dag belt een van haar oude vriendinnen haar op.

Het meisje neemt op en ze praten even.

Maar het gesprek valt snel stil.

Ze hebben elkaar niets meer te vertellen.

Het meisje legt de hoorn neer en kijkt naar buiten.

Ze voelt een gat in haar buik.

Op school probeert ze vrienden te maken met de andere kinderen.

Dat lukt niet goed.

Ze blijven op een afstand.

Het meisje trekt zich terug en leest veel boeken.

Dat is haar manier om te ontsnappen.

Ze leert dat ze alleen zichzelf kan zijn als ze alleen is.

Dat is een harde les.

Thuis is het ook niet makkelijk voor het meisje.

Haar moeder werkt lange dagen en komt laat thuis.

Ze is vaak moe en heeft weinig tijd.

Het meisje moet veel alleen doen.

Ze kookt, maakt schoon en doet haar huiswerk.

Soms is er geen geld voor boeken of een schoolreisje.

Ze schaamt zich daarvoor.

Ze vertelt op school niet dat ze arm is.

Ze verzint smoesjes als ze iets niet kan betalen.

Op een dag vraagt de leraar om geld voor een excursie naar een museum.

Het meisje zegt dat ze niet meekan omdat ze ziek is.

Maar eigenlijk heeft ze geen geld.

Dat gevoel van schaamte kent ze maar al te goed.

De leraar gelooft haar en zegt dat ze beterschap moet nemen.

Het meisje knikt en kijkt naar de grond.

De volgende dag zit ze alleen in de klas terwijl de anderen naar het museum zijn.

Ze voelt zich verdrietig en boos tegelijk.

Ze weet dat ze liegt en dat vindt ze niet leuk.

Maar ze weet ook dat ze geen keuze heeft.

Thuis vertelt ze niets aan haar moeder over het geld.

Ze wil haar niet nog meer zorgen geven.

Ze doet alsof er niets aan de hand is.

Zo leert ze om haar gevoelens te verstoppen.

Dat doet ze steeds beter.

Het is pauze op het gymnasium.

Het meisje zit alleen op een bankje bij de fietsenstalling.

Ze kijkt naar de andere kinderen.

Ze zien er allemaal hetzelfde uit.

Ze dragen dure jassen en praten over hun vakantie.

Dan komt er een meisje naast haar zitten.

Ze heet Amber.

Amber draagt een oude trui met een gat erin.

Ze zegt, ik heb honger.

Heb jij iets te eten?

Het meisje geeft haar een boterham.

Amber lacht en zegt: jij bent tenminste normaal.

Ze gaan samen naar de kantine.

Ze praten over thuis en over school.

Ze lachen om de rijke kinderen die klagen over hun dure telefoon.

Voor het eerst voelt het meisje zich niet alleen.

Ze heeft iemand gevonden die ook anders is.

De volgende dagen blijven ze bij elkaar.

Ze delen hun verhalen tijdens de lunch.

Amber vertelt over haar vader die nooit thuis is.

Het meisje vertelt over haar moeder, die hard werkt.

Samen voelen ze zich sterker.

Maar na een paar weken wordt het moeilijker.

Amber is jaloers op de goede cijfers van het meisje.

Ze zegt, jij krijgt altijd een tien.

Dat is niet eerlijk.

Het meisje is jaloers op de vrijheid van Amber.

Amber mag doen wat ze wil, zonder dat iemand iets verwacht.

Soms hebben ze ruzie in de gang.

Dan loopt Amber weg en blijft het meisje alleen achter.

Ze voelt zich weer eenzaam.

Toch komen ze altijd weer bij elkaar.

Want zonder elkaar zijn ze nog kwetsbaarder.

Het is een dinsdag ochtend in de derde klas.

De leraar Nederlands zegt:

Vandaag houden we de spreekbeurten.

Het meisje moet als eerste.

Ze staat op en loopt naar het bord.

Haar handen trillen.

Ze begint te vertellen over Suriname, over de slavernij en over haar moeder, over hoe haar

moeder naar Nederland kwam.

De klas is muisstil.

Ze hoort alleen haar eigen stem.

Ze vertelt over haar familie en over trots zijn.

Dan gaat ze zitten.

Even is het stil.

Dan klapt iemand.

Een paar kinderen klappen mee.

Het meisje voelt iets warms in haar borst.

Voor het eerst voelt ze zich gezien.

Ze denkt, misschien hoor ik er toch een beetje bij.

Maar dan steekt een jongen een vinger op.

Hij heet daan.

Hij zegt hard.

Ga terug naar je eigen land.

Het meisje schrikt.

Ze voelt haar wangen rood worden.

Ze weet niet wat ze moet zeggen.

Ze kijkt naar de leraar.

De leraar zegt niets.

Even tussen door.

Bedankt voor het luisteren.

Reageer onder deze aflevering of stuur me een DM op Instagram.

Dan stuur ik je een speciale kortingskode voor de interactieve versie van deze aflevering.

Veel plezier verder met het verhaal.

Hij bladert in zijn boek.

De klas lacht zachtjes.

Het meisje kijkt naar de grond.

Ze wil verdwijnen.

Vanaf dat moment weet ze het zeker.

Ze zal nooit helemaal geaccepteerd worden.

Hoe hard ze ook haar best doet.

Zij is anders.

En dat zal altijd zo blijven.

Die avond komt haar moeder thuis met een man.

Hij heet Willem.

Hij is groot en streng.

Hij zegt.

Zo.

Dus jij bent de dochter.

Het meisje zegt niets.

Ze gaat naar haar kamer.

De volgende dagen bemoeit Willem zich met alles.

Hij zegt wat ze moet eten.

Hij zegt hoe laat ze naar bed moet.

Hij zegt dat ze harder moet leren.

Het meisje voelt zich niet veilig meer in huis.

Ze trekt zich terug op haar kamer.

Ze leest boeken over verre landen.

Dat is haar ontsnapping.

Ze vergeet even waar ze is.

Maar op school gaan haar cijfers achteruit.

Ze is moe.

Ze kan zich niet concentreren.

Een leraar vraagt.

Gaat het wel?

Ze zegt.

Ja hoor.

Ze wil niet zielig lijken.

Maar van binnen schreeuwt ze om hulp.

Op een vrijdagmiddag zit ze op een bankje in het park.

Ze kijkt naar de eenden.

Dan komt er een jongen naast haar zitten.

Hij heet Moe.

Hij zit op een andere school.

Hij is ook van Marokkaanse afkomst.

Hij zegt, jij kijkt alsof je iets dwars zit.

Ze lacht voor het eerst in weken.

Ze praten over van alles.

Over muziek.

En over hun moeders.

Met Moe kan ze praten zonder zich anders te voelen.

Ze worden vrienden.

Na een paar maanden worden ze meer dan dat.

Hij pakt haar hand vast.

Voor het eerst voelt ze zich geliefd om wie ze is.

Ze denkt, dit is hoe het hoort te zijn.

Maar Moe begrijpt niet waarom ze zo haar best doet op school.

Hij zegt, waarom lees je al die boeken?

Dat heeft toch geen zin.

Hij vindt het gymnasium maar onzin.

Hij zegt, die rijke kinderen lachen je toch uit.

Het meisje wordt stil.

Ze wil niet kiezen tussen Moe en school.

Ze wil niet kiezen tussen haar twee werelden.

Maar Moe blijft aandringen.

Ze zegt, je moet kiezen.

Ik of die school.

Het meisje kijkt naar de grond.

Ze weet niet wat ze moet zeggen.

Ze voelt het verdriet prikken.

Toch moet ze op een dag kiezen.

Ze kan niet altijd twee mensen tegelijk zijn.

Het is lente in het examenjaar.

Het meisje zit in de keuken van de flat.

De muur is kaal en het licht is zwak.

haar moeder ligt op de bank.

Ze heeft koorts en kan niet werken.

Het meisje maakt soep voor haar.

Ze kijkt op de klok.

Over twee uur moet ze naar school.

Ze heeft nog niet geleerd voor het proefexamen.

haar tas staat ongeopend bij de deur.

Ze voelt de druk als een steen op haar borst.

Ze zegt tegen haar moeder dat het goed komt.

Maar ze weet niet of dat waar is.

Die avond zet ze haar boeken op tafel.

Ze leest een hoofdstuk over geschiedenis.

haar ogen branden.

De letters dansen voor haar ogen.

Ze probeert het nog een keer.

Dan ligt haar hoofd op het boek.

Ze valt in slaap met haar pen nog in haar hand.

Als ze wakker wordt is het bijna ochtend.

Het licht is grijs.

Ze kijkt naar de stapel boeken.

Ze beseft dat ze het niet alleen kan.

Ze moet iemand om hulp vragen.

Dat is moeilijk.

Maar ze heeft geen keuze.

De volgende dag gaat ze naar haar leraar Nederlands.

Ze klopt op de deur van het lokaal.

De leraar zit alleen achter haar bureau.

Het meisje gaat zitten.

Ze zegt niets.

De leraar wacht geduldig.

Dan begint het meisje te praten.

Ze vertelt over haar moeder die ziek is.

Ze vertelt over het geld dat er niet is.

Ze vertelt over die jongen die zei dat ze terugmoest naar haar eigen land.

Ze vertelt over de eenzaamheid.

De woorden komen er nu allemaal uit.

De leraar luistert zonder te onderbreken.

Als het meisje klaar is, zegt de leraar dat ze het goed heeft gedaan.

Ze zegt dat het meisje niet alleen staat.

De leraar regelt extra tijd voor de examens.

Ze praat met de decaan.

Ze zorgt dat het meisje rust krijgt bij het leren.

Het meisje hoeft niet meer alles zelf te doen.

Ze maakt een schema met vaste tijden.

Een oudere leerling helpt haar met wiskunde.

De leraar belt ook naar huis.

Ze praat met de moeder van het meisje.

De moeder houdt van de telefoon.

Ze zegt dat ze trots is op haar dochter.

Het meisje voelt iets losschieten in haar borst.

Voor het eerst in maanden slaapt ze goed.

De examens komen.

Het meisje zit in een grote hal.

Er zijn rijen tafels met witte vellen papier.

De klok tikt langzaam.

Ze leest de eerste vraag.

Ze weet het antwoord.

Ze schrijft rustig verder.

Bij de tweede vraag twijfelt ze even.

Dan denkt ze aan het schema dat ze heeft geoefend.

Ze ademt diep in en gaat door.

Na drie uur legt ze haar pen neer.

Ze kijkt naar buiten.

De zon schijnt door het raam.

Ze voelt zich moe, maar klaar.

Ze heeft gedaan wat ze kon.

Een paar weken later komt de uitslag.

Het meisje zit op haar kamer als de post komt.

Ze maakten het open met trillende handen.

Ze leest de woorden.

Geslaagd.

Ze rent naar de woonkamer.

haar moeder zit op de bank.

Het meisje laat het papier zien.

haar moeder springt op.

Ze slaat haar armen om het meisje heen.

Ze lacht en huilt tegelijk.

Het meisje lacht ook.

Ze voelt de warmte van haar moeder.

Even is er geen ziekte.

Geen geld zorgen.

Geen eenzaamheid.

Alleen dit moment.

De diploma-uitreiking is in de oude aula van de school.

Er zijn bloemen en muziek.

Het meisje draagt een nette jurk.

haar moeder zit op de derde rij.

Ze heeft haar beste kleren aan.

Als de naam van het meisje wordt omgeroepen, klapt haar moeder hard.

Het meisje loopt naar voren.

Ze krijgt haar diploma van de directeur.

Ze kijkt de zaal in.

Ze ziet de rijke kinderen met hun ouders.

Ze ziet de dure schoenen en lachende gezichten.

Ze voelt zich nog steeds anders.

Maar ze staat daar toch maar mooi.

Ze heeft het gehaald.

Ondanks alles.

Na de uitreiking staan ze buiten op het plein.

De zon schijnt.

Haar moeder houdt haar hand vast.

Het meisje kijkt naar de lucht.

Ze denkt aan alles wat er is gebeurd.

De armoede, de ruzies, de stille avonden.

Ze weet dat ze nooit helemaal bij die andere kinderen zal horen.

Maar het hoeft ook niet meer.

Ze hoeft niet te veranderen om te slagen.

Ze is wie ze is.

Een Surinaams-Nederlandse meisje.

Dat vecht voor haar plek.

En vandaag heeft ze die plek verdiend.

Het meisje zit op een bankje in het park.

Ze kijkt naar de lucht boven de bomen.

De bladeren bewegen zacht in de wind.

Ze ademt diep in en dan weer uit.

Haar handen liggen stil op haar knieën.

Ze denkt aan de universiteit waar ze naartoe gaat.

Ze heeft een studie gekozen die ze zelf mooi vindt.

Anderen vinden het misschien niets.

Maar dat maakt haar niet meer uit.

Ze is eindelijk vrij om haar eigen keuzes te maken.

haar moeder is trots op haar.

Dat doet het meisje goed.

De laatste bladzijden van het boek voelen als een opluchting.

Na alles wat ze heeft meegemaakt is er ruimte voor hoop.

Het boek eindigt niet met een grote overwinning.

Het eindigt met een klein, stil moment van geluk.

Het meisje zit op dat bankje.

Ze kijkt naar de lucht en ademt rustig.

Ze is thuis in zichzelf.

Als je dit boek leest, voel je misschien ook even dat meisje.

Je herkent de twijfel, de schaamte, de moed.

Karin Amatmoekrim schrijft in korte, heldere zinnen.

Ze vertelt het verhaal zonder opsmuk, maar met veel gevoel.

Daardoor blijft het lang bij je hangen.

Het gym is een boek dat je leert dat je mag zijn wie je bent.

Ook als de wereld je anders ziet.

En dat je nooit alleen hoeft te vechten.

Soms is er iemand die je hand vastpakt.

Soms moet je die hand zelf zoeken.

Maar hij is er.

Ik hoop dat je genoten hebt van dit verhaal.

Wil je de tekst meelezen en moeilijke woorden opzoeken?

Ga dan naar Dutchfluency.com

Slash transcripts.

Daar kun je op woorden klikken en zie je direct de vertaling.

0:00
Aanpassen

Tekst

Modus

Audio

Pauze