

De trein Jan gaat naar het werk. Jan neemt de trein. De trein is groot. De trein is oranje. Jan zit in de trein. Hij kijkt uit het raam. Hij ziet de stad. De trein rijd snel. De trein is op tijd. Jan is blij.
The train Jan goes to work. Jan takes the train. The train is big. The train is orange. Jan sits in the train. He looks out the window. He sees the city. The train goes fast. The train is on time. Jan is happy.
Hij heeft een kaartje. Het kaartje kost geld. Het kaartje kost veel geld. Jan betaalt veel geld. Maar soms is de trein laat. De trein is niet op tijd. Jan wacht op het station. Hij wacht lang. Hij is niet blij. Hij is boos. NS is een groot bedrijf. NS heeft veel treinen. NS heeft veel mensen. De mensen werken hard.
9 van de 10 treinen zijn op tijd. Dat is goed. Maar 1 trein is laat. Dat is niet goed. Als de trein laat is, heeft Jan geld terug. Dat heet compensatie. Compensatie is geld van NS. Jan heeft recht op geld. Maar Jan vraagt niet om geld.
Veel mensen vragen niet om geld. Dat is veel geld. 540 miljoen euro. Dat is heel veel geld. Maria werkt bij NS. Zij rijdt de trein. Zij werkt hard. Er zijn meer mensen zoals Maria. NS heeft meer trein bestuurders. Dat is goed nieuws.
NS verdient ook geld. 11 miljoen euro winst. Dat is positief. Vorig jaar is er verlies. Nu is er winst. NS is blij. Jan staat op het station. Hij ziet de oranje trein. De trein komt er aan. De trein is op tijd. Jan stapt in. Hij gaat naar zijn werk.