Dutch Fluency
Find my level
Login
Play me!

Een Grote Dag in Parijs

Ik ben Lars.

Ik woon in Den Haag, maar vandaag ben ik in Parijs.

Mijn vriend Mark is ook mee.

We kijken naar een groot voetbalspel.

Het is een belangrijke dag voor Frankrijk.

De stad is vol met mensen.

Overal zie ik vlaggen.

De vlaggen zijn blauw, wit en rood.

Mensen dragen mooie kleren.

Ze zijn blij en lachen veel.

Ik hoor muziek op straat.

Het klinkt vrolijk.

De muziek komt uit een kleine radio.

Een man speelt gitaar.

Mensen klappen mee.

Mark zegt: 'Wat een drukte!' Ik knik en zeg: 'Ja, het is bijzonder.' We lopen naar een groot plein.

Daar staan veel auto's van de veiligheidsmensen.

De auto's hebben blauwe lichten.

De lichten knipperen zachtjes.

De veiligheidsmensen lopen rond.

Ze kijken naar de mensen.

Ze praten met elkaar.

Een man zegt: 'Alles is rustig vandaag.' Een vrouw antwoordt: 'Ja, maar we moeten opletten.' Ik vind het goed dat ze er zijn.

Het voelt veilig.

Mark en ik gaan naar een café.

We bestellen een drankje.

De serveerster is vriendelijk.

Ze vraagt: 'Kom je voor het spel?' Ik zeg: 'Ja, we zijn er speciaal voor gekomen.' Ze lacht en zegt: 'Veel plezier!' We drinken onze koffie.

De koffie is warm en lekker.

Ik ruik de koffie.

Het is een fijne geur.

Buiten horen we geluiden.

Mensen zingen en klappen.

Het is een feestelijke sfeer.

Mark zegt: 'Ik heb honger.' We kopen een broodje.

Het broodje is vers en lekker.

Het broodje heeft kaas en ham.

We eten snel.

Dan lopen we verder.

De straten zijn druk.

Er zijn veel mensen uit verschillende landen.

Ik hoor Engels en Spaans.

Een groepje zingt een lied.

Ik zie een man met een grote hoed.

Hij danst op de muziek.

Zijn hoed is rood.

Kinderen rennen rond.

Ze hebben kleine vlaggetjes.

Een meisje roept: 'Papa, kijk!' Haar vader lacht.

Het is een mooie dag.

De zon schijnt.

Het is warm, maar niet te heet.

Ik voel de zon op mijn huid.

We komen bij een groot gebouw.

Daar is het spel.

Er staan veel mensen buiten.

Ze wachten op de deuren.

De veiligheidsmensen controleren de tassen.

Ze zijn rustig en vriendelijk.

Een vrouw zegt: 'Doe je tas open, alstublieft.' Ik doe het.

Ze kijkt en zegt: 'Goed, je mag door.' Mark en ik gaan naar binnen.

Het is groot en licht.

Ik zie groene stoelen.

We vinden onze plaatsen.

Het stadion is vol.

Mensen praten en lachen.

Ik voel me opgewonden.

Het spel begint.

De spelers rennen snel.

Het publiek maakt lawaai.

Mark juicht zachtjes.

Ik klap in mijn handen.

Het is een mooi spel.

Na het spel lopen we naar buiten.

De stad is nog steeds druk.

Mensen praten over het spel.

Sommigen zijn blij, anderen zijn stil.

Mark zegt: 'Het was een goede dag.' Ik knik en zeg: 'Ja, ik heb genoten.' We lopen naar de trein.

De trein is rustig.

Ik denk aan de dag.

Ik denk aan de muziek en de vlaggen.

De vlaggen wapperen nog in mijn hoofd.

Ik denk aan de geur van de koffie en de warme zon.

Het was een mooie dag.

Ik ben blij dat ik hier was.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze