Find my level
Login
Play me!
Alle podcasts

Meer Werken in de Winkel

Dit is Johan.

Johan is een man.

Hij woont in de stad.

De stad is groot.

De stad is Rotterdam.

Johan is blij.

Het weer is mooi.

De zon schijnt.

De lucht is blauw.

Johan loopt op straat.

Hij loopt naar de winkel.

De winkel is groot.

De winkel is rood.

Johan werkt in de winkel.

Hij werkt heel hard.

Hij werkt op maandag.

Hij werkt op dinsdag.

Hij werkt niet op woensdag.

Hij werkt niet op donderdag.

Johan wil meer werken.

Hij wil elke dag werken.

Elke dag werken is goed.

Dan heeft Johan meer geld.

Geld is goed.

Johan koopt graag eten.

Hij koopt appels.

Hij koopt kaas.

Hij eet heel graag kaas.

Kaas is lekker.

Johan eet elke dag kaas.

Johan is in de winkel.

Hij ziet de baas.

De baas is een man.

De man heet meneer de vries.

Meneer de vries is lang.

Hij heeft een rode trui.

De trui is mooi.

De trui is warm.

Johan loopt naar de baas.

Johan zegt.

Hallo baas.

De baas zegt.

Hallo Johan.

Johan kijkt naar de baas.

Johan zegt.

Ik werk twee dagen.

Ik wil meer dagen werken.

Kan ik meer werken?

Ik werk heel graag hier.

De baas kijkt naar Johan.

De baas denkt na.

De baas kijkt naar de winkel.

De baas zegt.

Ik weet het niet.

Ik moet kijken.

Ik zeg het je morgen.

Johan zegt.

Oké, tot morgen.

Johan gaat naar huis.

Hij loopt op straat.

Hij hoort een vogel.

De vogel zingt.

Johan ziet een kat.

De kat is zwart.

De kat is klein.

De kat slaapt.

Johan lacht.

Hij vindt de kat leuk.

Johan komt thuis.

Zijn huis is klein.

Zijn huis is mooi.

Zijn huis is warm.

Johan heeft honger.

Hij gaat naar de keuken.

Hij pakt een appel.

Hij eet de appel.

De appel is rood.

De appel is zoet.

Johan pakt ook kaas.

Hij snijdt de kaas.

Hij eet de kaas.

Hij drinkt melk.

Melk is wit.

Melk is koud.

Johan kijkt uit het raam.

Hij ziet de maan.

De maan is geel.

Johan is moe.

Hij gaat naar bed.

Hij gaat slapen.

Hij slaapt heel goed.

Het is morgen.

De zon schijnt weer.

Johan is weer wakker.

Hij gaat naar de winkel.

Hij loopt snel.

Hij is een beetje bang.

Wat zegt de baas?

Mag hij meer werken?

Johan komt in de winkel.

Hij ziet meneer de vries.

Meneer de vries lacht.

Hij is blij.

Johan loopt naar hem toe.

Johan zegt.

Goedemorgen.

De baas zegt.

Goedemorgen Johan.

Ik heb goed nieuws.

Jij werkt heel goed.

Jij mag meer werken.

Jij mag elke dag werken.

Elke dag in de winkel.

Johan is heel blij.

Hij lacht heel hard.

Hij zegt.

Dank u wel.

Nu werkt Johan elke dag.

Hij werkt op maandag.

Hij werkt op dinsdag.

Hij werkt op woensdag.

Hij werkt op donderdag.

Hij werkt op vrijdag.

In het weekend is hij vrij.

Dan slaapt hij lang.

Johan heeft nu meer geld.

Hij gaat naar de markt.

Hij koopt heel veel kaas.

Hij koopt heel veel appels.

Hij neemt de kaas mee.

Hij neemt de kaas mee naar het werk.

Hij deelt de kaas.

Hij geeft kaas aan de baas.

De baas eet de kaas.

De baas lacht.

De baas zegt.

Lekker.

Johan is een blije man.

Zijn werk is goed.

Zijn leven is goed.

Tot de volgende keer.

Bedankt voor het luisteren naar Dutch Fluency.

Op Dutchfluency.com vind je de transcript en oefeningen.

Spreek Nederlandse zelfs als je stottert.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze